ECLI:NL:GHAMS:2026:239

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.361.324/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1.1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing pasgeboren baby met moeder in moeder-kindhuis

De moeder is in 2025 bevallen van haar kind en verblijft sindsdien met het kind in een moeder-kindhuis. De kinderrechter had een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, welke de moeder in hoger beroep aanvocht met het verzoek om alleen ondertoezichtstelling te handhaven en de uithuisplaatsing te beëindigen.

De moeder wenst met haar kind bij haar ouders te wonen met ondersteuning van familie, maar het hof constateert dat er onvoldoende duidelijkheid is over de veiligheid en opvoedvaardigheden van de moeder. De moeder heeft een licht verstandelijke beperking en een verleden met criminele activiteiten en jeugdreclassering. De strafrechtelijke bijzondere voorwaarde tot verblijf in een moeder-kindhuis is onduidelijk, maar het hof acht het niet in het belang van het kind om het risico te lopen dat de moeder een jeugddetentie moet uitzitten.

Het hof overweegt dat professionele begeleiding in het moeder-kindhuis noodzakelijk is om de opvoedvaardigheden van de moeder te ontwikkelen en de veiligheid van het kind te waarborgen. De start van het verblijf is positief, en het hof bekrachtigt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing. De grootouders kunnen een ondersteunende rol vervullen, maar de moeder en het kind staan centraal.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de pasgeboren baby met de moeder in het moeder-kindhuis vanwege het belang van het kind en de noodzaak van professionele begeleiding.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.324/01
zaaknummer rechtbank: C/13/776328 / JE RK 25-708
beschikking van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak van
in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verblijvende in het moeder-kindhuis [X] te [plaats B] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] );
- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te [plaats B] (hierna te noemen: de GI).
Het hof heeft als informanten aangemerkt:
- [de grootouders] (hierna: de grootouders);
- [naam 1] (hierna: de broer van moeder);
- [naam 2] (hierna: de zus van moeder).

1.De zaak in het kort

De kinderrechter heeft voor de toen nog ongeboren baby een machtiging verleend tot uithuisplaatsing met de moeder in een moeder-kindhuis.
De moeder is [in] 2025 bevallen van [minderjarige] en verblijft sindsdien samen met [minderjarige] in het moeder-kindhuis [X] in [plaats B] .
De moeder wil graag bij haar ouders thuis met de hulp van haar familie voor [minderjarige] zorgen, zo nodig met een ondertoezichtstelling.
De raad vindt het van belang dat de moeder samen met [minderjarige] in het moeder-kindhuis zal verblijven.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 11 november 2025 in hoger beroep gekomen (zaaknummer 200.361.324/01) van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) en heeft daarbij om schorsing van de werking van die beschikking gevraagd voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft (zaaknummer 200.361.324/02). Bij beschikking van 16 december 2025 heeft het hof dit schorsingsverzoek afgewezen.
2.2
De raad heeft verweer gevoerd.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 20 november 2025 met bijlage 6;
- een bericht van de moeder van 10 december 2025 met bijlagen 7 en 8.
2.4
De zitting heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden, gelijktijdig met de behandeling van het incident tot schorsing. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager en de jeugdreclasseerder;
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers;
- de grootouders, bijgestaan door G. Mebrahtu, tolk Eritrees.

3.De feiten

3.1
De moeder is [in] 2025 bevallen van [minderjarige] en verblijft sindsdien met [minderjarige] in het moeder-kindhuis [X] in [plaats B] . De mogelijke vader is in beeld en de moeder wil hem, wanneer blijkt dat hij inderdaad de vader is, ook betrekken bij de zorg voor de baby.
3.2
Aan de moeder is sinds 20 mei 2022 een maatregel van toezicht en begeleiding opgelegd, uitgevoerd door afdeling Jeugdreclassering van de GI. Deze maatregel is per 15 mei 2025 met twee jaar verlengd.
3.3
De strafrechter heeft de moeder op 15 mei 2025 een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen, met een proeftijd van twee jaren onder de bijzondere voorwaarden dat zij ambulante begeleiding en schuldhulpverlening moet aanvaarden en dat zij gedurende de proeftijd in een begeleid of beschermd wonen instelling (of een moeder-kindhuis) dient te verblijven.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de toen nog ongeboren baby onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend voor de nog ongeboren baby tot uithuisplaatsing tezamen met de moeder in een moeder-kindhuis met ingang van 7 november 2025 tot 7 november 2026.
4.2
De moeder verzoekt, na wijziging van haar verzoek ter zitting in hoger beroep, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen, in die zin dat uitsluitend de ondertoezichtstelling in stand blijft.
4.3
De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:265b, eerste lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De standpunten
5.2
De moeder wil graag met [minderjarige] bij haar ouders thuis wonen om daar met hulp van haar familie voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Zij wil liever in haar vertrouwde omgeving zijn, waar zij in alle rust een stabiele start kan hebben met [minderjarige] . Zij voelt zich bovendien niet prettig in het moeder-kindhuis, waar zij vooral veel leert van haar eigen moeder, die daar de eerste tien dagen bij haar en [minderjarige] mag verblijven.
Volgens de moeder past de strafrechtelijke bijzondere voorwaarde niet langer bij de actuele situatie. In overleg met haar eigen familie en de organisatie Eigen Plan is een concreet ondersteuningsplan opgesteld, waarin voldoende waarborgen zijn ingebouwd, waaronder het uitgangspunt dat de moeder niet alleen zal zijn met [minderjarige] . De eerdere strafrechtelijke maatregel had betrekking op een periode waarin er nog geen familieplan bestond en de verhouding tussen de moeder en haar familie gespannen was. Inmiddels is sprake van een hechte samenwerking en een stabiel netwerk, waardoor de noodzaak voor een uithuisplaatsing ontbreekt. De raad heeft bovendien ter zitting aangegeven dat er op dit moment geen zorgen zijn, zodat er sprake zou zijn van een preventieve uithuisplaatsing.
Er is sprake van aannames door de kinderrechter dat het er naar uitziet dat de familie onvoldoende zicht heeft op de problematiek van de moeder. De familie heeft juist actief meegedacht met de hulpverleners. Zij hebben niet de kans gekregen te bewijzen dat dit netwerk toereikend functioneert. Dat is in strijd met het subsidiariteitsbeginsel.
Het oordeel van de kinderrechter dat de thuissituatie onvoldoende waarborgen biedt, is onvoldoende gemotiveerd. De moeder staat volledig open voor aanvullende vrijwillige begeleiding, een ondertoezichtstelling en opvoedondersteuning. Onder deze omstandigheden is de uithuisplaatsing niet noodzakelijk en niet proportioneel, aldus de moeder.
5.3
De raad voert hiertegen gemotiveerd verweer en verzoekt om de uithuisplaatsing in stand te laten. De raad wijst op het recente verleden van de moeder en hoe zij toen invulling gaf aan het nemen van verantwoordelijkheid, het meewerken en conformeren aan regels. Ook binnen het familienetwerk waren er meer dan grote zorgen. Het gaat nu niet alleen meer om de moeder, maar om [minderjarige] . Zij heeft voorspelbaarheid en continuïteit nodig van haar moeder en niet van haar oma. Voor de raad is het belangrijk dat er binnen zes maanden zicht gaat komen op hoe de moeder invulling geeft aan het moederschap en dat kan in het moeder-kindhuis waar 24 uur per dag begeleiding is.
5.4
De GI heeft haar zorgen geuit en wijst erop dat er in het verleden veel is gebeurd. De jeugdreclasseerder heeft de moeder gedurende drie jaar begeleid en tot een maand na de bekendmaking van de zwangerschap was er zeer regelmatig en intensief contact. De GI acht het zorgelijk wanneer er geen professioneel toezicht zou zijn op de moeder en [minderjarige] , zoals bij de moeder in haar thuissituatie het geval zou zijn. In het verleden waren de grootouders onvoldoende op de hoogte van de zorgen en problemen van de moeder. Daardoor hebben zij haar onvoldoende kunnen bijsturen en begeleiden. Bovendien maakt de GI zich zorgen dat de familie de moeder de hand boven het hoofd zal houden en niet alle informatie zal verstrekken aan de GI. Om ervoor te zorgen dat de moeder niet weer terugvalt in haar oude gedrag en om goed zicht te kunnen houden op [minderjarige] , is het nodig dat de moeder nog een tijdlang met [minderjarige] in het moeder-kindhuis zal verblijven, aldus de GI.
De beoordeling
5.5
Het hof overweegt als volgt. De moeder is 21 jaar en zij is gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking. De moeder is zelf vanaf haar vijftiende onder toezicht gesteld en (ook gesloten) uit huis geplaatst geweest. Zij heeft in die periode traumatische gebeurtenissen meegemaakt. Zij heeft geen opleiding afgerond en heeft schulden. Zij heeft momenteel schuldhulpverlening en krijgt weekgeld. De moeder heeft in het verleden slechte keuzes gemaakt en zich beziggehouden met (ernstige) criminele activiteiten, waaronder diefstal met geweld en mensenhandel, waarvoor zij in mei 2025 is veroordeeld. De strafrechter heeft de moeder een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen, met een proeftijd van twee jaren onder de bijzondere voorwaarden dat zij ambulante begeleiding en schuldhulpverlening moet aanvaarden en dat zij gedurende de proeftijd in een begeleid of beschermd wonen instelling (of een moeder-kindhuis) dient te verblijven.
De moeder is [in] 2025 bevallen van [minderjarige] en verblijft sindsdien met [minderjarige] in het moeder-kindhuis [X] in [plaats B] .
5.6
Voor het hof is het onduidelijk wat de status is van de strafrechtelijke bijzondere voorwaarde ten aanzien van het verblijf van de moeder in een moeder-kindhuis. Mogelijk leidt het niet voldoen aan die voorwaarde tot terugmelding aan het openbaar ministerie en het tenuitvoerleggen van de eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 60 dagen. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat zij bereid is dat risico te nemen, omdat zij niet verwacht dat de jeugddetentie daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gelegd, gelet op de gewijzigde omstandigheden en omdat de moeder zich voor de rest aan alle voorwaarden houdt. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige] om het risico te nemen dat de moeder nog 60 dagen jeugddetentie zou moeten uitzitten.
5.7
Het hof wil aannemen dat de omstandigheden in zoverre zijn gewijzigd dat de zwangerschap en de geboorte van [minderjarige] een grote verandering voor de moeder teweeg hebben gebracht en de moeder de intentie heeft om te veranderen. In het verleden is het de moeder - ook met de inzet van verschillende vormen van hulpverlening - echter niet gelukt om structureel een veilige en stabiele situatie te creëren. Tot kort na de bekendmaking van de zwangerschap was de jeugdreclasseerder nog zeer intensief betrokken bij de moeder. Het is dus, anders dan dat de ouders van de moeder ter zitting in hoger beroep veronderstelden, niet zo dat het omslagpunt bij de moeder al vanaf haar achttiende jaar was en dat de problemen alleen zagen op de periode van puberteit van de moeder.
Daarbij komt dat de moeder wel een periode in therapie is geweest om de traumatische gebeurtenissen te kunnen verwerken, maar dat zij daarmee is gestopt, omdat zij nog niet klaar was voor therapie. De therapie is niet van de grond gekomen, omdat de moeder veel afspraken heeft afgezegd en zij bovendien niet wilde praten met de therapeut.
5.8
Op dit moment is niet duidelijk wat de opvoedvaardigheden van de moeder zijn en in hoeverre de moeder beschikbaar is en zal blijven voor [minderjarige] op de langere termijn. Over de veiligheid voor [minderjarige] bij de grootouders thuis bestaat, ondanks het door de familie opgestelde Eigen Plan, op dit moment onvoldoende duidelijkheid, mede gelet op de hiervoor genoemde gebeurtenissen in het verleden en de zorgen van de GI of de familie wel alle informatie zal verstrekken aan de GI.
5.9
In het moeder-kindhuis kan de moeder de nodige professionele ondersteuning krijgen en kan zij leren hoe zij voor [minderjarige] moet zorgen. Bovendien kan zij het contact met haar familie onderhouden en kan zij aan haar eigen ontwikkeling werken. Hoe zinvol de rol van grootmoeder ook is in het ondersteunen van de moeder met de verzorging van [minderjarige] in de eerste tien dagen na de geboorte, uiteindelijk staan de moeder en [minderjarige] centraal. Het is van belang dat er zicht komt op de opvoedvaardigheden van de moeder zelf en de hechting tussen de moeder en [minderjarige] . Daarnaast kunnen de grootouders een ondersteunende rol vervullen.
5.1
De moeder heeft aangevoerd dat zij liever niet in [plaats B] verblijft, omdat daar veel verkeerde contacten van vroeger wonen en zij bang is dat zij deze personen tegenkomt als zij met [minderjarige] gaat wandelen. Volgens de moeder is een verblijf bij haar ouders in [plaats A] veel beter, omdat zij daar geen verkeerde contacten tegenkomt. De GI heeft ter zitting echter aangegeven dat de moeder ook in [plaats A] vaak in de problemen is geraakt en dat daar ook verkeerde contacten van de moeder wonen. Bovendien kan de begeleiding in het moeder-kindhuis de moeder hierbij ondersteunen.
5.11
Het hof is, met de raad en de GI, van oordeel dat een uithuisplaatsing voor [minderjarige] noodzakelijk is en dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij samen met de moeder in een veilige opvoedomgeving kan verblijven, waar 24 uur per dag professionele begeleiding aanwezig is.
De raad heeft ter zitting betwist dat sprake zou zijn van een preventieve uithuisplaatsing, omdat juist door middel van een plaatsing van de moeder met [minderjarige] in een moeder-kindhuis er zicht kan komen op de mogelijkheden van de moeder om zelfstandig (of met hulp) voor [minderjarige] te zorgen. Gezien de problematiek, en met name de verstandelijke beperking van de moeder, zal langere tijd nodig zijn om duidelijk te krijgen of de moeder stabiel blijft en of zij in staat is haar gezag uit te oefenen en de zorg voor [minderjarige] te dragen.
Het hof constateert dat de start van de moeder in het moeder-kindhuis positief is verlopen, gelet op de berichten van de gezinscoach van [X] en de kraamverzorgende. De moeder staat open voor adviezen en zij gaat op een zorgzame en toegewijde manier om met [minderjarige] . Het hof hoopt dat de moeder deze voorzichtige stijgende lijn kan voortzetten en vasthouden.
Het hof zal de in de bestreden beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing daarom bekrachtigen.
5.12
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.F. Miedema en mr. E.S. Jansen, bijgestaan door mr. A. Blijleven als griffier en is op 3 februari 2026 uitgesproken in het openbaar door de oudste raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier.