ECLI:NL:GHAMS:2026:2120

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
23-001989-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor hennepteelt in garagebox te Beverwijk

In hoger beroep is de verdachte terechtzitting verschenen tegen het vonnis van de politierechter Noord-Holland van 20 maart 2024, waarin hij werd veroordeeld voor het telen van hennep in een garagebox te Beverwijk.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte als huurder de beschikking had over de garagebox waar een professionele hennepkwekerij met 105 planten werd aangetroffen. Ondanks de stelling van de verdediging dat de box was onderverhuurd, acht het hof dit niet aannemelijk gelet op wisselende verklaringen en het dossiermateriaal, waaronder WhatsApp-berichten en huurcontract.

Het hof verklaart het ten laste gelegde bewezen en strafbaar, kwalificeert het handelen als opzettelijk in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. Gelet op de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, legt het hof een taakstraf van 80 uur op, hoger dan de eerdere straf van 60 uur taakstraf door de politierechter.

Het vonnis van de politierechter wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht met de genoemde strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur voor het telen van 105 hennepplanten in een garagebox te Beverwijk.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001989-24
datum uitspraak: 30 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-325908-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
postadres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
16 juli 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 oktober 2021 te Beverwijk opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 105, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard omdat de verdachte geen aanknopingspunten geeft die zijn verklaring ondersteunen dat hij de garagebox heeft onderverhuurd.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niets wist van de hennepkwekerij, aangezien hij de box had onderverhuurd. Uit het dossier valt enkel één omstandigheid af te leiden: de verdachte was de hoofdhuurder van de box. Dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring.

Bewijsoverweging

Het hof overweegt als volgt.
Op dinsdag 12 oktober 2021 wordt door verbalisanten (naar aanleiding van vooronderzoek) binnengetreden in garagebox nummer [nummer] , op het adres [adres 2] . In de achterste ruimte van de box wordt een hennepkwekerij aangetroffen. De verbalisanten concluderen dat er sprake was van een professionele hennepkwekerij. Het dossier bevat een huurcontract waaruit blijkt dat de verdachte de desbetreffende garagebox huurde. Daarnaast zitten er verschillende WhatsApp-berichten tussen de verhuurder en de verdachte (als huurder) in het dossier waarin de verdachte onder andere de elektriciteitsstand doorgeeft aan de verhuurder.
De verdachte, die huurder was van de garagebox, had de beschikking over deze box. De verdachte heeft geen gegevens willen verstrekken over degene aan wie hij de box heeft onderverhuurd en heeft zijn verklaring op geen enkele wijze geconcretiseerd. Daartegenover staat dat uit het dossier blijkt dat het de verdachte was die contact heeft gehad met de verhuurder over de betaling van de huur en de standen van de elektriciteitsmeter (terwijl de stroom voor de kwekerij niet illegaal werd afgenomen). Zijn zus maakte voor de verdachte de huur aan de verhuurder over. Verder stelt het hof vast dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd omdat hij in eerste instantie bij de politie heeft verklaard dat niet hij maar zijn zus de box onderverhuurde. In het licht van die feiten en omstandigheden acht het hof het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk. Naar het oordeel van het hof kan het daarmee niet anders dan dat de verdachte, die als huurder de beschikkingsmacht had over de box, de hennepplanten heeft gekweekt. Het hof komt hiermee tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 12 oktober 2021 te Beverwijk opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres 2] een hoeveelheid van in totaal 105 hennepplanten.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Om die reden dient er een lagere straf te worden opgelegd dan de politierechter in eerste aanleg heeft gedaan.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft in een garagebox een hennepkwekerij in werking gehad met daarin 105 hennepstekken. Hij is voorbijgegaan aan de risico’s van bijvoorbeeld brand en van overlast voor de overige huurders van het complex. De verdachte heeft kennelijk alleen gehandeld om financieel voordeel te behalen. Daarbij komt dat het telen van hennep en de handel daarin vaak gepaard gaat met andere vormen van strafbaar gedrag. Het hof acht dit een ernstig feit en is gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd van oordeel dat een straf zoals opgelegd door de politierechter te laag is.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 juli 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld. Het hof ziet in de omstandigheid dat artikel 63 van Pro toepassing is en in hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding tot enige matiging van de straf.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 80 uren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van
mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
30 juli 2026.
=========================================================================
[…]