ECLI:NL:GHAMS:2026:2123

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
23-000770-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen diefstallen en poging inbraak strandpaviljoens Noord-Holland

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Noord-Holland vernietigd en opnieuw recht gesproken in een zaak waarin de verdachte werd beschuldigd van meerdere diefstallen en een poging daartoe in strandpaviljoens in Noord-Holland.

De verdachte werd vrijgesproken van twee feiten in eerste aanleg, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep voor die vrijspraak. Voor de overige feiten werd hij schuldig bevonden op basis van herkenningen door meerdere verbalisanten, camerabeelden, telefoongesprekken en andere bewijsmiddelen. Het hof achtte de bewijzen wettig en overtuigend.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast legde het hof schadevergoedingsmaatregelen op ten behoeve van drie slachtoffers, met bedragen variërend van ongeveer €8.000 tot €16.000, vermeerderd met wettelijke rente. Ook werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf gelast.

De uitspraak benadrukt de ernst van de feiten, de recidive van de verdachte en de impact op hardwerkende ondernemers aan de kust.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf en schadevergoedingsmaatregelen voor meerdere diefstallen en poging inbraak.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000770-23 (strafzaak)
Datum uitspraak: 30 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 maart 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 15-214735-22 en 09-132611-19 (TUL) tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de advocaat van het slachtoffer [bedrijf 1] naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 en 4 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van de feiten 2 en 4.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging – en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
feit 1hij op of omstreeks 4 augustus 2022 te Bergen aan Zee, gemeente Bergen (NH), in elk geval in Nederland in/uit een strandpaviljoen, te weten [bedrijf 1] , geld (een bedrag van ongeveer € 21.550) en/of een kassalade, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag en/of die kassalade onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming;
feit 3hij op of omstreeks 13 augustus 2022 te Castricum, in elk geval in Nederland in/uit een strandpaviljoen, te weten [bedrijf 2] , een kluis met daarin een geldbedrag (totaal ongeveer € 20.000), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
feit 5hij op of omstreeks 20 augustus 2022 te Bergen aan Zee, gemeente Bergen, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een strandpaviljoen, te weten [bedrijf 3] weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, geheel of ten dele toebehorend aan [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij toegang tot dat strandpaviljoen te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een raam van dat strandpaviljoen heeft opengebroken en/of door dat opengebroken raam het strandpaviljoen in is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 6hij op of omstreeks 22 augustus 2022 te Castricum, in elk geval in Nederland in/uit een strandpaviljoen, te weten strandpaviljoen [bedrijf 4] een kluis met daarin een geldbedrag (in totaal ongeveer € 5.000), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan strandpaviljoen [bedrijf 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 3, 5 en 6 tenlastegelegde – conform de rechtbank – wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1, 3, 5 en 6 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De herkenningen van de verdachte door vijf verbalisanten kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat de verbalisanten de verdachte voorafgaand aan de herkenning kenden, dat de herkenningen steun vinden in onafhankelijk bevestigend bewijs, of dat de wijze waarop de herkenningen tot stand zijn gekomen achteraf voldoende kan worden gereconstrueerd en gecontroleerd. Daarnaast mag het proces-verbaal van bevindingen omtrent de opgenomen gesprekken die de verdachte in de penitentiaire inrichting heeft gevoerd niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat de betreffende gesprekken niet meer beschikbaar zijn.
Oordeel van het hof
Redengevende feiten en omstandigheden
Het hof komt tot een bewezenverklaring van de onder 1, 3, 5 en 6 tenlastegelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen zoals weergegeven in de bij dit arrest gevoegde bijlage.
Bewijsoverweging
Het hof overweegt dat de bewijsmiddelen voor elk van de bewezenverklaarde feiten toereikend zijn om de bewezenverklaring te dragen. Op enkele onderdelen is met betrekking tot de bruikbaarheid van die bewijsmiddelen verweer gevoerd. Het hof overweegt daarover als volgt.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen door verbalisanten die stellen dat zij een persoon kennen uit eerdere contacten, spelen diverse factoren een rol. Zo zijn de intensiteit en de frequentie van de eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte te zien is, van belang. Indien de verbalisanten de persoon niet uit eerdere contacten kennen, komt het accent te liggen op de kwaliteit van de beelden en de wijze waarop de persoon daarop is afgebeeld. Als het gaat om de behoedzaamheid waarmee herkenningen voor het bewijs worden gebezigd, speelt de aanwezigheid van steunbewijs een rol. Uit de rechtspraak volgt echter niet – zoals de raadsman heeft beweerd – dat een herkenning enkel op basis van beelden niet is toegestaan.
Uit het dossier blijkt het volgende:
- Verbalisant [verbalisant 1] heeft in haar proces-verbaal van 8 september 2022 [1] beschreven dat zij de verdachte op de camerabeelden van 4 augustus 2022 ambtshalve herkende, omdat zij de afgelopen tijd betrokken is geweest bij het onderzoek van meerdere inbraken in strandpaviljoens waarin de verdachte op meerdere camerabeelden is te zien. [verbalisant 1] herkent de verdachte aan zijn loopje, kleding, vorm van zijn gezicht en ringbaardje om zijn mond;
- Verbalisant [verbalisant 2] heeft in zijn proces-verbaal van 24 augustus 2022 [2] beschreven dat hij de camerabeelden van 13 augustus 2022 – die in kleur werden afgespeeld en scherp waren – heeft bekeken. Op een ingezoomde screenshot herkende hij direct de verdachte, aangezien hij van de verdachte een verhoor heeft afgenomen. Hij herkende de verdachte aan zijn gezichtsbeharing, gezette postuur, frons in zijn wenkbrauw, manier van kijken en de stand van zijn ogen;
- Uit het proces-verbaal van 12 oktober 2022 [3] blijkt dat verbalisant [verbalisant 3] de verdachte op foto’s van 13 augustus 2022 heeft herkend, omdat hij in soortgelijke zaken onderzoek heeft gedaan naar de verdachte. Hij herkende de verdachte aan zijn postuur, kleding en gelaat. De volgende specifieke kenmerken droegen aan de herkenning bij: de bruine ogen, het grote postuur, de baard en de snor. In het proces-verbaal wordt verwezen naar een politiefoto van 26 september 2018;
- Uit de processen-verbaal van 23 augustus 2022 [4] , 26 augustus 2022 [5] en 11 februari 2024 [6] blijkt dat verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] de verdachte op foto’s van 20 augustus 2022 hebben herkend, omdat zij hem op 23 augustus 2023 gedurende dertig minuten hebben gezien. De verbalisanten herkenden de verdachte aan zijn postuur, nek, ogen, houding, neus, baardgroei en kleding. De volgende specifieke kenmerken droegen aan de herkenning bij: de vooruit gebogen nek, omhoog staande neus en neusvleugels, smalle en lange neus, kleine ogen, en gaten in de baardgroei.
Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten. Dat zij bij de raadsheer-commissaris hebben verklaard geen concrete herinnering meer te hebben aan de details van de herkenning van ruim twee jaar eerder maakt dit niet anders. Immers, het enkele tijdsverloop tussen de herkenning en het verhoor bij de raadsheer-commissaris brengt niet mee dat de eerdere herkenning onbetrouwbaar is. Daarbij is van belang dat de verbalisanten hun herkenning destijds hebben vastgelegd in een proces-verbaal en dat niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de wijze waarop deze herkenningen tot stand zijn gekomen.
Het hof heeft de beschikbare bewegende camerabeelden op voorhand bekeken en één van deze camerabeelden is ook tijdens de behandeling in hoger beroep getoond. Het hof heeft geconstateerd dat de camerabeelden en de foto’s van deze camerabeelden (stills) die aan de betreffende verbalisanten zijn getoond, van voldoende kwaliteit zijn om er een herkenning op te kunnen baseren. Op de camerabeelden komt het gezicht van de verdachte vanuit diverse hoeken duidelijk in beeld. De verbalisanten geven een opsomming van specifieke kenmerken, waarbij verbalisant [verbalisant 2] de verdachte eerder heeft ontmoet en verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] bij de staandehouding gedurende dertig minuten contact met de verdachte hebben gehad. Daar komt bij dat het hof heeft geconstateerd dat er een grote gelijkenis is tussen de foto’s van de verdachte in het dossier (pagina’s 16 en 93 rechts) en de man op de camerabeelden. Het hof acht de herkenningen door de verbalisanten betrouwbaar en gebruikt deze voor het bewijs en verwerpt het verweer van de raadsman.
Ook heeft het hof geen reden te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] over de gevoerde telefoongesprekken in de penitentiaire inrichting. De omstandigheid dat de betreffende gesprekken niet meer beschikbaar zijn maakt niet dat de op ambtseed beschreven bevindingen onbetrouwbaar zijn. Het hof verwerpt ook dit verweer van de raadsman.
Ten aanzien van feit 3 overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in een telefoongesprek vanuit de penitentiaire inrichting met een persoon die hij [persoon 1] noemt spreekt over een Audi. Van deze persoon, die de politie kent als [persoon 2] , had de verdachte de Volkswagen ID 4 met het Duitse kenteken [kenteken 1] gehuurd. Daarin is de verdachte aangehouden en deze auto is ook te zien op de camerabeelden bij feit 6. Het hof is van oordeel dat het bezien in het licht van deze bewijsmiddelen niet anders kan zijn dan dat dit gesprek moet gaan over de Audi met het Duitse kenteken [kenteken 2] (die eveneens wordt verhuurd door [persoon 2] ) die op 13 augustus 2022 op de parkeerplaats bij [bedrijf 2] met daarin de verdachte als bestuurder wordt gezien.
Ten aanzien van feit 6 overweegt het hof dat de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg dat hij pas in de middag van 22 augustus 2022 over de witte Volkswagen ID 4 met het Duitse kenteken [kenteken 1] beschikte, niet geloofwaardig is. Het door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde huurcontract biedt geen duidelijkheid. Daarbij is van belang dat dit document niet de uiterlijke kenmerken van een huurcontract heeft en dat, gelet op de telefoongesprekken tussen de verdachte en de verhuurder [persoon 2] en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, aannemelijk is dat het contract pas op een later moment bij [persoon 2] is opgevraagd.
Overige algemene bewijsmiddelen
Het hof gebruikt de bevindingen ten aanzien van de telefoon van de verdachte voor het bewijs van de feiten 1, 3 en 5. De verdachte was in het bezit van een telefoon. Uit de historische verkeersgegevens van deze telefoon blijkt het volgende. In de nacht dan wel de vroege ochtend straalt de telefoon van de verdachte telkens zendmasten aan in de (onmiddellijke) omgeving van de plaats delict, te weten op 4 augustus 2022 in de nacht in Bergen aan Zee, op 13 augustus 2022 in de nacht/vroege ochtend in Castricum en op 20 augustus 2022 in de vroege ochtend in Bergen aan Zee. De verdachte heeft daarover bij de politie geen vragen willen beantwoorden. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte voor het eerst verklaard dat hij de onderzochte telefoon op een niet nader gespecificeerd moment voor zijn aanhouding van één van zijn vriendinnen had gekregen en dat deze dus eerst van haar was. Het zou gaan om ene [persoon 3] uit Bergen of Bergen aan Zee, die op een niet nader gespecificeerd adres in de buurt van de kapper op de hoek woonde. Deze verklaring acht het hof, gelet op de onbepaaldheid daarvan en het late moment waarop zij is afgelegd alsmede op de omstandigheid dat de telefoon veel verbinding maakt met een mast nabij de woning waar de verdachte met zijn gezin woont, niet geloofwaardig. Zij biedt daarom onvoldoende grond voor de conclusie dat de verdachte de telefoon op de momenten waarop deze zendmasten in de nabijheid van de plaatsen delict aanstraalde, niet in zijn bezit had.
Ook dragen de volgende feiten en omstandigheden aan het bewijs bij. De verdachte huurde sinds 17 september 2021 een kluis bij De Nederlandse Kluis in Maasdijk, maar hij is daar vóór 15 juli 2022 nooit geweest. In de periode van de bewezenverklaarde feiten is de verdachte onder meer op 5, 15 en 22 augustus 2022 bij de kluis geweest. Dat zijn de eerstvolgende openingsdagen van
De Nederlandse Kluis ná de gepleegde feiten 1, 3 en 6. Daarnaast heeft hij op 5 augustus 2022 de verzekeringswaarde van zijn kluis verhoogd van € 45.000,00 naar € 90.000,00. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij hiervoor geen geloofwaardige verklaring gegeven.
Schakelredenering
Het hof stelt op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen met betrekking tot de feiten 1, 3, 5 en 6 vast dat deze bewijsmiddelen op relevante punten overeenkomsten vertonen, in het bijzonder ten aanzien van de periode, de locatie en de wijze van handelen. Er is in een periode van nog geen drie weken viermaal sprake van een (poging tot) inbraak in strandpaviljoens in Castricum, Egmond aan Zee en Bergen aan Zee, welke locaties hemelsbreed op nog geen vijftien kilometer van elkaar liggen. In alle gevallen werd in de nacht een raam of deur opengebroken en werden de aanwezige kluizen opengebroken, dan wel meegenomen. Dit is slechts anders bij feit 5, waar het enkel bij een poging bleef. Dit patroon, waarbij op significante onderdelen blijkt van een vergelijkbare werkwijze, draagt bij aan de bewijskracht van de gebezigde bewijsmiddelen. In zoverre worden de bewijsmiddelen niet alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop zij rechtstreeks betrekking hebben, maar ook in de bewijslevering voor de overige feiten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1hij op 4 augustus 2022 te Bergen aan Zee, gemeente Bergen (NH), uit een strandpaviljoen, te weten [bedrijf 1] , geld dat aan [bedrijf 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;
feit 3hij op 13 augustus 2022 te Castricum uit een strandpaviljoen, te weten [bedrijf 2] , een kluis met daarin een geldbedrag die aan [bedrijf 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
feit 5hij op 20 augustus 2022 te Bergen aan Zee, gemeente Bergen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een strandpaviljoen, te weten [bedrijf 3] , weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, toebehorend aan [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij toegang tot dat strandpaviljoen te verschaffen door middel van braak en inklimming, een raam van dat strandpaviljoen heeft opengebroken en door dat opengebroken raam het strandpaviljoen in is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 6hij op 22 augustus 2022 te Castricum uit een strandpaviljoen, te weten strandpaviljoen [bedrijf 4] , een kluis met daarin een geldbedrag die aan strandpaviljoen [bedrijf 4] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Hetgeen onder 1, 3, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3, 5 en 6 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.
Het onder 3 en 6 bewezenverklaarde levert op:
telkens: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 3, 5 en 6 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregelen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 3, 5 en 6 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 3, 5 en 6 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden. De advocaat-generaal ziet geen reden om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, omdat moet worden gekeken naar de totale periode voor twee instanties vanaf de aanvang van de schending.
De raadsman heeft het hof verzocht de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin te verdisconteren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks van diefstallen in strandpaviljoens en een poging daartoe. In een periode van enkele weken in de zomer van 2022 heeft hij een strooptocht gehouden langs de Noord-Hollandse kust en heeft hij bij verschillende strandpaviljoens ingebroken. Hardwerkende ondernemers die het voor hun omzet juist moeten hebben van de zomermaanden, hebben door het handelen van de verdachte aanzienlijke schade geleden.
Uit het strafblad van de verdachte van 3 juli 2026 blijkt dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten meermalen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de ISD-maatregel is veroordeeld. Al deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden te recidiveren.
Het voorgaande rechtvaardigt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf van 20 maanden passend. Het hof neemt echter in aanmerking dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden. Op 8 maart 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Omdat het hof op 30 juli 2026 arrest wijst, is de redelijke termijn in hoger beroep met bijna 17 maanden overschreden. Het hof ziet in deze overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om de gevangenisstraf te matigen tot 18 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro, aan de orde is.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1]
Het slachtoffer [bedrijf 1] had zich in eerste aanleg in het strafproces willen voegen met een vordering tot schadevergoeding. Volgens de advocaat van het slachtoffer is het slachtoffer in eerste aanleg niet (tijdig) door het openbaar ministerie geïnformeerd over die mogelijkheid. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van het slachtoffer verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor het bedrag dat het slachtoffer in zijn aangifte heeft genoemd en in de ontnemingsprocedure is beschreven.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor een bedrag van € 20.426,00.
De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel niet voor rechtspersonen is bedoeld.
Het hof overweegt als volgt. Ingevolgde artikel 421, eerste lid, Sv is de benadeelde partij die zich niet in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, daartoe in hoger beroep onbevoegd. De strafrechter kan echter, ook als een benadeelde partij geen vordering heeft ingediend, een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f, eerste lid, Sv opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
Uit het ontnemingsrapport, dat deel uitmaakt van het strafdossier, blijkt dat voor de onderbouwing en eventuele herberekening van het weggenomen geld door de aangever informatie is verstrekt om tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel te komen. Uit het logboek dat door de aangever (het slachtoffer) is verstrekt, blijkt dat bij de inbraak na herberekening een bedrag van € 20.426,27 uit de kluis is weggenomen, bestaande uit:
  • € 6.089,27 aan dagomzetten van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 6.000,00 aan fooi van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 250,00 aan startgeld ten behoeve van de kassa van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 200,00 ten behoeve van de portemonnees van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 1.100,00 aan wisselgeld van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 5.500,00 ten behoeve van het personeelspotje van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 1.287,00 aan dagomzetten van kassapunt [bedrijf 1] .
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat het slachtoffer als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Vervolgens ligt de vraag voor of tot ambtshalve oplegging van een schadevergoedingsmaatregel moet worden overgegaan, nu het slachtoffer zich in eerste aanleg niet in het geding heeft gevoegd. Het hof is van oordeel dat dit in de onderhavige zaak passend is, omdat de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft meegedeeld dat het waarschijnlijk aan het openbaar ministerie ligt dat het slachtoffer zich niet heeft gevoegd.
Het hof is van oordeel dat de posten van € 6.000,00 (fooi van kassapunt [bedrijf 1] ) en € 5.500,00 (personeelspotje van kassapunt [bedrijf 1] ) (mede in het licht van de betwisting daarvan) onvoldoende zijn onderbouwd. Het hof is van oordeel dat wel voldoende is onderbouwd dat deze posten tenminste elk € 2.000,00 bedragen en zal die posten op die bedragen begroten. De overige bedragen zijn voldoende onderbouwd. Gelet op het voorgaande zal het hof een schadevergoedingsmaatregel opleggen voor een bedrag van € 12.926,27, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
Het Wetboek van Strafrecht maakt wat betreft de schadevergoedingsmaatregel geen uitzondering waar het rechtspersonen betreft en ook vanuit de jurisprudentie van de Hoge Raad is er geen beletsel deze maatregel op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2] B.V.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 33.499,00 wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 3 tenlastegelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit het weggenomen geldbedrag. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 33.499,00 kan worden toegewezen. Daarnaast heeft hij gevorderd dat een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, waarbij hij heeft aangevoerd dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel niet voor rechtspersonen is bedoeld. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering hooguit kan worden toegewezen tot het bedrag dat naar de kluis is overgeboekt.
Het hof overweegt als volgt. Uit het ontnemingsrapport blijkt dat voor de onderbouwing en eventuele herberekening van het weggenomen geld door de aangever informatie is verstrekt om tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel te komen. Uit het logboek dat door de aangever/benadeelde partij is verstrekt, blijkt dat bij de inbraak na herberekening een bedrag van € 33.499,00 uit de kluis is weggenomen, bestaande uit:
  • € 13.915,00 aan omzet vóór 1 augustus 2022;
  • € 687,00 aan fooien vóór 1 augustus 2022;
  • € 6.455,00 aan omzet uit de kassa in de kluis na 1 augustus 2022;
  • € 4.660,00 aan fooien in de kluis na 1 augustus 2022;
  • € 7.782,00 uit de verhuur in de kluis na 1 augustus 2022.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de bedragen van € 13.915,00 (omzet vóór 1 augustus 2022), € 687,00 (fooien vóór 1 augustus 2022) en € 4.660,00 (fooien na 1 augustus 2022) onvoldoende zijn onderbouwd, zodat die bedragen niet zullen worden meegenomen in de berekening. Het hof is van oordeel dat wel voldoende is onderbouwd dat de fooien na 1 augustus 2022 tenminste € 2.000,00 bedragen en zal die post op dat bedrag begroten. De overige bedragen zijn voldoende onderbouwd. Gelet op het voorgaande zal het hof de vordering toewijzen tot een bedrag van € 16.237,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 augustus 2022 tot aan de dag van algehele voldoening. Het hof wijst de vordering voor het overige af.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Uit de wet noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat ten behoeve van rechtspersonen geen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 4] B.V.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 16.029,39 wegens materiële schade die zij als volgt van het onder 6 tenlastegelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit het weggenomen geldbedrag en braakschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.208,39. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 10.208,39 kan worden toegewezen. Daarnaast heeft hij gevorderd dat een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, waarbij hij heeft aangevoerd dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel niet voor rechtspersonen is bedoeld. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering hooguit kan worden toegewezen tot het bedrag dat naar de kluis is overgeboekt.
Het hof overweegt als volgt. Uit het ontnemingsrapport blijkt dat voor de onderbouwing en eventuele herberekening van het weggenomen geld door de aangever informatie is verstrekt om tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel te komen. Uit het logboek dat door de aangever/benadeelde partij is verstrekt, blijkt dat bij de inbraak na herberekening een bedrag van € 10.458,39 uit de kluis is weggenomen, bestaande uit:
  • € 1.500,00 uit de verhuur;
  • € 2.500,00 aan wisselgeld en teruggave van de borg voor de ligbedden en windschermen;
  • € 2.296,89 aan omzet uit de kassa;
  • € 4.161,50 aan fooien.
Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag van € 5.568,00 gevorderd dat ziet op de kosten die gemaakt zijn om de braakschade en schade aan het alarmsysteem te herstellen en een nieuwe kluis aan te schaffen. Daarnaast is gebleken dat de verzekering een bedrag van € 5.818,00 heeft vergoed. Het restant aan schade bedraagt € 10.208,39.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat het bedrag van € 4.161,50 (fooien) onvoldoende is onderbouwd. Het hof is van oordeel dat wel voldoende is onderbouwd dat de fooien tenminste € 2.000,00 bedragen en zal die post op dat bedrag begroten. De overige bedragen zijn voldoende onderbouwd. Gelet op het voorgaande zal het hof de vordering toewijzen tot een bedrag van € 8.046,89, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 augustus 2022 tot aan de dag van algehele voldoening. Het hof wijst de vordering voor het overige af.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Het Wetboek van Strafrecht maakt wat betreft de schadevergoedingsmaatregel geen uitzondering waar het rechtspersonen betreft en ook vanuit de jurisprudentie van de Hoge Raad is er geen beletsel deze maatregel op te leggen..

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 4 september 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering toe te wijzen.
De raadsman heeft ten aanzien van de vordering geen verweer gevoerd.
Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 3, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1]
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 12.926,27 (twaalfduizend negenhonderdzesentwintig euro en zevenentwintig cent)als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 89 (negenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 augustus 2022.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2] B.V.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf 2] B.V. ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 16.237,00 (zestienduizend tweehonderdzevenendertig euro)ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf 2] B.V., ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 16.237,00 (zestienduizend tweehonderdzevenendertig euro)als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 106 (honderdzes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 augustus 2022.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 4] B.V.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf 4] B.V. ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 8.046,89 (achtduizend zesenveertig euro en negenentachtig cent)ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf 4] B.V., ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 8.046,89 (achtduizend zesenveertig euro en negenentachtig cent)als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 augustus 2022.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 4 september 2019, parketnummer 09-132611-19, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juli 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit arrest te ondertekenen.

Voetnoten

1.Doorgenummerde pagina’s 27-31.
2.Doorgenummerde pagina’s 47-52.
3.Doorgenummerde pagina’s 112-116.
4.Doorgenummerde pagina’s 89-95.
5.Doorgenummerde pagina 96.
6.Losse bijlage, proces-verbaalnummer: PL1100-2022171070-90.