ECLI:NL:GHAMS:2026:246
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing bewind en benoeming opvolgend bewindvoerder
De zaak betreft het hoger beroep van de rechthebbende tegen de afwijzing van haar verzoek tot opheffing van het bewind over haar goederen. De kantonrechter had het verzoek afgewezen omdat het bewind nog noodzakelijk en zinvol werd geacht.
De rechthebbende stelt dat haar financiële situatie is verbeterd en dat zij het bewind niet langer nodig heeft. Zij klaagt over onvoldoende leefgeld en een verstoorde relatie met de bewindvoerder. De bewindvoerder betoogt dat de rechthebbende onvoldoende inkomen heeft om haar vaste lasten te betalen en niet in staat is haar financiën zelfstandig te beheren.
Het hof oordeelt dat het bewind nog steeds noodzakelijk is vanwege de financiële situatie van de rechthebbende, waaronder een uitkering die de vaste lasten niet dekt en een terugbetalingsverplichting aan de Belastingdienst. Ook zijn er zorgen over het beheer van een erfenis. De primaire vordering tot opheffing wordt daarom afgewezen.
Wel constateert het hof dat de relatie tussen de rechthebbende en de huidige bewindvoerder ernstig is verstoord, waardoor een constructieve samenwerking niet mogelijk is. Daarom wordt de huidige bewindvoerder ontslagen en een opvolgend bewindvoerder benoemd, met ingang van 1 maart 2026.
De beschikking van de kantonrechter wordt voor het overige bekrachtigd en de financiële afwikkeling van het bewind wordt geregeld.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen, maar de huidige bewindvoerder wordt ontslagen en een opvolgend bewindvoerder benoemd.