ECLI:NL:GHAMS:2026:244

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.356.813/01, 200.356.813/02, 200.356.813/03 en 200.356.815/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 BWArt. 3:169 BWArt. 815 RvArt. 223 RvArt. 358 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorgregeling, alimentatie en gebruiksvergoeding na echtscheiding

De zaak betreft een hoger beroep over diverse geschilpunten na echtscheiding tussen de vader en moeder van drie kinderen. De vader verzoekt onder meer om een tijdelijke zorgregeling met het minderjarige kind [kind 2], een eerdere ingangsdatum en hogere bedragen voor de gebruiksvergoeding van de woning, en het niet betalen van partneralimentatie. De moeder verzet zich tegen deze verzoeken en stelt onder meer dat het contact met [kind 2] voorlopig niet wenselijk is vanwege traumatherapie.

De rechtbank had eerder de tijdelijke zorgregeling afgewezen en de definitieve zorgregeling aangehouden in afwachting van een raadsonderzoek. Tevens was een gebruiksvergoeding van €223 per maand vastgesteld vanaf 1 mei 2024 en was de partneralimentatie vastgesteld vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding. De vader is het hier niet mee eens en is in hoger beroep gekomen.

Het hof oordeelt dat de tijdelijke zorgregeling niet kan worden vastgesteld zolang het raadsonderzoek loopt en [kind 2] geen contact wenst vanwege traumatherapie. De ingangsdatum van de kinderalimentatie wordt vervroegd naar 1 maart 2024, conform vermoedelijke afspraken tussen partijen. De partneralimentatie blijft ongewijzigd vanaf de datum van inschrijving echtscheiding, omdat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat de moeder meer kan werken of dat zijn woonlasten hoger zijn dan forfaitair.

De gebruiksvergoeding wordt verhoogd naar €312,50 per maand over de periode van 1 mei 2024 tot 23 september 2025, gebaseerd op een redelijke rentevergoeding over het vermogen waarover de vader geen beschikking had. De overige verzoeken worden afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hof wijzigt de ingangsdatum van de kinderalimentatie naar 1 maart 2024, verhoogt de gebruiksvergoeding tot €312,50 per maand, wijst de partneralimentatie nihil af en bevestigt het afwijzen van de tijdelijke zorgregeling voor het kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.356.813/01, 200.356.813/02, 200.356.813/03 en 200.356.815/01
zaaknummer rechtbank: C/13/736646 / FA RK 23-4621
beschikking van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verzoeker in het incident tot schorsing,
verzoeker in het verzoek tot voorlopige voorzieningen,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. W.D. van Doorn te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verweerster in het incident tot schorsing,
verweerster in het verzoek tot voorlopige voorzieningen,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. A.C.W. Duiveman te Dalfsen.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de jongmeerderjarige [kind 1] (hierna: [kind 1] ),
- de minderjarige [kind 2] (hierna: [kind 2] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat onder meer over de vraag of er contact zou moeten komen tussen de vader en [kind 2] (15 jaar). Daarnaast gaat deze zaak gaat over de ingangsdatum van de kinder- en partneralimentatie en over de vraag of de vader aan de moeder een partneralimentatie moet betalen. Ook gaat het over de vraag of de moeder aan de vader een vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning dient te betalen.
1.2
De rechtbank heeft - zo maakt het hof uit de beschikking op - het verzoek van de vader om een tijdelijk zorgregeling vast te stellen tussen hem en [kind 2] en [kind 1] afgewezen en de beslissing over de definitieve zorgregeling tussen de vader en [kind 2] aangehouden in afwachting van het onderzoek door de raad naar de mogelijkheden van een zorgregeling tussen de vader en [kind 2] en het jongste kind van partijen [kind 3] . Daarnaast is bepaald dat de moeder een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning moet voldoen. Ook is een door de vader te betalen kinder- en partneralimentatie vastgesteld met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
1.3
De vader is het daar niet mee eens en wil onder meer dat de zorgregeling tussen hem en [kind 2] , zoals eerder is vastgesteld bij de beschikking voorlopige voorzieningen, weer zal worden hervat. Ook wil hij dat de moeder een hogere gebruiksvergoeding gaat betalen met een eerdere ingangsdatum en vindt hij dat hij geen partneralimentatie aan de moeder hoeft te betalen, omdat zij meer uren per week kan werken en zijn eigen werkelijke woonlast hoger is dan het forfait.
1.4
De moeder vindt dat er voorlopig geen zorgregeling tussen de vader en [kind 2] moet zijn. Als het hof een gebruiksvergoeding met een eerdere ingangsdatum vaststelt, dan verzoekt zij op haar beurt een door de vader te betalen gebruiksvergoeding over de eerdere periode dat hij de echtelijke woning alleen gebruikte vast te stellen. De moeder verzoekt ook de ingangsdatum van de kinder- en partneralimentatie op een eerdere datum vast te stellen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 14 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 17 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) (zaaknummers: 200.356.813/01 en 200.356.815/01). Hij verzoekt tevens de werking van de bestreden beschikking te schorsen (zaaknummer: 200.356.813/02) en daarnaast doet hij een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen (zaaknummer: 200.356.813/03).
2.2
De moeder heeft op 28 augustus 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 21 oktober 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 3 december 2025 met bijlagen;
- een bericht van de moeder van 10 december 2025 met bijlagen.
2.5
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [kind 2] en [kind 1] gesproken. De voorzitter heeft op de zitting in hoger beroep de inhoud van dit gesprek kort en zakelijk samengevat weergegeven.
2.6
De zitting heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
2.7
Zoals ter zitting is besproken, heeft de moeder op 14 december 2025 het proces-verbaal van de op 12 maart 2025 bij de rechtbank gehouden zitting overgelegd.

3.De feiten

3.1
De ouders zijn gehuwd geweest [in] 2006 tot 26 mei 2025. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de bij de (in zoverre niet) bestreden beschikking uitgesproken echtscheiding in de registers van de burgerlijk stand.
3.2
Zij zijn, voor zover hier van belang, de ouders van:
- [kind 1] , geboren [in] 2007;
- [kind 2] , geboren [in] 2010.
Daarnaast hebben zij nog een zoon, te weten: [kind 3] , geboren [in] 2016 (hierna: [kind 3] ).
3.3
Bij de in zoverre niet bestreden beschikking is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald.
3.4
De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Afghaanse en de Nederlandse nationaliteit.
3.5
De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 28 november 2023 in het kader van een voorlopige zorgregeling, voor zover van belang, bepaald dat [kind 2] op zaterdag in de weekenden dat [kind 3] bij de vader is (om de week), ook bij de vader is van 16.00 tot 19.00 uur, waarbij zij dan bij de vader eet.
3.6
De woning aan het adres [A-straat] te [plaats A] (hierna: de woning) is op 23 september 2025 bij akte van verdeling na echtscheiding aan de vrouw toebedeeld, waarbij de vrouw een bedrag van € 322.603,- wegens overbedeling aan de man heeft voldaan.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft - zo moet uit de bestreden beschikking worden begrepen - afgewezen het verzoek van de vader een tijdelijke zorgregeling vast te stellen tussen hem en [kind 2] en [kind 1] en de beslissing over de definitieve zorgregeling tussen de vader en [kind 2] en [kind 3] pro forma aangehouden in afwachting van de resultaten van het onderzoek door de raad over de mogelijkheden van een zorgregeling tussen hen.
Daarnaast is bepaald dat de moeder tegenover de vader het recht heeft om in de woning te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot drie maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont.
De rechtbank heeft de moeder veroordeeld tot het voldoen van een gebruiksvergoeding van € 223,- per maand vanaf 1 mei 2024 tot de datum waarop het aandeel van de vader in de woning wordt geleverd aan de moeder, dan wel tot de datum waarop het aandeel van de moeder in de woning wordt geleverd aan de vader, dan wel tot de datum waarop de genoemde woning wordt geleverd aan een derde bij verkoop van de woning.
Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de vader € 860,- per maand dient te betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van alle drie de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de vader € 703,- per maand dient te betalen aan de moeder als uitkering tot haar levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Principaal hoger beroep
4.2
De vader verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking, de moeder alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar echtscheidingsverzoek met nevenverzoeken, waarbij de vader opmerkt dat hij heeft berust in de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin de echtscheiding is uitgesproken. De vader verzoekt om vernietiging van de beslissingen ten aanzien van de kinderen als gevolg van de niet-ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoeken.
Daarnaast verzoekt de vader de beslissing van de rechtbank onder rechtsoverweging 3.4.6 te vernietigen dat net als voor [kind 1] ook voor [kind 2] traumatherapie nodig is en op grond daarvan het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen is afgewezen.
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de door de vader te betalen partneralimentatie en de partneralimentatie te bepalen op nihil, althans een zodanige uitkering als het hof juist acht (zaaknummer 200.356.813/01).
Tot slot verzoekt de vader de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de gebruiksvergoeding voor de woning van € 223,- per maand vanaf 1 mei 2024 en te bepalen dat als gebruiksvergoeding maandelijks door de moeder aan de vader zal worden betaald vanaf 1 januari 2024 € 1.030,-, althans een zodanig bedrag en vanaf zodanig tijdstip als het hof juist acht (200.356.815/01).
Schorsing en voorlopige voorzieningen
4.3
De vader verzoekt de beslissing tot afwijzing van de vaststelling van een zorgregeling voor [kind 2] op te schorten (zaaknummer 200.356.813/02) en te bepalen dat [kind 2] overeenkomstig de beschikking voorlopige voorzieningen van 28 november 2023 de vader op zaterdag zal kunnen blijven bezoeken dan wel een zodanige voorlopige voorziening te treffen dat de voorlopige zorgregeling met [kind 2] kan worden gecontinueerd, dan wel zal worden uitgebreid naar een groter aantal uren op de zaterdag dan de huidige regeling van 10.00 uur tot 19.00 uur, althans een regeling die meer aansluit bij de 50/50 regeling met [kind 3] (zaaknummer 200.356.813/03).
4.4
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking, met bekrachtiging van het door de rechtbank gekozen procesregime in afwachting van het raadsonderzoek. Zij verzoekt de overige verzoeken van de vader af te wijzen.
Incidenteel hoger beroep
4.5
De moeder verzoekt voorwaardelijk, uitsluitend indien het hof de ingangsdatum van de gebruiksvergoeding van de moeder aan de vader wijzigt (vervroegt ten opzichte) van 1 mei 2024, een gebruiksvergoeding vast te stellen door de vader te voldoen aan de moeder over de periode van 12 juli 2023 tot 1 januari 2024 ter hoogte van € 223,15 per maand.
Daarnaast verzoekt zij, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking ten aanzien van de ingangsdatum van zowel de kinder- als de partneralimentatie, en in zoverre opnieuw rechtdoende de ingangsdatum van de kinder- en partneralimentatie te bepalen op 1 maart 2024.
4.6
De vader verzoekt het incidenteel hoger beroep af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De zaak heeft een internationaal karakter omdat de moeder de Nederlandse nationaliteit heeft en de vader de Afghaanse en de Nederlandse nationaliteit. Het hof stelt vast dat de rechtbank in haar beschikking van 17 april 2025 met juistheid heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de verzoeken van partijen kennis te nemen. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Schorsingsverzoek en voorlopige voorzieningen (223 Rv)
5.2
De vader heeft ter zitting in hoger beroep zijn schorsingsverzoek en zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingetrokken, zodat het hof daarop niet meer hoeft te beslissen.
Ontbreken ouderschapsplan (grief 1)
5.3
De advocaat van de vader heeft als grief naar voren gebracht dat de rechtbank de moeder niet had mogen ontvangen in haar echtscheidingsverzoek, omdat zij bij de indiening van het verzoekschrift geen ouderschapsplan op grond van artikel 815 Rv Pro heeft overgelegd, terwijl niet is gebleken dat de vader daaraan geen medewerking heeft willen verlenen. De vader kan zich wel met het uitspreken van de echtscheiding verenigen, maar niet met de nevenvoorzieningen waartegen hoger beroep is ingesteld.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat de moeder ontvankelijk is in het echtscheidingsverzoek, omdat zij voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. Dit oordeel is juist, in die zin dat ook in deze procedure is gebleken dat partijen over voor een ouderschapsplan essentiële onderwerpen lijnrecht tegenover elkaar staan, te weten de zorgregeling en de ingangsdatum van de kinderalimentatie. Bovendien is de echtscheidingsbeschikking met instemming van de vader reeds ingeschreven in de register van de burgerlijke stand. Daarnaast biedt het standpunt van de man dat het ouderschapsplan als afzonderlijke eis geldt voor de indiening van nevenvoorzieningen, geen steun in het recht. Deze grief faalt daarom.
Zorgregeling [kind 2] (grief 2)
5.4
De vader verzoekt, na wijziging van zijn verzoek ter zitting in hoger beroep, een tijdelijke zorgregeling tussen hem en [kind 2] vast te stellen zoals in de beschikking voorlopige voorzieningen is bepaald, dan wel met een uitbreiding van die regeling naar een groter aantal uren op zaterdag dan de huidige regeling van 10.00 uur tot 19.00 uur, althans een regeling die meer aansluit bij de 50/50 regeling met [kind 3] .
5.5
De moeder stelt dat de beslissing van de rechtbank een tussenbeschikking is in de zin van artikel 358 lid 4 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (Rv). Van een tussenbeschikking kan slechts hoger beroep worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Dat is niet het geval, aldus de moeder.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor reeds aangegeven begrijpt het hof de bestreden beschikking zo dat het verzoek tot een tijdelijke zorgregeling is afgewezen en de definitieve beslissing over de zorgregeling is aangehouden. Het hof is van oordeel dat de rechtbank door deze beslissing op het punt van de tijdelijke zorgregeling een einde heeft gemaakt aan de rechtsstrijd tussen de ouders. Van een dergelijke (deel)beslissing kan hoger beroep worden ingesteld.
5.7
De vader meent kennelijk met zijn tweede grief dat de zorgregeling door de rechtbank is afgewezen enkel omdat de ouders het erover eens zouden zijn dat voor [kind 2] traumatherapie nodig is. Volgens de vader heeft [kind 2] geen traumatherapie nodig en is er geen medische indicatie. Grief 2 heeft in het licht van zijn gewijzigde verzoek ter zitting geen zelfstandige betekenis, zodat het hof hieraan voorbij gaat.
5.8
Het hof constateert dat de vader sinds maart 2024 geen contact meer heeft met [kind 2] . Op dit moment loopt het raadsonderzoek nog en is het raadsonderzoek zelfs uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. Dat heeft ertoe geleid dat [kind 3] voor de duur van twee weken voorlopig onder toezicht is gesteld van het Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering en dat er een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend voor een verblijf van twee weken van [kind 3] bij een oom en tante (moederszijde).
[kind 2] heeft bovendien bij de raad aangegeven dat zij de komende zes tot twaalf maanden geen contact met haar vader wil. Zij wil eerst traumatherapie volgen, zodat zij haar stress over de vader kwijtraakt. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, zal in het kader van deze therapie kunnen worden gewerkt aan een eventueel toekomstig contact met de vader. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding om een tijdelijke zorgregeling te bepalen tussen de vader en [kind 2] en zal het hof dit verzoek van de vader dan ook afwijzen.
Ingangsdatum kinder- en partneralimentatie (incidentele grief 7)
5.9
De moeder stelt dat in de rechtsoverwegingen van de bestreden beschikking van 3.6.6. tot en met 3.6.8. is opgenomen dat de ouders overeenstemming hadden over de ingangsdatum van de kinderalimentatie, te weten: 1 maart 2024. Er was volgens de moeder echter ook overeenstemming over de ingangsdatum van de partneralimentatie. Ondanks deze overeenstemming tussen partijen heeft de rechtbank per abuis opgenomen in het dictum dat de ingangsdatum van zowel de kinderalimentatie als de partneralimentatie de datum inschrijving echtscheiding is, aldus de moeder.
5.1
De vader betwist dat de rechtbank een fout heeft gemaakt bij de vaststelling van de ingangsdatum van de kinder- en partneralimentatie. Er is nooit sprake geweest van een rechtsgeldige overeenkomst over de datum van 1 maart 2024. Tijdens het viergesprek in maart 2024 is hierover gesproken, maar partijen hebben hierover geen voor partijen bindende overeenstemming bereikt.
5.11
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking opgenomen dat partijen overeenstemming hebben over de ingangsdatum van de kinderalimentatie, te weten 1 maart 2024. De vader heeft dit niet betwist. Eerst in hoger beroep heeft hij in reactie op het incidentele hoger beroep van de moeder op dit punt gesteld dat het viergesprek en de daarin overeengekomen ingangsdatum niet heeft geleid tot een ondertekende overeenkomst De vader is vanaf 1 maart 2024 wel kinderalimentatie gaan betalen, zij het onregelmatig. Vanaf 26 mei 2025 heeft de vader de volledige kinderalimentatie zoals bepaald bij de bestreden beschikking betaald. Het feit dat de moeder geen voorlopige voorziening kinderalimentatie heeft verzocht, vormt voor het hof eveneens een aanwijzing dat er op dit punt waarschijnlijk onderlinge afspraken zijn gemaakt. In licht hiervan heeft de man onvoldoende betwist dat er een afspraak was over de ingangsdatum van de kinderalimentatie. Omdat de rechtbank abusievelijk de overeengekomen ingangsdatum van 1 maart 2024 niet in het dictum heeft opgenomen, zal het hof de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en herstellen. Het hof zal daarbij, onder verwijzing naar overweging 3.6.23 van de bestreden beschikking, de kinderalimentatie vaststellen op € 143,- per maand voor [kind 3] en € 358,- per kind per maand voor [kind 2] en [kind 1] , in plaats van een bedrag van € 860,- per maand voor alle drie de kinderen gezamenlijk.
5.12
Het verzoek van de vrouw om de door haar gestelde overeengekomen ingangsdatum van de partneralimentatie te bepalen, zal het hof afwijzen, alleen al omdat op grond van de wet de verplichting tot betaling van partneralimentatie niet eerder kan ingaan dan op de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Het hof sluit daarom aan bij de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, die neerkomt op 26 mei 2025.
Partneralimentatie
Verdiencapaciteit moeder (grief 4)
5.13
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de aanvullende behoefte van de moeder aan een partneralimentatie bepaald op € 2.152,- per maand en een door de vader aan de moeder te betalen partneralimentatie van € 703,- bruto per maand bepaald.
De vader is van mening dat de moeder meer uren kan werken en daarmee een inkomen kan genereren van € 7.557,- per maand. De moeder heeft geen medische dan wel arbodienst documentatie overgelegd waaruit de verminderde verdiencapaciteit kan worden opgemaakt, aldus de vader.
5.14
De moeder betwist dat zij meer kan werken, in de eerste plaats door de emotionele schade die zij en de kinderen hebben opgelopen tijdens het huwelijk. Zij wil daarnaast beschikbaar blijven voor de kinderen om hen te begeleiden in de traumatrajecten die zij volgen, naast het traject dat zijzelf doorloopt. De moeder kan ook niet meer uren werken bij haar huidige werkgever. Zij heeft ook geen emotionele ruimte om naast deze baan ZZP-werkzaamheden op te pakken, aldus de moeder.
5.15
Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat van de moeder op dit moment niet kan worden verwacht dat zij meer uren gaat werken. De moeder heeft inmiddels een andere baan, omdat haar eerdere baan ophield. Bij deze baan werkt zij 24 uur per week. Zij heeft daarnaast de zorg voor de kinderen die op dit moment meer zorg nodig hebben dan gemiddeld in verband met de traumatherapie die zij (gaan) volgen. Het hof is van oordeel dat van de moeder onder die omstandigheden niet verlangd kan worden dat zij daarnaast dusdanig meer gaat werken dat zij volledig in haar aanvullende behoefte kan voorzien.
Werkelijke woonlast vader (grief 4)
5.16
De vader voert verder aan dat in aanmerking moet worden genomen dat hij genoodzaakt was per direct alternatieve woonruimte te vinden, waarbij een huur van € 2.061,- per maand niet excessief hoog is. Volgens de vader moet daarom uitgegaan worden van deze werkelijke woonlast in plaats van de forfaitaire woonlast.
5.17
De moeder stelt dat de vader geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die een uitzondering rechtvaardigen. Het verschil tussen de werkelijke woonlast en het forfait levert geen reden op om van het forfait af te wijken, aldus de moeder.
5.18
Het hof gaat aan deze grief van de vader voorbij, omdat hij zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Zo had het op zijn weg gelegen om (met stukken, zoals een huurovereenkomst op zijn naam of rekeningafschriften) te onderbouwen wat de hoogte van zijn huidige huur is, wat het verschil is tussen de forfaitaire woonlast en de werkelijke woonlast en, indien de gestelde woonlast zou komen vast te staan, waarom het voor hem niet mogelijk is die woonlast te verlagen. De vader heeft dit echter nagelaten.
Dit betekent dat het hof het verzoek van de vader tot nihilstelling van de partneralimentatie zal afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt zal bekrachtigen.
Gebruiksvergoeding (grief 3)
5.19
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking, overeenkomstig het verzoek van de vader, bepaald dat de moeder met ingang van 1 mei 2024 een gebruiksvergoeding dient te voldoen aan de vader van € 223,- per maand.
5.2
De vader heeft de woning op 1 januari 2024 moeten verlaten en sindsdien heeft hij dubbele woonlasten. Hij is van mening dat een redelijke vergoeding moet worden vastgesteld op grond van een huurprijs van € 2.061,- per maand. Een vergoeding van 50% van de marktconforme huur met ingang van 1 januari 2024 had meer in de rede gelegen, aldus de vader.
5.21
De moeder is van mening dat de bestreden beschikking bekrachtigd moet worden.
5.22
Het hof overweegt als volgt. Aangezien de moeder tot nu het exclusieve gebruik van de woning heeft, heeft de vader geen genot van zijn aandeel in de woning. Dat betekent dat hij op grond van artikel 3:169 BW Pro in beginsel recht heeft op een schadeloosstelling in de vorm van een gebruiksvergoeding. Het hof zal voor wat betreft de ingangsdatum aansluiten bij het oordeel van de rechtbank en een gebruiksvergoeding laten ingaan per 1 mei 2024, omdat de vader zijn verzoek tot vaststelling van een gebruiksvergoeding eerst op 2 april 2024 heeft gedaan en de moeder pas vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met een eventueel te betalen gebruiksvergoeding. Het hof ziet geen aanleiding de ingangsdatum op een eerdere datum te bepalen. Omdat het hof de ingangsdatum niet wijzigt, komt het niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk door de moeder gedane verzoek.
Ten aanzien van de hoogte van de gebruiksvergoeding overweegt het hof dat bij het bepalen van die hoogte de redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten in de gemeenschap ingevolge artikel 3:166 lid 3 BW Pro beheersen, tot maatstaf dienen, zodat rekening dient te worden gehouden met de omstandigheden van het geval.
De vader stelt dat een redelijke vergoeding vastgesteld had moeten worden op grond van een huurprijs van € 2.061,-, resulterend in een vergoeding van € 1.030,- per maand, dan wel met inachtneming van de overwaarde in de woning van € 645.606,- en uitgaande van een redelijke vergoeding van 3,7 % van de overwaarde resulterend in een jaarlijkse gebruiksvergoeding van € 11.941,-, ofwel € 995,- per maand.
Het hof volgt de vader niet in zijn stelling ten aanzien van de gestelde huurprijs die hij voor de helft bij wijze van gebruiksvergoeding voor rekening van de moeder wil brengen. De gebruiksvergoeding heeft tot doel degene die verstoken is van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen. Het hof zal daarom ter bepaling van de hoogte van de gebruiksvergoeding het vermogen waarover de vader niet kon beschikken tot uitgangspunt nemen. Niet in geschil is dat de moeder aan de vader bij de overname van de woning € 322.603,- heeft voldaan. Rekening houdend met het tijdsverloop vanaf mei 2024 gaat het hof in redelijkheid uit van een vermogen van gemiddeld € 300.000,- waarvan de vader geen profijt heeft kunnen hebben. De rente van 3,7% die de vader stelt, komt niet overeen met een redelijke spaarrente in die periode, die het hof in redelijkheid stelt op 1,25%, zich daarbij baserend op gegevens over particuliere spaarrekeningen. Zodoende komt het hof op een jaarbedrag van € 3.750,-, dat wil zeggen € 312,50 per maand.
De grief van de vader treft doel. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en bepalen dat de moeder aan de vader over de periode vanaf 1 mei 2024 tot de datum van overdracht van de woning 23 september 2025 bij wijze van gebruiksvergoeding moet betalen € 312,50 per maand.
Proceskosten
5.23
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep in haar pleitnotitie verzocht de vader te veroordelen in de proceskosten. Nog afgezien van de vraag of de moeder in haar eerst ter zitting gedane verzoek kan worden ontvangen, ziet het hof, gelet op de aard van de procedure, geen aanleiding voor een kostenveroordeling van een van partijen in hoger beroep.
5.24
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de ingangsdatum voor de kinderalimentatie en de door de moeder aan de vader te betalen gebruiksvergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning, en opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 1 maart 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] € 143,- per maand en van [kind 2] en [kind 1] € 358,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt de door de moeder aan de vader te betalen gebruiksvergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning over de periode van 1 mei 2024 tot 23 september 2025 op € 312,50 per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.F. Miedema en mr. E.S. Jansen, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.