ECLI:NL:GHAMS:2026:2124

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
23-000780-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 36f SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel na diefstal uit strandpaviljoens

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland vernietigd en het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €37.460,16. Betrokkene werd veroordeeld voor diefstal door braak van geldbedragen uit drie strandpaviljoens in augustus 2022.

De advocaat-generaal vorderde een bedrag van €64.133,39, terwijl de verdediging primair vrijspraak bepleitte en subsidiair de schatting van het voordeel betwistte vanwege onvoldoende onderbouwing. Het hof oordeelde dat de schatting, gebaseerd op administraties en herberekeningen van de aangevers, voldoende was, ondanks dat sommige bedragen (zoals fooien en personeelspotjes) lager werden begroot dan opgegeven.

De vorderingen van de benadeelde partijen werden niet in mindering gebracht omdat niet was gebleken dat deze waren voldaan. De redelijke termijn in hoger beroep was met bijna 17 maanden overschreden, maar dit leidde niet tot verdere gevolgen in de ontnemingszaak. Het hof legde de betalingsverplichting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan betrokkene op en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 374 dagen.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €37.460,16 en legt de betalingsverplichting aan betrokkene op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000780-23 (ontneming)
Datum uitspraak: 30 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 maart 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-214735-22 tegen de betrokkene:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat, wordt vastgesteld op € 71.806,00 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De rechtbank heeft bij vonnis van 2 maart 2023 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 64.383,27 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 64.133,39, waarbij wordt uitgegaan van de volgende bedragen die de betrokkene bij de inbraken heeft weggenomen: € 20.426,27 (feit 1), € 33.499,00 (feit 2) en € 10.208,39 (feit 6).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, gelet op de door hem bepleite vrijspraak voor alle tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman – indien de betrokkene in de strafzaak wordt veroordeeld – zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, omdat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is onderbouwd. De bedragen zijn niet vastgesteld aan de hand van een contemporaine, onafhankelijk verifieerbare registratie, maar aan de hand van een reconstructie die de aangevers ruim na de feiten hebben gemaakt ten behoeve van de eigen schadevordering. Volgens de raadsman vormt dit een te smalle basis voor een schatting die de rechter zelfstandig en deugdelijk gemotiveerd dient te maken. Verder heeft de raadsman verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen – indien die in de strafzaak (gedeeltelijk) worden toegewezen – in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Oordeel van het hof
Grondslag
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 30 juli 2026 (parketnummer 23-000770-23) onder meer veroordeeld voor diefstal door middel van braak/verbreking van geldbedragen op 4 augustus 2022 in Bergen aan Zee (feit 1 - [bedrijf 1] ), op 13 augustus 2022 in Castricum (feit 3 - [bedrijf 2] ) en op 22 augustus 2022 in Castricum (feit 6 – [bedrijf 3] ).
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en door dat feit of uit de baten daarvan voordeel heeft verkregen (artikel 36e, tweede lid, Sr). Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit de hiervoor genoemde strafbare feiten.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof de informatie die door de aangevers voor de onderbouwing en eventuele herberekening van het weggenomen geld is verstrekt en die is opgenomen in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict, als uitgangspunt genomen. Het hof stelt voorop dat de enkele stelling van de verdediging, dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) ontoereikend is onderbouwd, niet slaagt. Deze stelling is in het kader van de ontnemingsprocedure onvoldoende om aannemelijk te maken dat geen wederrechtelijk verkregen voordeel door de betrokkene is behaald. Het ligt op de weg van de verdediging om de bevindingen, zoals opgenomen in het rapport, gemotiveerd en onderbouwd te betwisten.
Het hof is van oordeel dat de hiervoor bedoelde informatie kan worden gebruikt ondanks de omstandigheid dat het achteraf door de aangevers gemaakte calculaties zouden zijn. Het zijn immers berekeningen die (deels) zijn gebaseerd op administratie/boekhoudsystemen en op bedragen waarvan de aanname is gerechtvaardigd dat die zich in de kluis/kassalades van een horecaonderneming bevonden (zoals fooien). Omdat die laatste bedragen niet administratief werden bijgehouden, heeft het hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel lagere bedragen tot uitgangspunt genomen dan opgegeven door de aangevers.
Het hof sluit aan bij de door het hof in de strafzaak aan de benadeelde partijen [bedrijf 2] en
[bedrijf 3] toegekende vorderingen voor materiële schade en de door het hof opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [bedrijf 1] .
Het hof overweegt als volgt.
Feit 1 – [bedrijf 1]
Uit de informatie die door de aangever is verstrekt, blijkt dat bij de inbraak na herberekening een bedrag van € 20.426,27 uit de kluis is weggenomen, bestaande uit:
  • € 6.089,27 aan dagomzetten van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 6.000,00 aan fooi van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 250,00 aan startgeld ten behoeve van de kassa van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 200,00 ten behoeve van de portemonnees van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 1.100,00 aan wisselgeld van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 5.500,00 ten behoeve van het personeelspotje van kassapunt [bedrijf 1] ;
  • € 1.287,00 aan dagomzetten van kassapunt [bedrijf 1] .
Het hof heeft in de strafzaak geoordeeld dat de bedragen van € 6.000,00 (fooi van kassapunt [bedrijf 1] ) en € 5.500,00 (personeelspotje van kassapunt [bedrijf 1] ) onvoldoende zijn onderbouwd en heeft deze bedragen begroot op € 2.000,00. Gelet op het voorgaande acht het hof aannemelijk dat bij deze inbraak in totaal een bedrag van € 12.926,27 is weggenomen.
Feit 3 – [bedrijf 2]
Uit de informatie die door de aangever is verstrekt, blijkt dat bij de inbraak na herberekening een bedrag van € 33.499,00 uit de kluis is weggenomen, bestaande uit:
  • € 13.915,00 aan omzet vóór 1 augustus 2022;
  • € 687,00 aan fooien vóór 1 augustus 2022;
  • € 6.455,00 aan omzet uit de kassa in de kluis na 1 augustus 2022;
  • € 4.660,00 aan fooien in de kluis na 1 augustus 2022;
  • € 7.782,00 uit de verhuur in de kluis na 1 augustus 2022.
Het hof heeft in de strafzaak geoordeeld dat de bedragen van € 13.915,00 (omzet vóór 1 augustus 2022), € 687,00 (fooien vóór 1 augustus 2022) en € 4.660,00 (fooien na 1 augustus 2022) onvoldoende zijn onderbouwd en heeft het bedrag van de fooien na 1 augustus 2022 begroot op € 2.000,00. Gelet op het voorgaande acht het hof aannemelijk dat bij deze inbraak in totaal een bedrag van € 16.237,00 is weggenomen.
Feit 6 – [bedrijf 3]
Uit de informatie die door de aangever is verstrekt, blijkt dat bij de inbraak na herberekening een bedrag van € 10.458,39 uit de kluis is weggenomen, bestaande uit:
  • € 1.500,00 uit de verhuur;
  • € 2.500,00 aan wisselgeld en teruggave van de borg voor de ligbedden en windschermen;
  • € 2.296,89 aan omzet uit de kassa;
  • € 4.161,50 aan fooien.
Het hof heeft in de strafzaak geoordeeld dat het bedrag van € 4.161,50 (fooien) onvoldoende is onderbouwd en heeft dit bedrag begroot op € 2.000,00. Gelet op het voorgaande acht het hof aannemelijk dat bij deze inbraak in totaal een bedrag van € 8.296,89 is weggenomen.
Vorderingen van de benadeelde partijen
Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f Sr voor zover die zijn voldaan, in mindering gebracht (artikel 36e, negende lid, Sr). Het hof ziet geen aanleiding om de in de strafzaak toegekende vorderingen van de benadeelde partijen in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu niet is gebleken of anderszins is onderbouwd dat die vorderingen door de betrokkene zijn voldaan.
Conclusie
Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt naar het oordeel van het hof:
€ 12.926,27 + € 16.237,00 + € 8.296,89 =
€ 37.460,16.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft – conform het vast te stellen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel – gevorderd dat aan de betrokkene een betalingsverplichting wordt opgelegd van € 64.133,39. De advocaat-generaal ziet geen reden om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, omdat moet worden gekeken naar de totale periode voor twee instanties vanaf de aanvang van de schending.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen redenen aangevoerd waarom de betalingsverplichting op een lager bedrag zou moeten worden gesteld dan de schatting van het wederrechtelijk voordeel.
Oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden. Op 9 maart 2023 is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Omdat het hof op 30 juli 2026 arrest wijst, is de redelijke termijn in hoger beroep met bijna 17 maanden overschreden. Met deze overschrijding is in de strafzaak reeds rekening gehouden, in de zin van een vermindering van de op te leggen straf. Het hof zal om die reden de overschrijding in de ontnemingszaak enkel constateren en daaraan geen verder gevolg verbinden.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van
€ 37.460,16.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 37.460,16 (zevenendertigduizend vierhonderdzestig euro en zestien cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 37.460,16 (zevenendertigduizend vierhonderdzestig euro en zestien cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 374 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juli 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit arrest te ondertekenen.

Voetnoten

1.Een proces-verbaal van bevindingen ‘kluisstortingen [bedrijf 1] ’ van 12 oktober 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (bijlage bij het ontnemingsrapport, doorgenummerde pagina’s 12-17).
2.Een proces-verbaal van bevindingen ‘kluisstortingen [bedrijf 2] ’ van 10 oktober 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (bijlage bij het ontnemingsrapport, doorgenummerde pagina’s 23-38).
3.Een proces-verbaal van bevindingen ‘kluisstortingen [bedrijf 3] ’ van 23 september 2019 (het hof begrijpt: 2022), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (bijlage bij het ontnemingsrapport, doorgenummerde pagina’s 45-53).