ECLI:NL:GHAMS:2026:266

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
200.315.489
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 6:163 BWArt. 843a RvArt. 10 OpiumwetArt. 10a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid vennoot voor schade door intrekking horeca-vergunning wegens opiumdelicten

Partijen exploiteerden samen een Turks restaurant in de vorm van een vennootschap onder firma (vof). In 2019 trok de gemeente Amsterdam de exploitatievergunningen in vanwege verdenkingen van opiumdelicten en witwassen door enkele vennoten. Dit leidde tot staking van de exploitatie en schade voor de overige vennoten.

De rechtbank wees de vordering tot schadevergoeding toe aan één vennoot, maar wees deze af jegens een andere vennoot. In hoger beroep oordeelde het hof dat ook deze vennoot aansprakelijk is, omdat hij strafrechtelijk is veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van opiumdelicten, wat de intrekking mede veroorzaakte.

Het hof stelde vast dat de schade bestaat uit gederfde winst over 2019, begroot op circa €25.750 per vennoot na belastingcorrecties. Verrekening en andere tegenvorderingen van de veroordeelde vennoot werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de aansprakelijkheid betrof, en de vennoot werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: De vennoot wordt aansprakelijk gehouden en veroordeeld tot betaling van circa €25.750 schadevergoeding per appellant plus rente en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.315.489/01
zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/687636/HA ZA 20-770
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
inzake

1.[appellant 1] ,

wonende te [plaats 1] , [plaats 3] ,

2. [appellant 2] ,

wonende te [plaats 1] , [plaats 3] ,

3. [appellant 3] ,

wonende te [plaats 2] ,
appellanten,
advocaat: mr. S. Besli te Ede,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.G.H. Langeweg te Koog aan de Zaan.
De zaak in het kort
Partijen dreven tot 2019 een Turks restaurant in [plaats 2] . Zij deden dat in de vorm van een vennootschap onder firma (vof). Begin 2019 heeft de gemeente Amsterdam de publiekrechtelijke vergunningen voor de exploitatie ingetrokken, omdat een aantal vennoten werd verdacht van opiumdelicten en/of witwassen. Daarna is de huurovereenkomst van de bedrijfsruimte door één of meer vennoten opgezegd. Vervolgens is de exploitatie gestaakt. Op dat moment telde de vof vijf vennoten.
In deze procedure vorderen drie vennoten van de andere twee vennoten vergoeding van de schade die zij hebben geleden door de staking van de exploitatie van het restaurant. In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat de intrekking van de vergunningen aan één van de gedaagden kan worden toegerekend en dat daarom alleen die gedaagde aansprakelijk is jegens eisers. In hoger beroep gaat het om de vraag of ook de andere gedaagde partij aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die door de intrekking van de vergunningen is ontstaan. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en begroot in het verlengde daarvan de schade.

1.Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] genoemd, appellant sub 1 wordt ook wel [appellant 1] genoemd, appellant sub 2 [appellant 2] en appellant sub 3 [appellant 3] genoemd. Geïntimeerde zal [geïntimeerde] worden genoemd.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 10 februari 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank [plaats 2] van 10 november 2021, hierna: de rechtbank, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie en onder andere [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens houdende incidentele vordering tot overlegging van bescheiden ex artikel 843a Rv;
- memorie van antwoord, met productie.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2025. De zaak is vervolgens aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Een minnelijke regeling is tussen partijen niet tot stand gekomen. Het hof heeft vervolgens [appellanten] in de gelegenheid gesteld tot het nemen van een akte met betrekking tot de inkomsten die zij in 2019 hebben genoten in verband met de exploitatie van een restaurant in [plaats 3] . [geïntimeerde] is in de gelegenheid gesteld om hierop door middel van een antwoordakte te reageren. Na deze aktewisseling hebben partijen arrest gevraagd. [appellanten] hebben bij de genomen akte hun eis verminderd.
[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende - uitvoerbaar bij voorraad - de vorderingen van [appellanten] jegens [geïntimeerde] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente over de proceskosten en nakosten. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de vorderingen van [appellanten] zal afwijzen, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in beide instanties, met rente over de proceskosten en nakosten.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2.Feiten

2.1
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep als zodanig niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Voor zover [appellanten] met de grieven 1 en 2 opkomen tegen feitelijke vaststellingen van de rechtbank in rov. 4.3 en 4.4 van het bestreden vonnis, komt het hof daarop hierna in rov. 3.4 e.v. terug. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
2.2
[appellanten] exploiteerden, samen met [geïntimeerde] en diens vader [naam 1] , hierna: [geïntimeerde] , een Turks restaurant aan het [straat] [nummer] te [plaats 2] . Dit gebeurde in de vorm van een vennootschap onder firma, hierna de vof, onder de [naam 2] ’. De tussen de vennoten gemaakte afspraken zijn neergelegd in een overeenkomst van 29 juli 2013, aangevuld met een addendum van 17 oktober 2017.
2.3
De exploitatievergunning met terras-, drank- en horecavergunning en de kansspelautomatenvergunning van het restaurant stonden op naam van [geïntimeerde] , [geïntimeerde] en [appellant 3] . De huurovereenkomst met [bedrijf] voor de bedrijfsruimte aan het [straat] [nummer] stond op naam van [geïntimeerde] en diens echtgenote.
2.4
[geïntimeerde] en [geïntimeerde] werden op een zeker moment verdacht van het plegen van opiumdelicten en in verband daarmee is het restaurant op 23 juli 2018 doorzocht. Daarbij is in de kluis van het restaurant een bedrag van € 12.815, - aan contant geld aangetroffen. [appellant 3] is toen door de officier van justitie aangemerkt als verdachte van witwassen. [geïntimeerde] is op 1 augustus 2018 als verdachte aangehouden. Op 13 augustus 2018 is hij, nadat de rechtbank de vordering gevangenhouding bij gebrek aan gronden had afgewezen en het bevel tot voorlopige hechtenis had opgeheven, in vrijheid gesteld.
2.5
Op 21 november 2018 hebben [appellanten] een brief van de gemeente [plaats 2] , hierna: de gemeente, ontvangen waarin het voornemen tot intrekking van de hiervoor in rov. 2.3 genoemde vergunningen kenbaar werd gemaakt. Op 11 december 2018 heeft [appellant 3] zijn zienswijze over dit voornemen bij de gemeente ingediend. Niettemin heeft de gemeente de vergunningen op 11 januari 2019 ingetrokken.
2.6
Met gebruikmaking van een formulier huuropzegging van [bedrijf] is de huurovereenkomst van de bedrijfsruimte aan het [straat] [nummer] op 17 januari opgezegd tegen 31 januari 2019. Op dit formulier staat als ‘ondergetekende huurder’ [geïntimeerde] vermeld.
2.7
[appellanten] hebben op 29 mei 2019 conservatoir beslag gelegd op de woning van [geïntimeerde] , tot zekerheid van een schadevordering op [geïntimeerde] en [geïntimeerde] .
2.8
Blijkens een door [geïntimeerde] in hoger beroep overgelegd, grotendeels zwartgemaakt strafvonnis van 11 juli 2019 is [geïntimeerde] door de rechtbank Amsterdam deels vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. De rechtbank heeft evenwel bewezenverklaard: (i) deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid en 10a, eerste lid van de Opiumwet en (ii) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Het gedeelte van het vonnis waarin de opgelegde straf is vermeld, is zwart gemaakt.

3.Beoordeling

3.1
Bij de rechtbank hebben [appellanten] gevorderd dat [geïntimeerde] en [geïntimeerde] worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 114.000, -, vermeerderd met rente en kosten, waaronder de beslagkosten. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie gevorderd (a) dat het beslag zal worden opgeheven en (voorwaardelijk) (b) dat zijn resterende aandeel in de winst van de vof over de periode 2017 tot en met 2019, alsmede (c) zijn aandeel in de vereffeningsopbrengsten van de onderneming aan hem door [appellanten] zal worden uitbetaald. Verder heeft [geïntimeerde] (d) inzage gevorderd in de jaarcijfers van de vof over de periode 2018 en 2019. [geïntimeerde] is in eerste aanleg niet verschenen.
3.2
Aan hun vordering hebben [appellanten] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] en [geïntimeerde] onzorgvuldig hebben gehandeld jegens [appellanten] Zij hebben criminele activiteiten ondernomen die hebben geleid tot de intrekking van de publiekrechtelijke vergunningen. Bovendien hebben [geïntimeerde] en/of [geïntimeerde] de huurovereenkomst van de bedrijfsruimte opgezegd zonder medeweten van [appellanten] Een en ander levert wanprestatie op onder het vof-contract, althans hebben [geïntimeerde] en [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld jegens [appellanten] De intrekking van de publiekrechtelijke vergunningen en de opzegging van de huurovereenkomst hebben er uiteindelijk toe geleid dat de exploitatie van het restaurant noodgedwongen is gestaakt, waardoor [appellanten] schade hebben geleden.
3.3
In haar eindvonnis van 10 november 2021 heeft de rechtbank de vordering in conventie voor zover gericht tegen [geïntimeerde] toegewezen en voor zover gericht tegen [geïntimeerde] afgewezen. De reconventionele vordering van [geïntimeerde] tot opheffing van het beslag is eveneens toegewezen. Tegen de beslissingen in conventie en de daaraan ten grondslag liggende motivering komen [appellanten] met een vijftal grieven op. [geïntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld.
3.4
De rechtbank heeft haar beslissing, dat de vordering jegens [geïntimeerde] dient te worden afgewezen, gemotiveerd met het oordeel dat de intrekking van de vergunningen en de daardoor ontstane schade niet kan worden toegerekend aan het handelen van [geïntimeerde] . Volgens de rechtbank was het onderzoek van justitie met name gericht op [geïntimeerde] , die uiteindelijk ook veroordeeld is voor het handelen in verdovende middelen vanuit het restaurant. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat zowel de zaak tegen [appellant 3] als de zaak tegen [geïntimeerde] is geseponeerd. Tegen deze overwegingen zijn de
grieven 1, 2, 3 en 4gericht. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Maatstaf
3.5
Het hof stelt voorop dat, anders dan [appellanten] betogen in de toelichting op
grief 2, voor het aannemen van aansprakelijkheid van [geïntimeerde] niet voldoende is dat [geïntimeerde] werd verdacht van opiumdelicten, en dat die verdenking, met toepassing van het toetsingskader van de Wet Bibob, heeft geleid tot intrekking van de vergunningen door de gemeente. Voor aansprakelijkheid is nodig dat de verdenkingen waarop de intrekking van de vergunningen is gebaseerd ook daadwerkelijk zijn komen vast te staan en dat die intrekking aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. In zoverre faalt grief 2. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] voor de schade van [appellanten] aansprakelijk kan worden gehouden. Daartoe wordt het volgende overwogen.
3.6
[appellanten] stellen dat zowel [geïntimeerde] als [geïntimeerde] veroordeeld zijn in verband met de verdenkingen die hebben geleid tot intrekking van de publiekrechtelijke vergunningen. In dat verband hebben [appellanten] in appel een incidentele vordering op de voet van artikel 843a (oud) Rv ingesteld, waarmee zij beogen inzage te krijgen in het strafdossier van [geïntimeerde] , zodat zij hun stellingname met betrekking tot [geïntimeerde] op dit punt nader kunnen onderbouwen. In reactie hierop heeft [geïntimeerde] in hoger beroep het hiervoor in rov. 2.8 genoemde strafvonnis overgelegd. Alhoewel dit vonnis grotendeels zwart is gemaakt, kan daaruit worden afgeleid dat [geïntimeerde] is veroordeeld voor het houden van een hennepkwekerij en het deelnemen aan een criminele organisatie. Voor zover [geïntimeerde] heeft betoogd dat die veroordeling enkel zag op hennepteelt in de privésfeer en dus losstond van de verdenkingen ten aanzien van drugshandel vanuit het restaurant, heeft [geïntimeerde] dat naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de inhoud van het strafvonnis bij de mondelinge behandeling in hoger beroep met partijen is besproken en dat [geïntimeerde] en zijn advocaat bij die gelegenheid geen, althans onvoldoende opheldering hebben verschaft over de vraag hoe het strafvonnis precies moet worden begrepen. Dit had wel van hem verlangd mogen worden nu, blijkens het vonnis de veroordeling, naast de hennepkwekerij tevens betrekking heeft op deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid en 10a , eerste lid van de Opiumwet. Bij die stand van zaken heeft [geïntimeerde] de stellingname van [appellanten] , dat hij is veroordeeld in verband met de verdenkingen die hebben geleid tot intrekking van de publiekrechtelijke vergunningen, onvoldoende gemotiveerd betwist.
Het moet er derhalve voor worden gehouden dat deze intrekking (mede) aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. Voor zover [geïntimeerde] in dit verband heeft betoogd dat [appellant 3] medeaansprakelijk is, faalt dat betoog. De rechtbank heeft in rov. 4.3 van het bestreden vonnis vastgesteld dat de strafzaak tegen [appellant 3] is geseponeerd. [geïntimeerde] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat [appellant 3] zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, noch dat hij eraan debet is dat de verdenking daarvan op hem is komen te rusten. Dat bij de doorzoeking van het restaurant contant geld is aangetroffen is daarvoor onvoldoende, met name omdat die doorzoeking plaatsvond in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen [geïntimeerde] en [geïntimeerde] . De
grieven 1, 3 en 4slagen.
Aansprakelijkheid
3.7
Ervan uitgaande dat de intrekking van de publiekrechtelijke vergunningen (mede) aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend, is [geïntimeerde] tekortgeschoten in de nakoming van het vof-contract. Gelet op de redelijkheid en billijkheid die de onderlinge verhouding tussen vennoten in een vof mede beheersen, dienen vennoten zich te onthouden van gedragingen die de exploitatie van de door de vof gedreven onderneming in gevaar kunnen brengen. Dat gevaar heeft zich in dit geval, (mede) door de gedragingen van [geïntimeerde] verwezenlijkt. Voor zover [geïntimeerde] heeft betoogd dat hij zich met ingang van 31 juli 2018 uit het handelsregister heeft uitgeschreven kan hem dat niet baten, reeds omdat de strafbare gedragingen hebben plaatsgevonden in de periode daarvoor.
Causaal verband
3.8
Het hof is verder van oordeel dat de door [appellanten] gevorderde schade het gevolg is van de (mede) aan [geïntimeerde] te wijten intrekking van de publiekrechtelijke vergunningen en ook dat deze schade als het gevolg daarvan aan hem kan worden toegerekend. Aan het betoog van [geïntimeerde] , dat de schade ook zou zijn ontstaan als de aan hem verweten gedraging wordt weggedacht, gaat het hof om de volgende redenen voorbij.
Voor zover [geïntimeerde] zich in dit verband heeft beroepen op de verdenking jegens [appellant 3] , geldt dat er in hoger beroep van moet worden uitgegaan dat [appellant 3] zich niet schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvan hij aanvankelijk door het openbaar ministerie werd verdacht, noch dat hem kan worden aangerekend dat die verdenking op hem is komen te rusten; zie rov. 3.6. hiervoor. Die verdenking kan daarom niet tot de conclusie leiden dat causaliteit tussen de gedraging van [geïntimeerde] en de gevorderde schadevergoeding ontbreekt. Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd, strekt de geschonden norm ter bescherming van de schade die [appellanten] stellen te hebben geleden (het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW Pro).
Voor zover [geïntimeerde] een beroep heeft gedaan op de verdenking jegens [geïntimeerde] , is het hof van oordeel daaraan bij de beoordeling van de causaliteit geen zelfstandige betekenis toekomt. In dit verband hecht het hof belang aan het in hoger beroep overgelegde strafvonnis, waaruit volgt dat [geïntimeerde] is veroordeeld voor het deelnemen aan een criminele organisatie, alsmede aan de eigen stellingname van [geïntimeerde] dat hij onder druk van zijn vader werd meegenomen in diens criminele activiteiten. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de aan [geïntimeerde] verweten gedragingen verweven zijn met die van zijn vader. Evenmin staan de opzegging van de huurovereenkomst door [geïntimeerde] of de door [bedrijf] geïnitieerde ontruimingsprocedure aan het aannemen van causaal verband in de weg. Niet kan worden aangenomen dat de huur van de bedrijfsruimte ook zou zijn opgezegd of beëindigd indien de (mede) aan [geïntimeerde] verweten gedragingen achterwege zouden zijn gebleven en de publiekrechtelijke vergunningen niet zouden zijn ingetrokken.
Schade
3.9
[appellanten] hebben hun gezamenlijke schade, na vermindering van eis, begroot op € 84.939, dat is de winst die zij als vennoten in het jaar 2019 stellen te hebben misgelopen. [appellanten] hebben daarbij tot uitgangspunt genomen dat de te verwachten winst over 2019 € 190.000 bedroeg en dat de vof op het moment van intrekking van de publiekrechtelijke vergunningen vijf vennoten telde, die elke aanspraak konden maken op een gelijk aandeel in de winst.
3.1
Ter zitting bij het hof is gebleken dat partijen het eens zijn over het aantal vennoten. Bij de schadebegroting gaat het hof er dan ook vanuit dat er op het moment van intrekking van de publiekrechtelijke vergunningen vijf vennoten waren. Over het bedrag van € 190.000 zijn partijen het niet eens. [geïntimeerde] heeft in dit verband terecht opgeworpen dat de gemiddelde winst over de door [appellanten] genoemde referentiejaren 2015 (€ 125.314), 2016 (€ 190.267) en 2017 (€198.174) lager ligt en € 171.251 bedraagt. Het hof zal van dit gemiddelde uitgaan, temeer nu [appellanten] in hun berekening het resultaat over het jaar 2018 buiten beschouwing hebben gelaten en daarover ook bij de mondelinge behandeling in hoger beroep geen nadere opheldering hebben verschaft. Er zijn dan ook onvoldoende aanknopingspunten om uit te gaan van de stijgende lijn die [appellanten] in hun berekening hebben betrokken. Hiervan uitgaande neemt het hof voor het jaar 2019 een winstbedrag van € 171.251 tot uitgangspunt bij de begroting van de schade. Dit komt neer op een bedrag van € 34.250 per vennoot.
3.11
[appellanten] hebben erkend dat bij de berekening rekening moet worden gehouden met belastingheffing. In hun akte van 23 september 2025 hebben zij betoogd dat op het winstdeel een zelfstandigenaftrek van € 7.280 en een MKB-winstvrijstelling van 14% moet worden toegepast. Op de zodoende berekende belastbare winst dient 36,65% inkomstenbelasting te worden berekend. Deze berekening toepassend op het hiervoor door het hof berekende bedrag van € 34.250 leidt tot een netto bedrag aan gederfde winst van - afgerond - € 25.750 per vennoot.
3.12
Voor de vaststelling van de schade dienen, naar [geïntimeerde] terecht heeft betoogd, op de gederfde inkomsten in mindering te worden gebracht de eventuele inkomsten die [appellanten] in het jaar 2019 hebben genoten. [appellanten] hebben ten aanzien van [appellant 3] gesteld en met stukken onderbouwd dat hij in 2019 geen inkomsten uit arbeid of onderneming heeft genoten. De stelling ter zitting dat hij in 2019 een bijstandsuitkering genoot, blijkt op een misverstand te berusten. Die uitlering is pas later aangevraagd.
Ten aanzien van [appellant 1] en sr. is gesteld en met stukken onderbouwd, dat zij in 2019 naar [plaats 3] zijn vertrokken. De stelling van [geïntimeerde] dat zij daar inkomsten hebben genoten uit een restaurant, is gemotiveerd weersproken. Dat restaurant is pas in 2021 geopend. Uit de overgelegde stukken volgt dat [appellant 1] in 2019 geen inkomen had en dat [appellant 2] een ouderdomspensioen genoot van € 78 tot 84 per maand. [appellant 2] heeft evenwel onbetwist gesteld dat dit inkomen los staat van arbeidsprestaties, en dat dit inkomen ook zou zijn genoten bij voortzetting van de vof. De conclusie is dat [appellanten] in 2019 geen inkomsten hebben genoten die in mindering strekken op de gederfde winst.
Dit alles is door [geïntimeerde] onvoldoende weersproken. De suggestie van [geïntimeerde] dat de bijstandsuitkering van [appellant 3] mogelijk met terugwerkende kracht zou zijn uitgekeerd mist iedere onderbouwing. Dat geldt ook voor de suggestie dat door [appellanten] inkomsten zouden zijn genoten uit zwart werk.
De bij antwoordakte ingenomen stellingen van [geïntimeerde] dat [appellant 3] in 2019-2021 een huis zou hebben gekocht in [plaats 3] en een ticketverkooppunt op Schiphol heeft geopend, dienen als in strijd met de tweeconclusieregel buiten beschouwing te worden gelaten, en zijn overigens ook onvoldoende concreet.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de schade als volgt kan worden begroot.
[appellant 3] € 25.750
[appellant 1] € 25.750
[appellant 2] € 25.750
3.13
Het beroep dat [geïntimeerde] heeft gedaan op eigen schuld (artikel 6:101 BW Pro) passeert het hof. Deze stellingname is gebaseerd op het uitgangspunt dat [appellant 3] medeverantwoordelijk is voor de intrekking van de publiekrechtelijke vergunningen. Zoals reeds hiervoor overwogen in rov. 3.8 kan daarvan in hoger beroep echter niet worden uitgegaan.
Verrekening en (voorwaardelijke) reconventie
3.14
[geïntimeerde] heeft in het kader van zijn verweer in conventie een beroep gedaan op verrekening. In zijn voorwaardelijke eis in reconventie heeft [geïntimeerde] op basis hiervan ook een zelfstandige vordering ingesteld. Omdat de rechtbank de vordering in conventie jegens [geïntimeerde] heeft afgewezen, is het beroep op verrekening in eerste aanleg niet beoordeeld; hetzelfde geldt voor de voorwaardelijke eis in reconventie, waarvoor thans de voorwaarde voor behandeling is vervuld. Nu de grieven 1, 3 en 4 slagen zal het hof deze stellingname van [geïntimeerde] alsnog beoordelen.
3.15
In dit verband heeft [geïntimeerde] betoogd dat hij over de jaren 2017, 2018 en 2019 geen dan wel te weinig winst uitgekeerd heeft gekregen. Het nog openstaande bedrag over 2017 begroot hij op € 22.849,39. Voor de overige jaren gaat [geïntimeerde] uit van 20% van de winst over 2018 en 2019. [geïntimeerde] heeft zijn stellingname onderbouwd door het overleggen van bankafschriften over de jaren 2017 en 2018. Met betrekking tot de jaarstukken over 2018 en 2019 vordert [geïntimeerde] inzage op de voet van artikel 843a Rv.
3.16
Het hof stelt voorop dat [appellanten] geen conclusie van antwoord in reconventie hebben genomen. Wel hebben [appellanten] bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg aangevoerd dat de betalingen aan [geïntimeerde] contant zijn gedaan tot aan het moment dat hij werd gedetineerd. In dit verband is melding gemaakt van een Excel-overzicht dat werd bijgehouden door de boekhouder van de vof, waaruit van die contante betalingen zou blijken. Andere verweren tegen het beroep op verrekening zijn door [appellanten] niet aangevoerd. [geïntimeerde] heeft een en ander bestreden.
3.17
Het hof oordeelt dat [geïntimeerde] , in het licht van de gemotiveerde stellingen van [appellanten] onvoldoende heeft weersproken dat de betalingen gewoonlijk contant werden gedaan. Evenmin is weersproken dat deze betalingen door de boekhouder in een excelbestand werden bijgehouden. In het licht daarvan is zijn stelling dat hij nog aanspraak kan maken op winstuitkeringen niet voldoende onderbouwd met de enkele verwijzing naar zijn bankafschriften. Die stelling moet dan ook worden verworpen. De daarop gebaseerde vordering tot betaling van 20% van de winst zal worden afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering tot betaling van 20% van de opbrengst van de vereffening. Ter zitting in hoger beroep is namens [appellanten] onweersproken gesteld dat de activa van de onderneming zijn verkocht en dat op de opbrengst ervan beslag is gelegd door de verhuurder van de bedrijfsruimte in verband met de nog niet ingeloste huurschuld. Het hof gaat er daarom vanuit dat er geen vereffeningsopbrengsten zijn en er in dat opzicht dus niets te verdelen valt. Daarop strandt ook deze vordering. Hetgeen over deze vordering bij antwoordakte nog is aangevoerd zal als in strijd met de tweeconclusieregel buiten beschouwing worden gelaten.
Bij deze stand van zaken is er geen rechtmatig belang bij de door [geïntimeerde] gevorderde veroordeling tot inzage in de jaarcijfers van 2018 en 2019. Die vordering zal dan ook worden afgewezen.
Slotsom
3.19
De slotsom luidt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is jegens [appellanten] voor de schade die zij hebben geleden door de (mede) aan [geïntimeerde] toe te rekenen intrekking van de publiekrechtelijke vergunningen. Deze schade, die kan worden begroot op € [nummer] .750 per appellant, dient [geïntimeerde] aan [appellanten] te vergoeden. Aangezien het gaat om gederfde winst over het jaar 2019, zal de ingangsdatum van de wettelijke rente op 31 december 2019 worden vastgesteld.
3.2
Gezien het voorgaande behoeft
grief 5, die betrekking had op het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de tweede door [appellanten] aangevoerde grondslag van aansprakelijkheid (de opzegging van de huurovereenkomst) geen verdere bespreking.
Verder hebben [appellanten] , in het licht van het oordeel van het hof in rov. 3.5 hiervoor, geen belang meer bij inzage in het strafdossier van [geïntimeerde] . De hierop betrekking hebbende incidentele vordering van [appellanten] zal dan ook worden afgewezen. Het hof ziet aanleiding de proceskosten in het incident te compenseren.
3.21
Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. De bewijsaanbiedingen van partijen hebben geen betrekking op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel in deze zaak dienen te leiden en zullen daarom als niet ter zake dienend worden gepasseerd.
3.23
Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover betrekking hebbend op [geïntimeerde] , worden vernietigd. [geïntimeerde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
eerste aanleg:
- explootkosten € 99,01
- griffierecht € 81,00
- salaris advocaat € 2.440,00 (2x tarief € 1,770,00)
Totaal € 2.620,01
hoger beroep:
- explootkosten € 125,03
- griffierecht € 343,00
- salaris advocaat € 5.532,50 (tarief IV, 2,5 punten)
Totaal € 6.000,53

4.Beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst af de vordering van [appellanten]
bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt;
in de hoofdzaak:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarin de vordering in conventie jegens [geïntimeerde] is afgewezen en [appellanten] jegens [geïntimeerde] zijn veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 25 .750 aan [appellant 1] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2019 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 25 .750 aan [appellant 2] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2019 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 25 .750 aan [appellant 3] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2019 tot de dag van volledige betaling;
wijst af het beroep van [geïntimeerde] op verrekening;
wijst af de in voorwaardelijke reconventie ingestelde vorderingen van [geïntimeerde] ;
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties aan zijde van [appellanten] begroot op € 2.620,01 in eerste aanleg en tot op heden op € 6.000,53 in hoger beroep, en op € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, J.W. Hoekzema en M.E.M.G. Peletier en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.