ECLI:NL:GHAMS:2026:246

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.356.000/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 lid 2 BWArt. 1:432 lid 1 en 2 BWArt. 1:435 lid 10 BWArt. 1:391 BWRegeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, artikel 3 lid 2 sub a
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing bewind en benoeming opvolgend bewindvoerder

De zaak betreft het hoger beroep van de rechthebbende tegen de afwijzing van haar verzoek tot opheffing van het bewind over haar goederen. De kantonrechter had het verzoek afgewezen omdat het bewind nog noodzakelijk en zinvol werd geacht.

De rechthebbende stelt dat haar financiële situatie is verbeterd en dat zij het bewind niet langer nodig heeft. Zij klaagt over onvoldoende leefgeld en een verstoorde relatie met de bewindvoerder. De bewindvoerder betoogt dat de rechthebbende onvoldoende inkomen heeft om haar vaste lasten te betalen en niet in staat is haar financiën zelfstandig te beheren.

Het hof oordeelt dat het bewind nog steeds noodzakelijk is vanwege de financiële situatie van de rechthebbende, waaronder een uitkering die de vaste lasten niet dekt en een terugbetalingsverplichting aan de Belastingdienst. Ook zijn er zorgen over het beheer van een erfenis. De primaire vordering tot opheffing wordt daarom afgewezen.

Wel constateert het hof dat de relatie tussen de rechthebbende en de huidige bewindvoerder ernstig is verstoord, waardoor een constructieve samenwerking niet mogelijk is. Daarom wordt de huidige bewindvoerder ontslagen en een opvolgend bewindvoerder benoemd, met ingang van 1 maart 2026.

De beschikking van de kantonrechter wordt voor het overige bekrachtigd en de financiële afwikkeling van het bewind wordt geregeld.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen, maar de huidige bewindvoerder wordt ontslagen en een opvolgend bewindvoerder benoemd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.000/01
zaaknummer rechtbank: 11379818 BM VERZ 24-2220 MO
beschikking van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak van
[de rechthebbende] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de rechthebbende,
advocaat: mr. O.D. Nijenhuis te Sittard.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [X] B.V. (hierna: de bewindvoerder), en
- [de zoon] (hierna: de zoon).

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de vraag of het bewind over de goederen van de rechthebbende moet eindigen.
1.2
De kantonrechter heeft het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind, afgewezen. De rechthebbende is het daar niet mee eens en wil dat het bewind alsnog wordt opgeheven of, als het hof daar anders over denkt, dat er een andere bewindvoerder wordt benoemd. De bewindvoerder is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De rechthebbende is op 23 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie: Alkmaar) (hierna: de kantonrechter) van 25 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de bewindvoerder van 11 augustus 2025 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de rechthebbende van 24 oktober 2025 met bijlage (productie 13).
2.3
De zitting heeft op 7 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de rechthebbende, bijgestaan door haar advocaat en
- [naam 1] namens de bewindvoerder.
De advocaat van de rechthebbende heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
De zoon is opgeroepen maar niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De rechthebbende is geboren [in] 1977 te [plaats B] (Oostenrijk).
3.2
De kantonrechter heeft op 9 juli 2020 het bewind ingesteld als gevolg van de lichamelijke of geestelijke toestand van de rechthebbende, met benoeming van [naam 2] handelend onder de naam [X] B.V. tot bewindvoerder.
3.3
De kantonrechter heeft op 18 juli 2023 [naam 2] handelend onder de naam [X] B.V. ontslagen als bewindvoerder onder gelijktijdige benoeming van [X] B.V. tot bewindvoerder.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking bepaald dat het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind wordt afgewezen.
4.2
De rechthebbende verzoekt – na akte wijziging verzoek d.d. 24 oktober 2025 – met vernietiging van de bestreden beschikking, primair haar inleidende verzoek tot opheffing van het bewind toe te wijzen en subsidiair de huidige bewindvoerder te ontslaan en [naam 3] te benoemen als opvolgend bewindvoerder.
4.3
De bewindvoerder verzoekt ter zitting in hoger beroep afwijzing van het verzoek van de rechthebbende.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:449, tweede lid, BW volgt dat de rechter het bewind kan opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is de onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
De standpunten
5.2
De rechthebbende meent allereerst dat de kantonrechter haar inleidende verzoek om het bewind op te heffen ten onrechte heeft afgewezen. Haar financiële situatie is aanzienlijk verbeterd en zij heeft de betaling van haar vaste lasten grotendeels weer op orde. Daarbij kan zij altijd terugvallen op haar zoon en diens vriendin, aldus de rechthebbende. Door de huidige bewindvoering heeft de rechthebbende volgens eigen zeggen maandenlang geen of te weinig leefgeld ontvangen waardoor zij haar werk niet kon voortzetten en aangewezen is op een bijstandsuitkering. Tussen haar en de bewindvoerder is geen sprake meer van onderling vertrouwen of een constructieve communicatie. De bewindvoering is volgens de rechthebbende primair niet langer noodzakelijk en daarnaast is voortzetting ook niet zinvol gebleken. Subsidiair verzoekt de rechthebbende om de huidige bewindvoerder te ontslaan en [naam 3] te benoemen als opvolgend bewindvoerder.
5.3
De bewindvoerder voert aan dat de beslissing van de kantonrechter op goede gronden berust. De rechthebbende ontvangt nu inkomen uit een uitkering op grond van de Participatiewet, maar met deze uitkering kan zij haar vaste lasten niet volledig voldoen, waardoor de bewindvoerder vreest dat de schulden in de toekomst zonder bewindvoering verder zullen oplopen. De bewindvoerder acht de rechthebbende niet in staat om zelfstandig haar financiën te beheren. Zij neemt geen verantwoordelijkheid voor haar keuzes en legt de schuld buiten zichzelf. De bewindvoerder heeft daartoe een aantal omstandigheden aangedragen waarop het hof hierna, voor zover nodig, zal ingaan. Benoeming van een andere bewindvoerder zal het probleem niet wegnemen, meent de bewindvoerder.
De beoordeling van het hof
5.4
Het hof is van oordeel dat het bewind nog steeds noodzakelijk en zinvol is. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
5.5
De rechthebbende is in 2020 op grond van haar lichamelijke of geestelijke toestand onder bewind gesteld. Er waren schulden, maar die zijn na het doorlopen van een minnelijke regeling opgelost. Daarna is de rechthebbende gaan werken als buschauffeuse. Toen haar inwonende zoon in 2024 meerderjarig werd en door zijn inkomen het recht van de rechthebbende op toeslagen kwam te vervallen, zijn er nieuwe schulden ontstaan vanwege de terugbetalingsverplichting die de rechthebbende heeft vanwege te veel ontvangen toeslagen. Na de bestreden beschikking heeft de rechthebbende haar baan opgezegd en nu moet zij rondkomen van een uitkering op grond van de Participatiewet, die haar vaste lasten niet dekt. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de zoon van de rechthebbende nog steeds staat ingeschreven op haar adres en niet bijdraagt in de woonlasten van zijn moeder. Hij is inmiddels zelf vader geworden en verblijft een groot deel van de tijd bij de ouders van zijn vriendin. Verder heeft de bewindvoerder naar voren gebracht dat zij erachter is gekomen dat de rechthebbende een nalatenschap heeft gekregen van haar overleden oma ter hoogte van € 37.000,- waarbij het voor de bewindvoerder niet duidelijk is waar dat geld is gebleven. De rechthebbende heeft daarover ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij € 17.000,- aan haar moeder heeft gegeven en met de rest van de erfenis een deel van haar belastingschulden heeft afbetaald, openstaande boetes heeft betaald, een huis heeft gekocht en haar huis heeft opgeknapt.
5.6
Op grond van het voorgaande is het hof, anders dan de rechthebbende, van oordeel dat de rechthebbende niet in staat is om zelfstandig haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Zij heeft door het opzeggen van haar baan onvoldoende inkomen om haar vaste lasten volledig te voldoen, waardoor de verwachting is dat de schulden die er al zijn, zullen oplopen als het beschermingsbewind zou worden opgeheven. Verder is er nog steeds een schuld aan de Belastingdienst wegens een terugbetalingsverplichting van teveel ontvangen toeslagen. Oplossingen voor het tekort aan inkomen, zoals het vinden van een (nieuwe) baan, het vragen van kostgeld of een bijdrage in de woonlasten aan haar inwonende meerderjarige zoon dan wel het aanwenden van het geld uit de erfenis van haar oma, zijn door de rechthebbende tot op heden niet benut. Voortzetting van het bewind is daarom naar het oordeel van het hof nog noodzakelijk en ook zinvol. Het hof zal het primaire verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind dan ook afwijzen.
5.7
Subsidiair heeft de rechthebbende verzocht om de huidige bewindvoerder te ontslaan en [naam 3] als opvolgend bewindvoerder te benoemen. Het hof leidt uit het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep af dat de verhouding tussen de rechthebbende en de huidige bewindvoerder grondig is verstoord en dat tussen hen geen constructieve samenwerking meer mogelijk is. Het ziet er niet naar uit dat hierin nog verandering zal komen. Daarom ziet het hof aanleiding om een andere bewindvoerder te benoemen. Het hof zal de huidige bewindvoerder daarom ontslaan per 1 maart 2026. [naam 3] heeft door middel van een schriftelijke bereidverklaring van 6 oktober 2025 laten weten als bewindvoerder van de rechthebbende te kunnen en willen optreden. Nu er geen bezwaren tot benoeming van deze bewindvoerder zijn, zal het hof hem, gelet op het bepaalde in artikel 1:435 lid 10 BW Pro, benoemen als bewindvoerder met ingang van 1 maart 2026. Zodoende hebben de huidige en de nieuwe bewindvoerder de tijd om het dossier goed over te dragen.
5.8
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover [X] B.V. ook vanaf 1 maart 2026 nog als bewindvoerder is benoemd, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
ontslaat met ingang van 1 maart 2026 [X] B.V. als bewindvoerder over de goederen van de [de rechthebbende] , geboren [in] 1977 te [plaats B] , Oostenrijk;
benoemt met ingang van 1 maart 2026 tot opvolgend bewindvoerder:
[naam 3] , handelend onder de naam [XX] Bewindvoering
Correspondentieadres:
[adres]
stelt de jaarbeloning van de bewindvoerder vast overeenkomstig artikel 3, lid 2, sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en bepaalt dat aan de opvolgend bewindvoerder een aanvangsbeloning toekomt van € 660,- overeenkomstig artikel 3 lid 5 sub Pro a. van genoemde Regeling;
bepaalt dat [X] B.V. vóór 1 maart 2026 eindrekening en verantwoording aflegt ten overstaan van de rechthebbende en de opvolgend bewindvoerder over de periode van 18 juli 2023 tot 1 maart 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
draagt de griffier op om op voet van artikel 1:391 BW Pro een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, in verband met aantekening in het Centraal Curatele- en bewindregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en
mr. E.S. Jansen, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op
3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.