Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
2. [appellant 2] ,
3. [appellant 3] ,
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grieven 1, 2, 3 en 4gericht. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
grief 2, voor het aannemen van aansprakelijkheid van [geïntimeerde] niet voldoende is dat [geïntimeerde] werd verdacht van opiumdelicten, en dat die verdenking, met toepassing van het toetsingskader van de Wet Bibob, heeft geleid tot intrekking van de vergunningen door de gemeente. Voor aansprakelijkheid is nodig dat de verdenkingen waarop de intrekking van de vergunningen is gebaseerd ook daadwerkelijk zijn komen vast te staan en dat die intrekking aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. In zoverre faalt grief 2. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] voor de schade van [appellanten] aansprakelijk kan worden gehouden. Daartoe wordt het volgende overwogen.
grieven 1, 3 en 4slagen.
Voor zover [geïntimeerde] zich in dit verband heeft beroepen op de verdenking jegens [appellant 3] , geldt dat er in hoger beroep van moet worden uitgegaan dat [appellant 3] zich niet schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvan hij aanvankelijk door het openbaar ministerie werd verdacht, noch dat hem kan worden aangerekend dat die verdenking op hem is komen te rusten; zie rov. 3.6. hiervoor. Die verdenking kan daarom niet tot de conclusie leiden dat causaliteit tussen de gedraging van [geïntimeerde] en de gevorderde schadevergoeding ontbreekt. Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd, strekt de geschonden norm ter bescherming van de schade die [appellanten] stellen te hebben geleden (het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW Pro).
grief 5, die betrekking had op het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de tweede door [appellanten] aangevoerde grondslag van aansprakelijkheid (de opzegging van de huurovereenkomst) geen verdere bespreking.