In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 19 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter van 25 april 2025. De verdachte werd beschuldigd van mishandeling gepleegd op 24 juli 2024 te Heemstede.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €750,00 met een proeftijd van twee jaar. Bij niet-betaling kan deze geldboete worden vervangen door zeven dagen hechtenis. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding van €350,00 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit.
De schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd, waarbij de verdachte verplicht werd het bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer. De duur van gijzeling bij niet-betaling werd vastgesteld op maximaal drie dagen, zonder dat dit de verplichting tot schadevergoeding opheft. De wettelijke rente vangt aan op 24 juli 2024, de datum van het bewezenverklaarde feit.