ECLI:NL:GHAMS:2026:2074

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.351.303
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 233 RvArt. 235 RvArt. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van vorderingen tot zekerheidstelling en bewarende maatregelen in civiele procedure

In deze civiele procedure in hoger beroep vorderen appellanten zekerheidstelling ter afdekking van het restitutierisico van een reeds betaalde voorschot op schadevergoeding, terwijl de curator zekerheidstelling en toestemming voor bewarende maatregelen verlangt vanwege een vermeend boedeltekort.

Het hof oordeelt dat zekerheidstelling als voorwaarde verbonden is aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en dat deze niet kan worden geëist nadat het vonnis reeds ten uitvoer is gelegd of vrijwillig is voldaan. Daarom wordt de vordering van appellanten afgewezen.

De curator heeft geen voldoende grondslag voor zijn vordering tot zekerheidstelling en toestemming voor bewarende maatregelen gegeven. Het hof wijst deze vorderingen af en bevestigt het verbod op verdere executiemaatregelen tot het eindarrest.

De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven door appellanten.

Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen tot zekerheidstelling en toestemming voor bewarende maatregelen af en houdt de beslissing over proceskosten aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.351.303/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/341656 / HA ZA 23-377
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juli 2026
inzake

1.[appellant 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,
2.
[appellant 2],
gevestigd te [plaats 1] ,
3.
[appellant 3],
wonend te [plaats 1] ,
appellanten, tevens eisers en verweerders in de incidenten,
advocaat: mr. V.H.B. Kruit te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde],
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
[geïntimeerde],
kantoorhoudend te [plaats 2] ,
geïntimeerde, tevens verweerder en eiser in de incidenten,
advocaat: mr. A. Ourhris te [plaats 2] .

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna weer [appellanten] en de curator genoemd. [geïntimeerde] wordt weer [geïntimeerden] genoemd.
Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenarrest van 12 augustus 2025 (hierna: het tussenarrest), waarin het hof heeft beslist op de door [appellanten] ingestelde vordering tot schorsing ex artikel 351 Rv Pro.
Op 15 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- incidentele conclusie tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv Pro, met producties, van [appellanten] ;
- antwoordconclusie in het incident tot zekerheidstelling, tevens houdende incidentele vordering tot zekerheidstelling en toestemming voor het nemen van bewarende maatregelen, met een productie, van de curator;
- antwoordconclusie in het incident tot zekerheidstelling en toestemming voor het nemen van bewarende maatregelen, met producties, van [appellanten]
hebben incidenteel gevorderd dat het hof de curator zal bevelen zekerheid te stellen voor een bedrag van € 560.681,25, dan wel een bedrag dat het hof juist acht, te vermeerderen met rente en kosten, door dit bedrag op de derdengeldrekening van Stichting beheer derdengelden Tanger Advocaten te storten en dat het hof zal bepalen binnen welke termijn zekerheid moet worden gesteld, met veroordeling van de curator in de kosten van dit incident, te vermeerderen met nakosten en rente, uitvoerbaar bij voorraad.
De curator heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering van [appellanten] , met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van dit incident, te vermeerderen met nakosten. Indien het hof die vordering wel toewijst, heeft de curator verzocht daaraan als voorwaarde te verbinden dat door [appellanten] zekerheid wordt gesteld voor een bedrag van € 500.000,-, althans een bedrag dat het hof juist acht.
Tevens heeft de curator incidenteel gevorderd dat het hof [appellanten] zal bevelen zekerheid te stellen voor een bedrag van € 500.000,- , dan wel een bedrag dat het hof juist acht, en zal bepalen dat, indien [appellanten] die zekerheid niet binnen veertien na dit arrest stellen, het de curator wordt toegestaan om bewarende maatregelen te nemen, uitvoerbaar bij voorraad.
[appellanten] hebben geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering van de curator, met veroordeling van de curator in de kosten van dit incident, te vermeerderen met nakosten en rente, uitvoerbaar bij voorraad.
Ten slotte is arrest in de incidenten gevraagd.

2.Beoordeling

in de incidenten
2.1.
De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis, kort samengevat en voor zover thans van belang:
- voor recht verklaard ten aanzien van [appellant 1] dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van [geïntimeerden] en dat paulianeus is gehandeld, en haar veroordeeld tot vergoeding van de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat,
- voor recht verklaard ten aanzien van [appellant 1] Holding en Kooij dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van [geïntimeerden] voor zover deze niet door vereffening kunnen worden voldaan en hen hoofdelijk veroordeeld tot betaling van deze schulden, nader op te maken bij staat en
- [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 500.000,- met rente.
Het vonnis is, gemotiveerd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard wat betreft de veroordelingen.
2.2.
Bij het tussenarrest heeft het hof, voor zover thans van belang:
- de curator gelast het beslag op de onroerende zaak met kadastrale aanduiding [plaats 3] O 10837 op de locatie [straat] [nummer + letter] 1 te [plaats 3] ter grootte van 6.549 m2 binnen twee dagen na de datum van het arrest door te (laten) halen (in het kadaster), op straffe van een na betekening van dit arrest opeisbare dwangsom ter hoogte van € 5.000,- per dag met een maximumbedrag ter hoogte van € 100.000,-,
- de curator verboden verdere executiemaatregelen te treffen jegens [appellanten] tot het moment dat er door dit hof een eindarrest ten gronde is gewezen en
- het door [appellanten] meer of anders gevorderde, waaronder hun vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, afgewezen.
incidentele vordering van [appellanten]
2.3.
[appellanten] vorderen zekerheidstelling ter afdekking van het restitutierisico dat zij stellen te lopen in het geval dat het bestreden vonnis in hoger beroep geen stand houdt en de curator het door hen reeds betaalde voorschot op de schadevergoeding, van in totaal (met rente) € 560.681,25 moet terugbetalen.
2.4.
Daartegen heeft de curator (onder meer) aangevoerd dat zekerheidstelling zinloos is, omdat [appellanten] voor het bedrag waarvoor zekerheid wordt gevraagd al aan het bestreden vonnis hebben voldaan.
2.5.
De in de artikelen 233 Rv en 235 Rv geregelde zekerheidstelling moet worden beschouwd als een voorwaarde, verbonden aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Als een dergelijke voorwaarde aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is verbonden, geldt dat eerst zekerheid moet worden gesteld voordat een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling kan worden ten uitvoer gelegd. Met dit systeem verdraagt zich niet dat aan een reeds ten uitvoer gelegd vonnis, of een vonnis waaraan reeds vrijwillig is voldaan, alsnog – op grond van artikel 235 Rv Pro – de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Een werkelijke voorwaarde waaraan moet worden voldaan voordat het vonnis – op grond van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad – kan worden ten uitvoer gelegd, is dan immers niet meer aan de orde. Zoals in het tussenarrest al is vastgesteld, is het bestreden vonnis op het punt van de veroordeling tot het betalen van een voorschot (met rente) als gevolg van de betalingen door [appellanten] geheel ten uitvoer gelegd. Voor toewijzing van de door [appellanten] gevorderde zekerheidstelling is dus geen plaats.
2.6.
Nu de incidentele vordering van [appellanten] reeds op grond van het voorgaande zal worden afgewezen, wordt aan wat partijen verder in dit incident hebben aangevoerd niet toegekomen.
incidentele vordering van de curator
2.7.
Het hof vat de incidentele vordering van de curator zo op dat hij zekerheidstelling vordert en, voor het geval die niet binnen veertien dagen wordt voldaan, op voorhand toestemming vraagt voor het nemen van bewarende maatregelen. De curator wenst zekerheid voor de betaling door [appellanten] van de nog nader bij staat op te maken schadevergoeding, kort gezegd: het boedeltekort, welk tekort hij met inachtneming van het al betaalde voorschot thans afgerond begroot op in totaal € 500.000,- (€ 406.517,47 vermeerderd met 25% rente en kosten). Volgens de curator loopt hij namelijk een aanzienlijk verhaalsrisico doordat de beslagen zijn opgeheven, het boedeltekort oploopt en [appellanten] geen verhaal bieden, terwijl hij ingevolge het tussenarrest geen executiemaatregelen meer mag treffen.
2.8.
De curator heeft niet duidelijk gemaakt waarop hij zijn incidentele vordering tot zekerheidsstelling grondt. [appellanten] hebben terecht aangevoerd dat die vordering niet kan worden gegrond op artikel 235 Rv Pro. Hier is immers niet de curator maar [appellanten] de veroordeelde partij die aan het (deels) uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis moet voldoen. De wet biedt ook overigens geen grondslag voor het door de curator primair gevorderde, zodat die vordering niet toewijsbaar is.
2.9.
De vordering van de curator tot het verkrijgen van toestemming voor het nemen van bewarende maatregelen, zoals het leggen van beslag, is verbonden aan de niet toewijsbare vordering tot het stellen van zekerheid. Daarmee is het lot van deze vordering gegeven. Voor zover deze vordering aldus moet worden begrepen dat de curator het hof verzoekt om terug te komen van het bij het tussenarrest gegeven verbod om verdere executiemaatregelen te treffen jegens [appellanten] totdat eindarrest is gewezen, geldt dat het hof in hetgeen de curator daartoe heeft gesteld geen aanleiding daartoe ziet. Dat sprake zou zijn van een aanzienlijk verhaalsrisico, is, mede in het licht van de betwisting daarvan door [appellanten] , onvoldoende aannemelijk geworden. Voor zover ten slotte dit verzoek moet worden gezien als een verzoek tot verlof voor het leggen van conservatoir beslag is het niet alleen onvoldoende concreet om toewijsbaar te kunnen zijn, maar volgt uit de wet dat de voorzieningenrechter en niet dit hof de bevoegde rechter is. Deze vordering van de curator is dus ook niet toewijsbaar.
2.10.
Dit betekent dat de vorderingen van de curator zullen worden afgewezen. Wat partijen daarover verder hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.
kosten
2.11.
Een oordeel over de kosten van de incidenten zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
in de hoofdzaak
2.12.
In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor memorie van grieven door [appellanten]

3.Beslissing

Het hof:
in de incidenten:
wijst de vordering van [appellanten] af;
wijst de vorderingen van de curator af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 1 september 2026 voor memorie van grieven door [appellanten] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.