ECLI:NL:GHAMS:2026:2121

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
23-001991-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel door hennepteelt

Betrokkene werd door de politierechter veroordeeld voor het telen van hennepplanten op 12 oktober 2021 en verplicht tot betaling van €23.070,26 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene ging in hoger beroep tegen deze vonnissen.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en oordeelde dat betrokkene ook in de periode voorafgaand aan 12 oktober 2021 hennep heeft geteeld, wat duidt op meerdere oogsten. Het hof baseerde zich op het ontnemingsrapport waarin aanwijzingen van een eerdere oogst werden gevonden, zoals steelresten en resten van groeimiddelen.

De ontnemingsrapportage werd als uitgangspunt genomen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar het hof bracht de huurkosten van de gehuurde garagebox in mindering. De totale bruto opbrengst werd vastgesteld op €25.794,03, de kosten inclusief huur op €3.491,27, waardoor het netto wederrechtelijk verkregen voordeel €22.302,76 bedraagt.

De verdediging voerde aan dat betrokkene draagkrachtgebrek had, maar het hof verwierp dit verweer omdat niet aannemelijk was dat betrokkene niet in staat zou zijn het bedrag te voldoen. Het hof legde daarom de verplichting tot betaling van €22.302,76 aan de Staat op en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 223 dagen.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 juli 2026.

Uitkomst: Betrokkene is veroordeeld voor hennepteelt en verplicht tot betaling van €22.302,76 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001991-24
datum uitspraak: 30 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer
15-325908-22 tegen de betrokkene:
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
postadres: [adres 1] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 23.070,26.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2024 veroordeeld voor - kort gezegd – het telen van hennepplanten op 12 oktober 2021.
Verder heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 20 maart 2024 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 23.070,26 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

Veroordeling

De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 juli 2026 veroordeeld voor - kort gezegd - het telen van hennepplanten op 12 oktober 2021.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
16 juli 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 20.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit betreffen de opbrengsten van één eerdere oogst met aftrek van de in het ontnemingsrapport genoemde kosten met daar bovenop aftrek van de huurkosten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de ontnemingsrapportage niet kan worden afgeleid dat er sprake was van één eerdere oogst. Er zijn voldoende aanwijzingen dat het gaat om een recent ingerichte kwekerij. Om die reden verzoekt de raadsvrouw de ontnemingsvordering af te wijzen. Indien de ontnemingsvordering wordt toegewezen, dienen de huurkosten in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt.
Grondslag van de vordering
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e, tweede lid Sr). De betrokkene is bij arrest van dit hof veroordeeld voor hennepteelt op 12 oktober 2021. Het hof is van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan, namelijk dat hij zich in de periode voorafgaand aan 12 oktober 2021 schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennepplanten.
In het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht [1] ” van 27 september 2022 (hierna: de ontnemingsrapportage) zijn aanwijzingen van een eerdere oogst vermeld zoals steelresten, afgeknipte henneptoppen, aanslagresten van groei- en bloeimiddelen en schaartjes met resten van hennep en hennephars. In het rapport is uitgegaan van één eerdere oogst. Op grond hiervan, bezien in combinatie met de inhoud van het strafdossier, komt het hof tot het oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit hennepteelt in de periode voorafgaand aan 12 oktober 2021 en gaat daarbij uit van één eerdere oogst.
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof neemt bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de ontnemingsrapportage als uitgangspunt, nu het geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de inhoud daarvan. Het hof zal echter – in tegenstelling tot de ontnemingsrapportage – de huurkosten die de betrokkene heeft gehad in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Opbrengst
Op 12 oktober 2021 is in de door de verdachte gehuurde garagebox aan het [adres 2] een hennepkwekerij aangetroffen. In de kweekruimte stonden (onder meer) 233 potten met afgeknipte stelen van hennepplanten. Per vierkante meter stonden er 17 potten met afgeknipte stelen. De opbrengst aan hennep per plant is volgens het rapport Functioneel Parket Afpakken dan minimaal 27,2 gram.
De totale bruto opbrengst aan hennep komt hiermee op 233 planten x 27,2 gram = 6,3376 kilogram.
Volgens het rapport is de verkoopprijs van hennep per kilogram € 4.070,00.
De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt daarmee 6,3376 kilogram x € 4.070,00 =
€ 25.794,03.
Kosten
De in mindering te brengen kosten per oogst zijn als volgt:
Afschrijvingskosten
€ 200,00
Hennepstekken
€ 887,73
Variabele kosten
€ 904,04
Elektriciteitskosten
€ 732,00
Totaal aan kosten
€ 2.723,77
Naast de hiervoor genoemde kosten neemt het hof tevens de huurkosten mee in de berekening. De ontnemingsrapportage gaat uit van een kweekperiode van 10 weken. De huurprijs is volgens het huurcontract € 307,00 per maand. De huurkosten voor een periode van 10 weken bedragen 2,5 keer
€ 307,00 = € 767,50.
De totale kosten komen hiermee op een bedrag van € 2.723,77 + € 767,50 =
€ 3.491,27.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van (€ 25.794,03 - € 3.491,27 =)
€ 22.302,76.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 25.085,69.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met de draagkracht van de betrokkene, nu hij veel schulden heeft en het niet te verwachten is dat hij binnen een afzienbare termijn een dergelijk bedrag kan voldoen.
Het oordeel van het hof
Het hof verwerpt het draagkrachtverweer. Op grond van hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd en ook overigens is niet aanstonds aannemelijk geworden dat de betrokkene naar redelijke verwachting in de toekomst, niet in staat is en zal zijn het vast te stellen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen. Er is derhalve geen aanleiding wegens ontoereikende draagkracht tot een lagere vaststelling van het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te besluiten.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 22.302,76.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
22.302,76 (tweeëntwintigduizend driehonderdtwee euro en zesenzeventig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 22.302,76 (tweeëntwintigduizend driehonderdtwee euro en zesenzeventig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 223 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van
mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
30 juli 2026.
=========================================================================
[…]

Voetnoten

1.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht van 27 september 2022, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] [doorgenummerde 82 tot en met 89]