AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep over bewijs vaststellingsovereenkomst en toekenning transitievergoeding en vakantiedagen
In deze civiele zaak stond centraal of de arbeidsovereenkomst tussen [appellante] en Ada Groep B.V. was geëindigd op basis van een vaststellingsovereenkomst waarvan de ondertekening door de werknemer werd betwist. Het hof stelde vast dat de werkgever niet in het bewijs was geslaagd omdat het beoogde deskundigenonderzoek niet kon plaatsvinden door het niet betalen van het voorschot door de werkgever.
Het hof ging daarom uit van het voortduren van de dienstbetrekking en wees de vordering tot uitbetaling van de transitievergoeding toe, met toepassing van de Xella-jurisprudentie. Daarnaast oordeelde het hof dat het in strijd met goed werkgeverschap was dat de werkgever zich op artikel 7:640 BWPro beriep om betaling van openstaande vakantiedagen te weigeren, aangezien de werkgever steeds had aangevoerd dat het dienstverband was geëindigd.
Verder werd vastgesteld dat de vakantietoeslag over de periode 1 mei 2017 tot en met 21 juli 2018 toekwam, verminderd met een netto bedrag, en dat de wettelijke rente en vertragingsrente verschuldigd zijn. De vordering tot uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen werd eveneens toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf de datum van het arrest.
De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, vakantietoeslag en niet-genoten vakantiedagen, alsmede in de proceskosten van beide instanties. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van transitievergoeding, vakantietoeslag en niet-genoten vakantiedagen met rente.
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 februari 2026
inzake
[appellante] ,
wonende te [plaats A] ,
appellante in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. H.J. Menger te Zaltbommel,
tegen
ADA GROEP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
advocaat: mr. R. Grijpstra te Almere.
Partijen worden hierna [appellante] en Ada Groep genoemd.
1.De zaak in het kort
Werkgever is niet in het bewijs geslaagd dat werknemer haar handtekening heeft gezet onder een vaststellingsovereenkomst, nu de inschakeling van de deskundige zoals in het tussenarrest was bepaald niet heeft kunnen plaatsvinden, omdat werkgever het betreffende voorschot niet heeft betaald. Daarom gaat het hof er van uit dat de dienstbetrekking tussen partijen nog niet is geëindigd. De vordering tot uitbetaling van de transitievergoeding wordt, met toepassing van de Xella-jurisprudentie, toegewezen. Het is in strijd met het goed werkgeverschap dat werkgever het werknemer tegenwerpt dat de openstaande vakantiedagen niet hoeven te worden uitbetaald vanwege het bepaalde in artikel 7:640 BWPro want het is juist werkgever die (anders dan door het hof nu is vastgesteld) steeds heeft aangevoerd dat het dienstverband al is geëindigd.
2.Het geding in hoger beroep
In deze zaak heeft het hof op 21 oktober 2025 een tussenarrest gewezen (hierna: het tussenarrest). Voor het verloop van het geding tot deze datum wordt naar het tussenarrest verwezen.
Beide partijen hebben op 18 november 2025 een akte genomen, Ada Groep met producties.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3.Verdere beoordeling in principaal appel
3.1
In het tussenarrest is (onder andere) beslist dat partijen zich op 18 november 2025 konden uitlaten over het voornemen van het hof een forensisch schriftexpert en documentdeskundige te benoemen en Ada Groep werd belast met het hiervoor te betalen voorschot. Ada Groep heeft er in haar akte van 18 november 2025 op gewezen dat Ada Groep met ingang van 31 augustus 2025 is vereffend. Op 15 oktober 2025 is in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat Ada Groep is opgehouden te bestaan. Ada Groep heeft er in haar akte op gewezen dat zij geen baten meer heeft. Er zijn daarom geen middelen aanwezig voor het beoogde forensisch deskundigenonderzoek naar de handtekening van [appellante] . Ada Groep heeft als producties bij deze akte gevoegd het origineel van de vaststellingsovereenkomst van 2 augustus 2018, het origineel van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, scans/kopieën van het rijbewijs en de Nederlandse identiteitskaart van [appellante] , een kopie/scan van een eerdere arbeidsovereenkomst van [appellante] met haar werkgever Imrezorg met daarop haar handtekening, alsmede een koopovereenkomst aangegaan door [appellante] op 2 juli 2013 met daarop haar handtekening. Ada Groep wijst er op dat de handtekeningen van [appellante] in vorm, lengte en opbouw sterk variëren. Ada Groep handhaaft haar stelling dat de handtekening op de aangeleverde vaststellingsovereenkomst van [appellante] is.
3.2
[appellante] heeft in haar akte van 18 november 2025 geschreven zich te kunnen verenigen met het voornemen tot benoeming van de betreffende deskundige, met het voorschot en de door het hof te stellen vragen. Zij heeft daar haar wens aan toegevoegd dat de deskundige ook onderzoek zal doen naar het document en de (ouderdom) van de gebruikte inkt.
3.3
Het hof heeft in het tussenarrest (ov. 5.8) overwogen dat het gelet op de daarvoor (in ov. 5.7) genoemde overwegingen niet voor de hand ligt dat [appellante] heeft ingestemd met de door Ada Groep getoonde vaststellingsovereenkomst, hoewel ook het verweer van [appellante] niet eenduidig was. Omdat [appellante] de echtheid van haar handtekening op de vaststellingsovereenkomst stellig betwist, is Ada Groep in de gelegenheid gesteld de echtheid van die handtekening te bewijzen.
3.4
Ada Groep is in dat bewijs niet geslaagd, nu de inschakeling van de deskundige niet heeft kunnen plaatsvinden, omdat Ada Groep het betreffende voorschot niet heeft betaald. Hetgeen Ada Groep in haar akte van 18 november 2025 heeft aangevoerd vormt voor het hof geen aanleiding anders te oordelen dan in het tussenarrest is gebeurd. Uit de akte van [appellante] is niet af te leiden dat zij haar betwisting van de echtheid van haar handtekening op de vaststellingsovereenkomst heeft afgezwakt of ingetrokken. Het hof heeft, zoals genoemd in het tussenarrest, overwogen dat het niet voor de hand ligt dat [appellante] heeft ingestemd met de vaststellingsovereenkomst en het hof blijft daarbij. Het hof zal daarom voorbijgaan aan het verweer van Ada Groep dat [appellante] middels een vaststellingsovereenkomst omstreeks 2 augustus 2018 afstand heeft gedaan van haar vorderingen.
3.5
Het hof heeft in het tussenarrest al geoordeeld dat het beroep van Ada Groep, dat [appellante] haar rechten heeft verwerkt dan wel dat de vorderingen van [appellante] stranden op een schending van haar klachtplicht, niet slagen. Het verweer van Ada Groep dat [appellante] haar verzoek tot uitbetaling van de transitievergoeding bij verzoekschrift had moeten indienen, en niet bij dagvaarding, slaagt evenmin. Nu de kantonrechter zich in het bestreden vonnis inhoudelijk heeft uitgelaten over zowel de vorderingen van [appellante] als die van Ada Groep, verzet de goede procesorde en de proceseconomie zich er tegen dat een deel van die claims (te weten betrekking hebben op de transitievergoeding) terugverwezen zou moeten worden naar de verzoekschriftprocedure. Ada Groep heeft ook geen inhoudelijk belang aangevoerd om dat te doen.
3.6
Het hof komt daarmee toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [appellante] . Het hof constateert dat partijen wisselende standpunten hebben ingenomen met betrekking tot het wel of niet zijn beëindigd van het dienstverband. In eerste aanleg stelde Ada Groep (dagvaarding randnummer 8) dat de arbeidsovereenkomst met [appellante] ‘in augustus 2018’ was beëindigd. [appellante] betwistte dit en stelde (conclusie van antwoord randnummer 38) dat de ‘arbeidsovereenkomst van [appellante] (…) nog niet (is) beëindigd’. Nadat de kantonrechter de reconventionele vorderingen van [appellante] tot betaling van de transitievergoeding en de niet-opgenomen vakantiedagen had afgewezen omdat ‘geconcludeerd (moet) worden dat tussen partijen nog steeds een dienstverband bestaat’, heeft [appellante] in hoger beroep gesteld (randnummer 9) dat het hof ‘ervan uit dient te gaan dat het dienstverband geëindigd is’, zeker nu [appellante] in haar brief van 25 maart 2025 Ada Groep verzocht heeft de arbeidsovereenkomst tegen de kortst mogelijke termijn op te zeggen, aan welk verzoek Ada Groep geen uitvoering heeft gegeven. [appellante] heeft echter niet onderbouwd op grond waarvan het hof ervan uit dient te gaan dat het dienstverband geëindigd is, en de brief aan Ada Groep inhoudend een verzoek om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, strookt ook niet met die veronderstelling. Ada Groep heeft in hoger beroep herhaald dat de arbeidsovereenkomst met de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst in juli 2018 is beëindigd.
Nu [appellante] de betreffende vorderingen instelt, en uit [appellante] ten processe ingenomen standpunten moet worden afgeleid dat zij er zelf van uitgaat dat het dienstverband tussen haar en Ada Groep nog niet is geëindigd, kunnen [appellante] vorderingen, voor zover zij er op gebaseerd zijn dat het dienstverband al is geëindigd, niet slagen, nu zij een deugdelijke feitelijke grondslag ontberen.
3.7
[appellante] baseert haar vordering tot uitbetaling van de transitievergoeding ook op de zogenaamde Xella-jurisprudentie. Zij heeft op 25 maart 2025 aan Ada Groep verzocht de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Op dat moment was [appellante] ruim langer dan twee jaar arbeidsongeschikt zonder dat er een uitzicht bestond op herstel. Het door Ada Groep geen gevolg geven aan dat verzoek betekent dat Ada Groep handelt in strijd met het goed werkgeverschap, als gevolg waarvan [appellante] aanspraak heeft op een transitievergoeding. Deze transitievergoeding bedraagt, naar onweersproken is gesteld en zoals het hof ook juist voorkomt, € 3.556,30 bruto. Dit bedrag zal worden toegewezen. Daarmee behoeft de subsidiaire vordering onder IV, om Ada Groep te bevelen de arbeidsovereenkomst op te zeggen, en die daarmee gekoppeld is aan het betalen van een transitievergoeding, geen bespreking meer.
3.8
Voor toekenning van de gevorderde vakantietoeslag, waarmee kennelijk bedoeld is: vakantiebijslag zoals genoemd in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (verder: Wmm), is niet vereist dat het dienstverband is geëindigd. Het hof heeft in het tussenarrest echter al overwogen dat de vordering aangaande het vakantiegeld is verjaard voor zo ver deze betrekking heeft op rechten opgebouwd vóór mei 2018, aangezien [appellante] Ada Groep eerst op 4 mei 2023 heeft verzocht om uitbetaling van dat vakantiegeld. In de arbeidsovereenkomst is niets bepaald over vakantiebijslag. Op grond van artikel 17 WmmPro wordt de vakantiebijslag, behoudens afwijkende afspraak, in de maand juni betaald. Bij gebreke van een afwijkende afspraak diende Ada Groep de vakantiebijslag over het tijdvak 1 mei 2017 tot en met 31 mei 2018 in de maand juni 2018 te betalen. Met haar brief van 4 mei 2023 heeft [appellante] de verplichting tot betaling van dit bedrag tijdig gestuit. Het salaris over genoemde periode van 1 mei 2017 tot en met 31 mei 2018 bedroeg (12 x € 3.860 =) € 46.320,- bruto. Acht procent vakantiebijslag hierover bedraagt € 3.705,60 bruto. Over de periode 1 juni 2018 tot 21 juli 2018 heeft [appellante] € 6.350,32 bruto aan salaris ontvangen. De hierbij behorende vakantiebijslag bedraagt 8% van dat bedrag, zijnde € 508,03 bruto. Deze bedragen (bij elkaar € 4.213,63 bruto) zullen worden toegewezen, echter – zoals door [appellante] gevorderd - onder vermindering van € 2.614,60 netto. Over dit (eventuele) restant wordt de wettelijke rente toegekend, te rekenen vanaf 4 mei 2023, alsmede de wettelijke vertragingsrente ex artikel 7:625 BWPro ter grootte van 50%.
3.9
[appellante] vordert uitbetaling van haar toekomende vakantiedagen en voert daarbij primair aan dat het dienstverband als beëindigd dient te worden beschouwd. Zoals onder 3.6 is overwogen, kan er hierbij echter niet van worden uitgegaan dat het dienstverband met haar al is geëindigd. De zogenaamde wettelijke vakantiedagen kunnen vanwege het bepaalde in artikel 7:640 lid 1 BWPro niet tijdens het dienstverband worden afgekocht; evenmin kan daarvan dan uitbetaling worden gevorderd. Dit verbod op afkoop geldt niet voor de zogenaamde bovenwettelijke vakantiedagen, mits bij schriftelijke overeenkomst van het bepaalde in artikel 7:640 lid 1 BWPro is afgeweken. Van een dergelijke afwijkende afspraak is niet gebleken. [appellante] heeft ook niet gesteld welk deel van haar vordering betrekking heeft op eventuele bovenwettelijke dagen. Als onvoldoende onderbouwd strandt [appellante] primaire onderbouwing van haar vordering daarom op het bepaalde in artikel 7:640 BWPro. [appellante] geeft als subsidiaire onderbouwing van haar vordering dat Ada Groep in strijd handelt met het goed werkgeverschap door de niet genoten vakantiedagen niet uit te betalen.
Ada Groep betwist de vordering tot uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen door allereerst te verwijzen naar de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Hierbij is overwogen dat dit verweer niet slaagt. Voorts voert Ada Groep aan dat [appellante] diverse malen met toestemming van Ada Groep in Turkije verbleef. Voor zover Ada Groep hiermee bedoelt het door [appellante] genoemde aantal openstaande vakantiedagen te betwisten gaat het hof daaraan voorbij, nu dit verweer onvoldoende is geconcretiseerd. Ada Groep wijst er, ten derde, op dat vakantiedagen vervallen op 1 juli na het jaar waarin ze zijn opgebouwd. [appellante] heeft in dat verband onweersproken gesteld dat Ada Groep haar niet heeft gewaarschuwd voor het mogelijkerwijs vervallen van die (wettelijke) dagen. Gelet hierop verwerpt het hof het betoog van Ada Groep dat de wettelijke vakantiedagen zoals opgebouwd in 2016, op 1 juli 2017 kwamen te vervallen, en de wettelijke vakantiedagen zoals opgebouwd in 2017, op 1 juli 2018 kwamen te vervallen. Dan resteert de vraag of Ada Groep handelt in strijd met het op haar rustende goed werkgeverschap, door het [appellante] tegen te werpen dat de openstaande vakantiedagen niet hoeven te worden uitbetaald vanwege het bepaalde in artikel 7:640 BWPro. Het hof is van oordeel dat dat inderdaad het geval is, vanwege de volgende omstandigheden. (i) Het is juist Ada Groep die steeds heeft aangevoerd dat het dienstverband wel is geëindigd. Dat wordt nog eens bevestigd door de omstandigheid dat Ada Groep naar eigen zeggen heeft opgehouden te bestaan. (ii) Weliswaar had ook [appellante] een dergelijke beëindiging kunnen bewerkstelligen, door zelf de arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar dat heeft zij – begrijpelijkerwijs – niet gedaan omdat dat haar aanspraak op een transitievergoeding zou belemmeren. (iii) Door te handelen zoals zij heeft gehandeld tracht Ada Groep [appellante] te weerhouden uitbetaling van niet-opgenomen vakantiedagen te krijgen, zonder dat daar enige rechtens te respecteren grond voor bestaat. Dat is in strijd met goed werkgeverschap. Het door [appellante] gevorderde bedrag van € 9.150,58 bruto is voor het overige niet weersproken. Dit bedrag zal worden toegewezen. Omdat pas met dit arrest de betalingsverplichting van Ada Groep ter zake is komen vast te staan, is de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BWPro nog niet aan de orde. De wettelijke rente wordt toegekend te rekenen vier weken na het wijzen van dit arrest.
3.1
Partijen hebben geen bewijs aangeboden van feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
3.11
De conclusie is dat de grieven in principaal appel slagen. In het tussenarrest is al geoordeeld dat de grieven in incidenteel appel falen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Ada Groep in de proceskosten in eerste aanleg in conventie en reconventie worden veroordeeld en in de proceskosten in principaal en incidenteel appel.
4.Beslissing
Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel appel:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij in reconventie de vorderingen van [appellante] zijn afgewezen
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Ada Groep tot betaling aan [appellante] van:
€ 3.556,30 bruto ter zake van transitievergoeding;
€ 4.213,63 bruto ter zake van vakantietoeslag, genoemd bedrag verminderd met € 2.614,60 netto, het restant vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 4 mei 2023, alsmede met de wettelijke vertragingsrente ex artikel 7:625 BWPro ter grootte van 50%.
€ 9.150,58 bruto ter zake van niet-opgenomen vakantiedagen, genoemd bedrag vermeerderd met de wettelijke rente toegekend, te rekenen vanaf 3 maart 2026;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
veroordeelt Ada Groep in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg in conventie aan de zijde van [appellante] begroot op € 1.630,- voor salaris en in reconventie aan de zijde van [appellante] begroot op € 812,- voor salaris en in hoger beroep in principaal appel tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op € 937,42 aan verschotten en € 3.927,50 voor salaris en in incidenteel appel tot op heden op € 1.571,- voor salaris; te vermeerderen met € 278,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, I.A. van der Burg en S.M.M. Garben en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.