Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[verweerster 1] ,gevestigd te [plaats 3] (Ierland),
3 de rechtspersoon naar buitenlands [verweerster 3] ., gevestigd te [plaats 2] ( [plaats 2] ),
4 [belanghebbende] ,
1.Achtergrond en hoofdzaak
share sale and purchase agreement(hierna: de koopovereenkomst) gesloten. Op grond van de koopovereenkomst zijn op deze datum (hierna: de leveringsdatum) alle aandelen in [naam 1] door [belanghebbende] aan [verzoekster] verkocht en geleverd voor een koopsom van ruim EUR 75,4 miljoen.
insourcingplannen van de grootste klant van [naam 1] ( [naam 2] ), die volgens [verzoekster] ertoe hebben geleid dat [naam 2] in 2023 haar relatie met [naam 1] uiteindelijk heeft beëindigd. [verzoekster] stelt dat [naam 1] daardoor aanzienlijke omzet heeft gederfd en dat daarom de aandelen in [naam 1] minder waard waren dan de door [verzoekster] daarvoor betaalde koopsom. [verzoekster] stelt dat [belanghebbende] destijds met deze plannen van [naam 2] en de financiële gevolgen daarvan voor [naam 1] bekend was maar heeft verzuimd [verzoekster] hierover te informeren voordat de koopovereenkomst werd gesloten, hetgeen een inbreuk op de garantie oplevert.
2.Het procesverloop
3.Beoordeling
Kamerstukken II2019/2020, 35498, nr. 3, p. 43-44).
insourcing-plannen moeten volgens [verzoekster] worden begrepen als een beëindiging van de duurovereenkomst met [naam 2] , althans van een substantieel gedeelte daarvan.
insourcing-plannen van [naam 2] , dat deze plannen een ingrijpende verandering van de relatie met [naam 1] meebrachten en dat dit, in verband met de ernstige financiële gevolgen daarvan voor [naam 1] , als een majeure kwestie werd gezien bij [naam 1] , waarvan [belanghebbende] in het kader van haar informatieverplichting mededeling had moeten doen. Deze feiten zijn – naar het hof begrijpt – volgens [verzoekster] in eerste aanleg onvoldoende belicht gebleven en het voorlopig getuigenverhoor is bedoeld om duidelijkheid over deze feiten te verkrijgen.
insourcing-plannen van [naam 2] en wat daarover door [naam 2] aan [belanghebbende] en [naam 1] is medegedeeld in de periode vóór de overname en wat overigens hierover met [belanghebbende] is gedeeld en bij [belanghebbende] bekend was;
insourcing;
insourcingvoor [naam 1] in de periode vóór de overname (bestaande uit onder meer een daling van het aantal testen en omzet van [naam 2] bij [naam 1] , en negatieve vooruitzichten) zowel bij [naam 1] als [belanghebbende] ;
insourcingte verzwijgen voor [belanghebbende] voorafgaand aan de overname;
insourcingte verzwijgen voor de corporate adviseurs van [belanghebbende] , hetgeen relevant is, omdat die adviseurs deze informatie anders zeker hadden opgenomen in het zogenoemde Information Memorandum dat [belanghebbende] vóór het sluiten van de koopovereenkomst aan [verzoekster] had verstrekt.
a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Kamerstukken II2019/2020, 35498, nr. 3, p. 43-44). Een voorlopig getuigenverhoor is dus toegestaan vóórdat het inhoudelijke debat in hoger beroep tussen partijen wordt gevoerd. Het wettelijk uitgangspunt voor de beoordeling van het verzoek is verder het principe ‘toewijzen, tenzij’.
fishing expeditionzoveel mogelijk te voorkomen – nader te worden ingekaderd.
insourcing-plannen van [naam 2] en wat daarover door [naam 2] aan [belanghebbende] en [naam 1] is medegedeeld in de periode vóór de leveringsdatum en wat overigens hierover met [belanghebbende] in deze periode is gedeeld en bij [belanghebbende] bekend was;
insourcing, gedaan in de periode vóór de leveringsdatum; en
clean exitbewerkstelligen en daarom zou van [verzoekster] terughoudendheid mogen worden verwacht met het verzoeken van voorlopige bewijsverrichtingen die ook voor [belanghebbende] belastend zijn. Wat daar ook van zij, het hof ziet hierin geen gewichtige reden die aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. Het hof is verder ambtshalve niet gebleken van andere gewichtige redenen of bezwaren die aan toewijzing van het verzoek in de weg staan.