ECLI:NL:GHAMS:2026:309

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.353.841/01 en 200.353.841/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Haags HuwelijksvermogensverdragArt. 4 lid 1 Haags HuwelijksvermogensverdragArt. 11 Haags HuwelijksvermogensverdragArt. 1:100 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof bevestigt Nederlands recht op huwelijksvermogensregime en regelt verdeling van onroerend goed en vermogen na echtscheiding

Partijen zijn in 2017 in Turkije gehuwd en zijn in Nederland woonachtig. De rechtbank Noord-Holland had geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en de verdeling van de gemeenschap van goederen. De man stelde dat Turks recht van toepassing is en voerde meerdere grieven aan tegen de verdeling van onroerend goed en vermogen.

Het hof oordeelt dat partijen geen geldige rechtskeuze hebben gemaakt en dat het eerste huwelijksdomicilie binnen zes maanden na het huwelijk in Nederland is gevestigd. Daarom is Nederlands recht van toepassing. De man heeft onvoldoende bewijs geleverd dat partijen duurzaam in Turkije hebben gewoond na het huwelijk.

De verdeling van de woning aan de [A-straat] wordt gebaseerd op een taxatiewaarde, niet de WOZ-waarde, en de man moet de kosten van de overdracht dragen. Verzoeken van de man voor een betalingsregeling en afwijkende verdeling van de overwaarde van de woning aan de [B-straat] worden afgewezen. Het hof wijst ook verzoeken af over energiekosten, beslagkosten en sieraden wegens onvoldoende onderbouwing.

Het hof vernietigt het deel van de beschikking over taxatie van het appartement in Turkije en bepaalt dat de vrouw € 30.000 aan de man moet betalen. Het verzoek tot schorsing wordt afgewezen omdat het belang is komen te vervallen. De overige verzoeken van de man worden afgewezen en de rest van de beschikking wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en regelt de verdeling van onroerend goed en vermogen, waarbij de meeste verzoeken van de man worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.353.841/01 en 200.353.841/02
zaaknummers rechtbank: C/15/337467 / FA RK 23-1044 en C/15/342110 / FA RK 23-3414
beschikking van de meervoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verzoeker in het incident,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. L.W. Castelijns te Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
verweerster in het incident,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H. Tülü te Alkmaar.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de afwikkeling van de echtscheiding van partijen en de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.
1.2
De rechtbank Noord-Holland (Alkmaar) heeft in een beschikking van 1 april 2025 beslist dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en de verdeling van de (algehele) gemeenschap van goederen van partijen naar Nederlands recht afgewikkeld. De man is het hier niet mee eens, hij is van mening dat Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Als het hof zou oordelen dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime is de man het op sommige onderdelen niet eens met de beschikking van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
De man is op 23 april 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking). Daarbij heeft de man onder andere hoger beroep ingesteld tegen de echtscheiding (zaaknummer: 200.353.841/01). De man heeft daarnaast verzocht de werking van de bestreden beschikking te schorsen ten aanzien van de verdeling van de voormalig echtelijke woning aan de [A-straat] te [plaats A] , de verdeling van de overwaarde van de woning aan de [B-straat] te [plaats A] en de verdeling van het appartement te [plaats C] (Turkije) (zaaknummer: 200.353.841/02).
2.2.
De vrouw heeft op 21 mei 2025 een verweerschrift tegen het schorsingsverzoek ingediend.
2.3.
De vrouw heeft op 11 juni 2025 een verweerschrift in de hoofdzaak, met daarbij de producties 9 en 10, ingediend.
2.4.
Het hoger beroep tegen de echtscheiding en het schorsingsverzoek zijn ter zitting van 12 juni 2025 behandeld. Bij beschikking van 15 juli 2025 heeft dit hof de man niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de echtscheiding. Daarnaast is de werking van de bestreden beschikking geschorst voor zover het betreft:
- de verdeling van de voormalig echtelijke woning aan de [A-straat] te [plaats A] ,
- de verdeling van de overwaarde van de woning aan de [B-straat] te [plaats A] ,
- de verdeling van het appartement te [plaats C] .
Verder is bepaald:
- dat deze schorsing vooralsnog werking heeft tot de beslissing van het hof op het
aangehouden deel van het schorsingsverzoek;
- dat de beslissing op het schorsingsverzoek voor het overige wordt aangehouden;
- dat de verdere behandeling van het schorsingsverzoek zal plaatshebben gelijktijdig
met de behandeling van de hoofdzaak in de zaak met zaaknummer 200.353.841/01.
2.5.
Het hof heeft op 15 september 2025 van de zijde van de vrouw productie 11 ontvangen. Het hof heeft op dezelfde dag van de zijde van de man een brief met aanvullende producties 11 t/m 33 tevens wijziging van eis ontvangen. Mr. Tülu heeft op 16 september 2025 bezwaar gemaakt tegen deze stukken. Het hof heeft mr. Castelijns in de gelegenheid gesteld op het bezwaar te reageren. De reactie van mr. Castelijns is op 17 september 2025 bij het hof ingekomen.
2.6.
Het hof heeft partijen op 18 september 2025 (per e-mail) bericht dat het hof vooralsnog geen aanleiding ziet de vermeerdering van het verzoek buiten beschouwing te laten en dat dit ook geldt voor de daarop ziende producties 31 tot en met 33. Ook productie 11 van de zijde van de man, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de zaak bij de rechtbank op 4 maart 2025, zal worden toegelaten, terwijl de toelaatbaarheid van de overige stukken ter zitting zal worden besproken.
2.7.
De zitting heeft op 25 september 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door J. Magomedhanova, een tolk in de Russische taal.
2.8.
Ter zitting is, partijen gehoord, besloten dat de door de man op 15 september 2025 ingediende producties 12 t/m 30 en de toelichting daarop niet worden toegestaan vanwege strijd met de goede procesorde. Daartoe is overwogen dat het omvangrijke stukken betreffen die eerder bekend waren, en de vrouw door de stukken zo laat over te leggen in haar verdediging is geschaad. De aanvullende verzoeken (die zien op vorderingen die zijn ontstaan na het instellen van het hoger beroep) en de daarop ziende producties 31 tot en met 33, en de al eerder genoemde productie 11 zijn wel toegestaan.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2017 gehuwd te [plaats C] , Turkije. De vrouw had ten tijde van het huwelijk alleen de Russische nationaliteit. Zij heeft op 16 april 2021 ook de Nederlandse nationaliteit gekregen. De man had ten tijde van het huwelijk en heeft ook nu de Turkse en Nederlandse nationaliteit.
3.2.
De echtscheiding is uitgesproken bij beschikking van 1 april 2025. De man heeft hoger beroep ingesteld van de echtscheiding. Dit hof heeft de man bij beschikking van 15 juli 2025 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de echtscheiding.
3.3.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de echtelijke woning aan de [A-straat] te [plaats A] . Deze woning is op 30 juni 2021 aan partijen geleverd. Op de woning rust een hypothecaire lening bij Aegon met nummers [00] en [000 ] (aflossingsvrij deel) en [0000] (annuïtair af te lossen deel).
3.4.
De man heeft de woning aan de [B-straat] te [plaats A] voorafgaand aan het huwelijk verkregen, namelijk op 23 mei 2001. De woning is inmiddels verkocht en geleverd aan een derde. De overwaarde bedroeg € 110.179,11.
3.5.
De vrouw heeft voorafgaand aan het huwelijk een appartement in [plaats C] , Turkije in eigendom verkregen.

4.De omvang van het hoger beroep (zaaknummer 200.353.841/01)

4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en, voor zover van belang:
- de wijze van verdeling van de echtelijke woning gelast zoals vermeld in overweging 2.5.19 tot en met 2.5.23 van de beschikking van de rechtbank;
- bepaald dat de gerealiseerde overwaarde van de woning aan de [B-straat] te [plaats A] van € 110.179,11 bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld;
- het appartement te [plaats C] in Turkije aan de vrouw toegedeeld, onder de verplichting de helft van de nog te taxeren waarde van het appartement aan de man te vergoeden.
4.2.
De man verzoekt in hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
wanneer Turks recht van toepassing is
voor recht te verklaren dat:
- het appartement in [plaats C] behoort tot het privévermogen van de vrouw;
- de woning althans verkoopopbrengst van de [B-straat] behoort tot het privévermogen van de man;
- de woning aan de [A-straat] behoort tot het privévermogen van de man (uit hoofde
van persoonlijk vermogen danwel bijdrage vergoeding vanwege investering in een goed);
- de lening van de man aan zijn broer tot het privévermogen van de man behoort;
- de bankrekeningen op naam van de vrouw respectievelijk de man tot het privévermogen behoren van degene op wiens naam de bankrekening is gesteld;
- de vrouw gehouden is de helft van de door de man reeds betaalde factuur van 5 januari 2023
voor de energiekosten van € 5.107,56, aldus een bedrag van € 2.553,78, aan de man te
voldoen.
wanneer het wagonstelsel en dus Nederlands recht met ingang van 16 april 2021 (verkrijging
Nederlanderschap vrouw) van toepassing is(beperkte gemeenschap van goederen) voor recht te verklaren dat:
- het appartement in [plaats C] behoort tot het privévermogen van de vrouw, reden waarom zij geen vergoeding aan de man verschuldigd is;
- de woning althans volledige verkoopopbrengst van de [B-straat] behoort tot het
privévermogen van de man, reden waarom het (eerdere) bedrag in depot (beslag) ad € 55.089,55 aan de man toekomt althans, voor zover het beslag geen doel getroffen heeft, de vrouw gehouden is dit bedrag aan de man te voldoen binnen twee weken na de in dezen te geven beschikking;
- de woning aan de [A-straat] behoort tot het privévermogen van de man (uit hoofde
van zaaksvervanging), reden waarom de man geen vergoeding aan de vrouw verschuldigd is, danwel dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw ter grootte van € 55.000,- (aflossing 15 april 2022) alsook aflossing van € 115.244,- (aflossing 18 augustus 2023) welke vergoedingsrechten vermeerderd dienen te worden met de nog nader te bepalen waardestijging van de woning, welk vergoedingsrecht verrekend wordt met het aan de vrouw uit te keren aandeel in de overwaarde bij toescheiding c.q. levering van de woning aan de man;
- de lening van de man aan zijn broer tot het privévermogen van de man behoort;
- de bankrekeningen op naam van de vrouw respectievelijk de man tot het beperkte huwelijksvermogen van partijen behoren, waarbij de bankrekeningen op naam van de vrouw
respectievelijk de man worden toegescheiden aan degene op wiens naam de bankrekening is gesteld, onder verdeling van het saldo per peildatum 16 februari 2023;
- de vrouw gehouden is de helft van de door de man reeds betaalde factuur van 5 januari 2023
voor de energiekosten van € 5.107,56, aldus een bedrag van € 2.553,78, aan de man te voldoen.
wanneer Nederlands recht van toepassing is(gemeenschap van goederen)
te verklaren voor recht dat:
- het appartement in [plaats C] behoort tot het huwelijksvermogen van partijen, welk appartement
aan de vrouw wordt toegescheiden, waarbij de vrouw aan de man verschuldigd is de helft van de nader vast te stellen overwaarde, waarbij de vrouw gehouden is medewerking te verlenen aan de taxatie van haar appartement door een door de man aan te wijzen makelaar in Turkije binnen drie maanden na afgifte van de in dezen te wijzen beschikking op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft;
- de woning althans volledige verkoopopbrengst van de [B-straat] behoort tot het huwelijksvermogen van partijen, reden waarom het (eerdere) bedrag in depot (beslag) ad € 55.089,55 aan de vrouw toekomt, maar pas opeisbaar is na verrekening met de door de vrouw aan de man verschuldigde helft van de overwaarde uit het appartement te [plaats C] ;
- de woning aan de [A-straat] behoort tot het huwelijksvermogen van partijen, welke woning aan de man wordt toegescheiden en geleverd voor de WOZ-waarde van € 493.000,-,
waarbij de man gehouden is aan de vrouw te voldoen de helft van het verschil tussen € 493.000,- minus het nog nader te overleggen hypotheeksaldo per 3 maart 2023, welke levering aan de man plaatsvindt uiterlijk drie maanden nadat de verrekening van het appartement in [plaats C] en de verkoopopbrengst van de [B-straat] heeft plaatsgevonden waarbij de man een betalingsregeling wordt gegund waarin hij de aan de vrouw toekomende overwaarde op een termijn van 5 jaar aan haar voldoet;
- de lening van de man aan zijn broer tot het huwelijksvermogen van partijen behoort, reden waarom de vrouw gehouden is een bedrag van € 50.000,- aan de man te betalen binnen twee weken na de in dezen af te geven beschikking, althans welk bedrag verrekend wordt bij de uitbetaling van haar aandeel in de overwaarde van [A-straat] aan de vrouw;
- de bankrekeningen op naam van de vrouw respectievelijk de man tot het huwelijksvermogen
van partijen behoren, waarbij de bankrekeningen op naam van de vrouw respectievelijk de man worden toegescheiden aan degene op wiens naam de bankrekening is gesteld, onder verdeling van de saldi per peildatum 16 februari 2023;
- de vrouw gehouden is de helft van de door de man reeds betaalde factuur van 5 januari 2023
voor de energiekosten van € 5.107,56, aldus een bedrag van € 2.553,78, aan de man te voldoen;
althans een zodanige afwikkeling van het huwelijksvermogen, betalingstermijn en dwangsom vast te stellen als het hof juist acht.
4.3.
De man heeft zijn verzoeken vermeerderd bij brief van 15 september 2025 in die zin dat hij tevens verzoekt:
I. De vrouw te veroordelen tot het voldoen van de beslagkosten ad € 5.712,71 die de man heeft voldaan voor het beslag op het deel van (de vrouw in) de overwaarde van de woning aan de [B-straat] , te vermeerderen met de wettelijke rente, binnen twee weken na de te wijzen beschikking, althans een zodanig bedrag en een zodanige termijn als het hof juist acht;
II. te bepalen dat de waarde van de juwelen die de vrouw in haar bezit heeft van € 11.600,- moet worden verrekend in de afwikkeling van het huwelijksvermogen op zodanige wijze dat aan de man de helft van dit bedrag toekomt, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht.
4.4.
De vrouw verzoekt het hoger beroep van de man te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
De man is met dertien grieven in hoger beroep gekomen. Op grief 1 (de echtscheiding) is al beslist bij beschikking van 15 juli 2025. De overige grieven en de aanvullende verzoeken, zoals hiervoor onder 4.3 uiteen gezet, zullen hierna worden besproken.
Toepasselijk recht
5.2.
Aan het hof ligt de vraag voor welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat, omdat partijen geen eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting in eenzelfde land hebben gehad en zij bij of kort na de huwelijkssluiting evenmin over eenzelfde nationaliteit beschikten, het huwelijksvermogensregime op grond van artikel 4 lid 3 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag wordt beheerst door het interne recht van het land waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen het nauwst verbonden is. Naar het oordeel van de rechtbank geldt Nederlands recht in dit geval als “het meest verbonden recht”.
De grieven 2 t/m 5 van de man zijn gericht tegen dit oordeel van de rechtbank. Deze grieven worden hierna, waar mogelijk gezamenlijk, besproken.
Rechtskeuze
5.3.
In zijn tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen geen rechtskeuze hebben uitgebracht. Partijen hebben geen directe rechtskeuze uitgebracht in huwelijkse voorwaarden, maar zij hebben volgens de man wel een indirecte rechtskeuze uitgebracht. Dit volgt volgens hem uit de intentie van partijen. Hij voert daartoe aan dat partijen in Turkije zijn gehuwd, dat zij voor de huwelijksvoltrekking al in Turkije woonden en dat de man zich 5 maanden na de huwelijksvoltrekking heeft ingeschreven op het adres van de vrouw in [plaats C] . Partijen hebben volgens de man de eerste acht maanden na hun huwelijk in [plaats C] gewoond. De man is in die periode maar twee keer naar Nederland gevlogen om zijn dochters te zien. De indirecte rechtskeuze voor Turks recht blijkt volgens de man ook uit het protocol uit 2021 waarbij de vrouw heeft verklaard niks te willen ontvangen van de man bij een echtscheiding, conform Turks recht. De vrouw woonde toen in Nederland en verkreeg dat jaar de Nederlandse nationaliteit. Dat partijen desondanks ervoor hebben gekozen om naar Turks recht een Turks protocol op te stellen geeft hun intentie weer dat Turks recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing is.
5.4.
De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Volgens haar hebben partijen nooit een rechtskeuze gemaakt, niet uitdrukkelijk en niet stilzwijgend. Zij hebben vanaf het begin het voornemen gehad zich in Nederland te vestigen, wat zij ook gedaan hebben toen dat praktisch mogelijk was. Bovendien vereist artikel 3 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag een uitdrukkelijke rechtskeuze voor het huwelijk. Dit verdrag biedt geen ruimte voor een indirecte of stilzwijgende keuze.
5.5.
Het hof overweegt als volgt. Het toepasselijk recht moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaald in het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978, Trb. 1988, 130 (hierna: het verdrag) In artikel 3 van Pro het verdrag staat dat het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het interne recht dat de echtgenoten vóór het huwelijk hebben aangewezen. Op grond van artikel 11 moet Pro de aanwijzing van het toepasselijke recht uitdrukkelijk zijn overeengekomen of ondubbelzinnig voortvloeien uit huwelijkse voorwaarden. Niet in geschil is dat partijen geen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. Evenmin hebben zij op andere wijze een uitdrukkelijke rechtskeuze gemaakt als bedoeld in genoemd artikel. Op grond van artikel 4 van Pro het verdrag is het huwelijksvermogensrecht van toepassing van het land waar partijen hun eerste gemeenschappelijke huwelijksdomicilie (of eerste gewone verblijfplaats) hebben.
Eerste gewone verblijfplaats
5.6.
De grieven drie en vier van de man zien op de eerste gewone verblijfplaats van partijen. In zijn derde grief stelt de man zich op het standpunt dat partijen hun eerste gewone verblijfplaats in Turkije hebben gehad. De vierde grief is – onder verwijzing naar grief drie - gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen geen eerste gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben gehad.
De man vindt het onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft geoordeeld dat hij zijn standpunt dat de eerste gewone verblijfplaats van partijen in Turkije was, onvoldoende heeft onderbouwd. De vrouw heeft niet betwist dat hij bij haar verbleef en bij haar stond ingeschreven, terwijl volgens de man ook vaststaat dat de vrouw voor 23 augustus 2017 niet in Nederland is geweest. De rechtbank heeft enerzijds overwogen dat uit de BRP blijkt dat de man in Nederland stond ingeschreven, maar anderzijds dat uit de inschrijving van de man op het adres van de vrouw in Turkije niet kan worden afgeleid dat de man in Turkije is gaan wonen. Dit is tegenstrijdig. De man was er niet mee bekend dat uitschrijving uit de BRP verplicht is bij een verblijf van meer dan acht maanden in het buitenland.
Volgens de man blijkt uit de feiten en de stukken dat partijen gedurende acht maanden na de huwelijksvoltrekking in Turkije hebben samengewoond. Zij hebben elkaar in Turkije ontmoet en zijn daar [in] 2017 gehuwd. De man is na de huwelijksvoltrekking slechts twee keer naar Nederland gevlogen om zijn dochters te zien. De man heeft in eerste aanleg ter onderbouwing van zijn standpunt pinactiviteiten in Turkije overgelegd. De rechtbank heeft overwogen dat deze pinactiviteiten overeenkomen met de door de vrouw genoemde periodes waarin de man haar zou hebben opgezocht. Volgens de man klopt dit niet; hij heeft de pinactiviteiten overgelegd omdat de vrouw aanvankelijk stelde dat de man die periode in Nederland verbleef.
De man wijst erop dat in de jurisprudentie wordt aangenomen dat het eerste huwelijksdomicilie binnen zes maanden na de huwelijksvoltrekking wordt gevestigd. Duidelijk is dat de man vanaf juni 2017 (vijf maanden na de huwelijkssluiting) ingeschreven stond op het adres van de vrouw. Het eerste huwelijksdomicilie van partijen was dus in Turkije. De vrouw is pas na acht maanden naar Nederland gekomen, zodat Nederland in ieder geval niet het eerste huwelijksdomicilie van partijen is geweest, aldus de man. In het verlengde van zijn stelling dat het eerste huwelijksdomicilie van partijen in Turkije was gevestigd, is de man het ook niet eens met het oordeel van de rechtbank dat partijen geen eerste huwelijksdomicilie in hetzelfde land hebben gehad (grief vier). De man heeft ter zitting in hoger beroep bewijs aangeboden van zijn stelling dat partijen na de huwelijkssluiting (tot zij naar Nederland kwamen) in Turkije samenwoonden, door het horen van getuigen (welke getuigen zijn genoemd in de pleitnota). De man heeft ter zitting in hoger beroep verder verklaard dat partijen aanvankelijk voor een vakantie naar Nederland zijn gegaan in juli 2017. Zij hebben uiteindelijk gekozen om in Nederland te blijven onder meer omdat de destijds nog minderjarige kinderen van de man in Nederland woonden.
5.7.
De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Volgens haar hebben partijen niet hun eerste gewone verblijfplaats in Turkije gehad, zoals de man stelt, maar in Nederland. De man heeft zich weliswaar ongeveer vijf maanden na het huwelijk ingeschreven op het adres van de vrouw in [plaats C] , maar dat had volgens de vrouw een formeel karakter. Het was niet de feitelijke woonsituatie. Uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat Nederland steeds de beoogde verblijfplaats was. De man keerde direct na de huwelijksvoltrekking terug naar Nederland, terwijl de vrouw in afwachting was van een visum. Uit de door de vrouw overgelegde brief van de IND blijkt dat al voor het huwelijk een eerste visumaanvraag is ingediend. De intentie van partijen om zich in Nederland te vestigen bestond dus, anders dan de man stelt, al voor juni 2017. De man heeft bovendien zijn sociale en economische leven duurzaam in Nederland ingericht. Hij heeft daar twee koopwoningen, zijn fiscale verplichtingen en zijn kinderen wonen in Nederland. Hij heeft geen eigen woning in Turkije en hij heeft geen enkel bewijs van een duurzaam verblijf daar overgelegd. De door de man overgelegde pintransacties tonen slechts een kort verblijf aan, dat overeenkomt met de door de vrouw overgelegde vliegtickets. Voor een verblijf van acht maanden ontbreekt ieder bewijs. De vrouw is van mening dat alles overziend Nederland de eerste gewone verblijfplaats van partijen is geweest.
Mocht het hof toekomen aan de vraag welk recht als het nauwst verbonden recht heeft te gelden, dan is de vrouw het eens met het oordeel van de rechtbank dat dit het Nederlands recht is.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw hieraan nog het volgende toegevoegd. De man heeft haar in de zomervakantie van 2017, toen zij haar visum had gekregen, in Turkije opgehaald om samen naar Nederland te gaan, waar zij zijn gaan samenwonen in het huis van de man. Partijen hebben steeds de bedoeling gehad om in Nederland te gaan wonen. Partijen wilden eigenlijk in Nederland trouwen, maar dat lukte niet omdat de vrouw geen verblijfsvergunning kreeg. Daarom zijn ze getrouwd in [plaats C] . Er is een video waarop de huwelijksambtenaar tijdens de huwelijksregistratie tegen partijen zegt dat hij naar Nederland zal komen en hij heeft partijen ook bezocht in Nederland in november 2017, aldus de vrouw.
5.8.
Het hof overweegt als volgt. Nu partijen geen geldige rechtskeuze hebben uitgebracht en geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden ten tijde van de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna, is krachtens artikel 4 lid 1 van Pro het verdrag het recht van de eerste gewone verblijfplaats van partijen van toepassing op hun huwelijksvermogensregime. Het gaat om de eerste
gemeenschappelijkegewone verblijfplaats van de echtgenoten. Het begrip “eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk” is een feitelijk begrip. Van belang is niet alleen waar iemand feitelijk verblijft, maar ook hoe duurzaam dat verblijf is en daarnaast met welke intentie hij daar verblijft. Deze eerste gewone verblijfplaats dient binnen een redelijk korte termijn na de huwelijkssluiting te worden gevestigd. Over het algemeen wordt aangenomen in de jurisprudentie dat tussen het moment van de huwelijkssluiting en het moment dat partijen hun eerste huwelijksdomicilie vestigen enige tijd mag liggen, in de regel een marge van ongeveer zes maanden. Afhankelijk van de omstandigheden kan ook een langere termijn in aanmerking worden genomen.
In deze zaak zijn partijen gehuwd in Turkije [in] 2017. Vaststaat dat partijen op 20 juli 2017 samen naar Nederland zijn gekomen en daar vervolgens definitief zijn gebleven. Tussen partijen is in geschil of de intentie van partijen is geweest om zich in Nederland te vestigen en of zij in de periode van 7 januari 2017 tot 20 juli 2017 samen in Turkije hebben gewoond. Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat de man in voornoemde periode zowel in Nederland als in Turkije heeft verbleven. Volgens de vrouw is de man meteen na de huwelijkssluiting teruggegaan naar Nederland en is hij twee keer teruggekomen naar Turkije om haar te bezoeken, namelijk in maart 2017 voor een periode van ongeveer een week, en voor een langere periode in juni 2017. De vrouw heeft twee vliegtickets overgelegd, een vliegticket van 10 maart 2017 van [plaats D] naar [plaats C] en een ticket van 2 juni 2017 van [plaats D] naar [plaats C] , waaruit kan worden afgeleid dat de man twee keer vanuit Nederland naar Turkije is (terug)gevlogen. Volgens de man verbleef hij na het huwelijk bij de vrouw in Turkije en is hij voor twee (korte) bezoeken naar Nederland gegaan, omdat het niet goed zou gaan tussen zijn kinderen en hun moeder. De man heeft zijn stelling dat het slechts twee korte bezoeken aan Nederland betrof in hoger beroep op geen enkele manier nader feitelijk onderbouwd. Hij heeft niet nader toegelicht wanneer hij van [plaats C] naar Nederland is gegaan, hoelang hij in Nederland is gebleven en hij heeft geen vliegtickets of andere stukken overgelegd van zijn heen- en terugreizen. De door de man in eerste aanleg overgelegde pintransacties in Turkije sluiten (enkel) aan bij de periode, ten aanzien waarvan de vrouw heeft erkend dat de man in Turkije was. Dit is in eerste aanleg al vastgesteld; de man heeft in hoger beroep geen andere pintransacties overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij ook de rest van de periode in Turkije verbleef. De man stelt verder dat zijn inschrijving op het adres van de vrouw in [plaats C] grond is om aan te nemen dat partijen hun eerste huwelijksdomicilie in Turkije hadden gevestigd. In zijn beroepschrift geeft de man echter zelf aan dat hij zich heeft ingeschreven op het adres van de vrouw in verband met de verblijfsvergunning van de vrouw en dat partijen, althans de vrouw, in ieder geval vanaf juni 2017 de intentie hadden zich in Nederland te vestigen. In het beroepschrift staat namelijk in de toelichting op grief 3: “
Pas in juni 2017 heeft de vrouw aan de man aangegeven dat zij naar Nederland wilde verhuizen. Partijen moesten voor de aanvraag van een verblijfsvergunning op hetzelfde adres ingeschreven staan, reden waarom de man zich op 6 juni 2017 op het adres van het appartement van de vrouw te [plaats C] heeft ingeschreven. Partijen hadden tot die tijd dus de intentie om in Turkije te (blijven) wonen, zodat de gewone verblijfplaats van partijen Turkije was.”De opmerking van de man ter zitting in hoger beroep dat partijen in juli 2017 aanvankelijk voor een vakantie naar Nederland waren gekomen en pas daarna besloten in Nederland te blijven, strookt dan ook niet met zijn eerdere stelling.
Het hof komt tot de volgende conclusie. Zoals hiervoor is overwogen, zijn partijen ruim zes maanden na de huwelijkssluiting naar Nederland gekomen waar zij zich vervolgens definitief hebben gevestigd. Deze termijn valt naar het oordeel van het hof nog binnen de marge die in de jurisprudentie wordt gehanteerd. Dat de vrouw zich pas in augustus 2017 heeft ingeschreven op het adres van de man doet daaraan niet af. Ten aanzien van de periode voorafgaand aan 20 juli 2017 is niet komen vast te staan dat de man de hele tijd bij de vrouw heeft verbleven in Turkije. Integendeel, niet in geschil is dat de man in die periode tweemaal in Nederland is geweest om zijn (destijds nog minderjarige) kinderen te bezoeken, en dat de vrouw van 12 april tot 20 mei 2017 bij haar moeder in [plaats E] is geweest, terwijl de man slechts ten aanzien van twee korte perioden heeft kunnen onderbouwen dat hij met de vrouw samen in Turkije is geweest. Uit de door de vrouw overgelegde brief van de IND blijkt bovendien dat zij al eerder een aanvraag voor een visum in 2016 had gedaan. Dit sluit aan bij de stelling van de vrouw dat de bedoeling van partijen steeds is geweest zich in Nederland te vestigen. Daarnaast heeft de man ter zitting in hoger beroep desgevraagd erkend dat de ambtenaar in Turkije bij de registratie van het huwelijk heeft gezegd dat hij partijen zou komen opzoeken in Nederland en dat hij in november 2017 ook bij partijen op bezoek is geweest. De conclusie is dan ook dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat partijen aanvankelijk de intentie hadden zich na de huwelijkssluiting te vestigen in Turkije dan wel dat van een daadwerkelijke – duurzame feitelijke - vestiging in Turkije sprake is geweest in de zin van de genoemde bepaling. Om die reden komt het hof ook niet toe aan het bewijsaanbod van de man.
Zoals uit het hiervoor overwogene volgt, is het hof -anders dan de rechtbank- van oordeel dat Nederland moet worden aangemerkt als de Staat op welk grondgebied partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hebben gevestigd, in de zin van artikel 4 lid 1 van Pro het verdrag. Dit betekent dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door Nederlands recht. Gelet hierop behoeven de vierde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat partijen geen gezamenlijke gewone verblijfplaats hebben gehad na het huwelijk en de vijfde grief, waarin aan de orde komt dat ten onrechte door de rechtbank is vastgesteld dat Nederland het nauwst verbonden land is, geen bespreking.
Het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is, blijft dus in stand, zij het op een andere grond.
De woning aan de [A-straat] te [plaats A]
5.9.
De grieven zes tot en met acht van de man zien op de (verdeling van) de woning aan de [A-straat] .
De rechtbank heeft (in r.o 2.5.18 t/m 2.5.24 van de bestreden beschikking) de wijze van verdeling van de woning vastgesteld en in dat kader -voor zover hier van belang- het volgende bepaald. De man dient in de gelegenheid gesteld te worden te onderzoeken of hij de woning kan overnemen. Er moet in opdracht van partijen gezamenlijk een taxatie van de woning plaatsvinden en partijen moeten de kosten van de taxatie gezamenlijk dragen. De man heeft tot drie maanden na de taxatiedatum de gelegenheid de overname van de woning te financieren en de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat voor de op de waarde in mindering te brengen hypotheekschuld dient te worden uitgegaan van de stand van de hypotheek op 3 maart 2023, omdat de man de hypotheekaflossingen na die datum alleen heeft betaald. De rechtbank heeft verder bepaald dat als de woning aan de man wordt toebedeeld, de man de kosten in dat verband dient te dragen. Als de verdeling van de woning niet binnen drie maanden na de taxatiedatum heeft plaatsgevonden, moet de woning te koop worden gezet door de makelaar die de taxatie heeft verricht.
5.10.
Grief zes van de man is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de woning getaxeerd moet worden. De man stelt zich – evenals in eerste aanleg – op het standpunt dat uitgegaan moet worden van de WOZ-waarde van de woning van € 493.000,- in 2024. Hij voert hiertoe aan dat partijen ruim twee jaar geleden de echtscheidingsprocedure zijn gestart en hij vervolgens aflossingen op de hypotheekschuld heeft gedaan zonder dat de vrouw daaraan heeft bijgedragen. Ook heeft hij de kosten van de woning aan de [A-straat] de afgelopen periode alleen gedragen. Volgens de man is de WOZ-waarde de afgelopen jaren nauwelijks gestegen en is ook aannemelijk dat de waarde van de woning nauwelijks is gestegen. Door een taxatie worden weer hoge kosten gemaakt, die de man volgens de rechtbank dient te dragen. Als de waarde van de woning al is gestegen is het volgens de man in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de vrouw hiervan mee profiteert. Zij heeft volgens de man de afgelopen jaren alleen dwars gelegen terwijl de man de kosten heeft gedragen.
5.11.
De vrouw heeft zich tegen het verzoek verweerd. Zij is het kort samengevat eens met de rechtbank dat de woning getaxeerd dient te worden.
5.12.
Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat bij de verdeling van de woning voor de waarde moet worden uitgegaan van de marktwaarde ten tijde van de verdeling, tenzij uit de redelijkheid en billijkheid iets anders voortvloeit of partijen een andere datum zijn overeengekomen. Partijen zijn geen andere datum of andere waarde dan de marktwaarde overeengekomen. De WOZ-waarde is een door de gemeente vastgestelde waarde van een woning, gebaseerd op de geschatte marktwaarde op 1 januari van het kalenderjaar daarvoor, met als doel belastingen te berekenen. De door de rechtbank bedoelde taxatiewaarde wordt vastgesteld door een onafhankelijke taxateur en geeft een nauwkeurige indicatie van de marktwaarde van een woning op de datum van verdeling. Deze taxatiewaarde is daarmee een nauwkeuriger bepaling van de marktwaarde dan de WOZ-waarde. De man heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aangevoerd om op grond van de redelijkheid en billijkheid uit te gaan van de WOZ-waarde. Het hof merkt hierbij nog op dat de rechtbank – anders dan de man kennelijk meent - in de bestreden beschikking wel degelijk rekening heeft gehouden met het feit dat alleen de man de aflossingen van de hypothecaire geldlening na 3 maart 2023 voor zijn rekening heeft genomen, waar de rechtbank heeft overwogen dat bij toedeling van de woning aan de man voor de op de waarde in mindering te brengen hypotheekschuld dient te worden uitgegaan van de stand van de hypotheek op 3 maart 2023, omdat de man de hypotheekaflossingen na die datum alleen heeft betaald. Dat de man vóór de peildatum aflossingen voor zijn rekening heeft genomen, kan niet tot een ander oordeel leiden nu die aflossingen zijn gedaan met gemeenschapsgeld. Ten aanzien van de kosten van de taxatie heeft de rechtbank, anders dan de man stelt, overwogen dat deze bij helfte voor rekening van partijen komen.
5.13.
Grief zeven van de man is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat, als de woning aan de man wordt toegedeeld, hij de kosten daarvan dient te dragen. De man is van mening dat als de woning wordt verdeeld de vrouw de helft van de kosten (haar aandeel) dient te dragen.
5.14.
De vrouw is het eens met de rechtbank. Door de toedeling verkrijgt de man het exclusieve eigendom over de onroerende zaak, het is dan ook niet meer dan redelijk dat hij de kosten van de toedeling draagt.
5.15.
Het hof acht het redelijk dat bij toedeling van de woning aan de man de kosten voor de notariële overdracht voor zijn rekening komen. Als de woning aan een derde zou worden verkocht, dan zouden partijen als gebruikelijk hebben bedongen dat die kosten voor rekening van die derde zouden komen. Het hof merkt hierbij op dat, zoals ook eerder overwogen, de kosten van de taxatie wel door partijen bij helfte worden gedragen.
5.16.
De man stelt zich in grief acht op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat indien verdeling van de woning niet uiterlijk drie maanden na de taxatiedatum heeft plaatsgevonden de woning te koop moet worden gezet. De man verzoekt te bepalen dat de verdeling van de woning dient te gebeuren drie maanden na taxatie van het appartement te [plaats C] van de vrouw. Dit om het risico te voorkomen dat de woning wordt verkocht terwijl de vrouw haar appartement niet laat taxeren.
5.17.
Het hof stelt vast dat partijen ter zitting in hoger beroep overeenstemming hebben bereikt over de waarde van het appartement in [plaats C] , te weten dat zij uitgaan van een waarde van € 60.000,-. Daarmee is de grondslag aan deze grief komen te ontvallen en slaagt deze niet.
Betalingsregeling
5.18.
De man heeft in zijn petitum ten aanzien van de toedeling van de woning aan de [A-straat] een extra verzoek opgenomen, namelijk dat hem een betalingsregeling wordt gegund waarin hij de aan de vrouw toekomende overwaarde op een termijn van 5 jaar aan haar voldoet (zie het petitum, het derde gedachtestreepje onder “wanneer het Nederlands recht van toepassing is”). De man heeft dit verzoek in zijn beroepschrift niet nader onderbouwd. Ter zitting in hoger beroep heeft hij desgevraagd verklaard dat hij alleen met een betalingsregeling in staat is de woning over te nemen.
De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij niet op dit verzoek heeft gereageerd omdat zij het niet als verzoek heeft herkend. Als het verzoek toch door het hof wordt beoordeeld, verzoekt zij het af te wijzen; de vrouw wil zelf ook een woning kopen en een betalingsregeling van vijf jaar is niet redelijk.
5.19.
Het hof zal het verzoek van de man afwijzen. Het verzoek is in het beroepschrift op geen enkele manier nader onderbouwd of toegelicht. Voor de vrouw was dan ook niet duidelijk dat zij zich tegen dit verzoek moest verweren. Daarnaast is het hof van oordeel dat niet van de vrouw gevergd kan worden dat zij vijf jaar moet wachten op de betaling van de volledige overwaarde, nog daargelaten dat vanwege het ontbreken van enige toelichting ook niet duidelijk is geworden of de man de overwaarde binnen vijf jaar wél zou kunnen betalen.
Overwaarde woning [B-straat]
5.20.
De grieven negen en tien van de man betreffen de overwaarde van de woning aan de [B-straat] . Voor zover de man in deze grieven ervan is uitgegaan dat Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen, zal dit deel van de grieven onbesproken worden gelaten, omdat het hof hiervoor al heeft geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is.
5.21.
Grief negen richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de overwaarde van de [B-straat] tussen partijen verdeeld moet worden. Indien het hof van oordeel is dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksregime van partijen stelt de man zich op het standpunt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het huwelijksvermogen bij helfte wordt gedeeld. In plaats daarvan dienen de woningen aan de partij te worden toegedeeld die op grond van het Turks recht gerechtigd is tot de woning. Dit betekent dat de waarde van de woning aan de [B-straat] aan de man moet worden toegedeeld zonder dat de vrouw gerechtigd is tot de overwaarde. De man voert hiertoe aan dat hij de woning aan de [B-straat] heeft gekocht met zijn ex-echtgenote uit zijn eerste huwelijk, mevrouw [naam] . Bij het verdelingsvonnis dat is gewezen na die echtscheiding is bepaald dat Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en dat mevrouw [naam] geen enkel recht op de overwaarde toekomt. In het kader van de rechtszekerheid had de man geen rekening ermee kunnen houden dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Partijen hebben elkaar in Turkije ontmoet en zijn daar getrouwd, ook hebben zij vermogen in Turkije. De vrouw heeft in 2021 de man ook een voorstel gedaan om hun huwelijksvermogen naar Turks recht te regelen. Als de vrouw recht zou hebben op de helft van de overwaarde zou dat volgens de man een scheve verhouding opleveren omdat mevrouw [naam] geen recht op de waarde van de woning had terwijl zij tijdens de aankoop met de man was getrouwd en daar met hem heeft gewoond.
5.22.
De vrouw heeft zich hiertegen verweerd. De vrouw benadrukt dat geen sprake is van een situatie waarbij Turks recht van toepassing zou zijn. Het beroep van de man op de redelijkheid en billijkheid is onvoldoende onderbouwd. De omstandigheid dat Turks recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime van zijn eerste huwelijk is juridisch niet relevant.
5.23.
Het hof merkt allereerst op dat het petitum van de man afwijkt van zijn grief. In grief negen heeft de man verzocht in het geval het hof zou oordelen dat Nederlands recht van toepassing is, af te wijken van de verdeling bij helfte en de woningen van partijen aan de partij toe te delen die op grond van het Turks recht gerechtigd is. In zijn petitum staat echter onder het kopje “Als Nederlands recht van toepassing is” kort samengevat dat de woning althans de volledige verkoopopbrengst van de [B-straat] behoort tot het huwelijksvermogen van partijen en dat de vrouw de helft van de overwaarde ad € 55.089,55 toekomt, maar dat dit bedrag pas opeisbaar is na verrekening met de door de vrouw aan de man verschuldigde helft van de overwaarde uit het appartement te [plaats C] .
Het hof gaat op grond van grief negen ervan uit dat de man ook in het geval Nederlands recht van toepassing is, heeft willen verzoeken dat de opbrengst van de overwaarde niet voor de helft aan de vrouw dient toe te komen en zal de grief zo beoordelen. De vrouw heeft dit ook zo begrepen en is inhoudelijk op deze grief ingegaan. Voor zover de man heeft verzocht te bepalen dat het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de [B-straat] pas opeisbaar is na verrekening met de waarde van het appartement te [plaats C] is het hof van oordeel dat de man daarvoor de gronden niet behoorlijk naar voren heeft gebracht. De gronden moeten voldoende kenbaar zijn voor de rechter en de wederpartij. De man heeft dit verzoek in zijn grief nergens (en evenmin in de rest van het beroepschrift) genoemd. Voor de vrouw is dan ook niet duidelijk geweest dat zij zich hiertegen moest verweren. Het hof wijst bovendien op de omstandigheid dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van het appartement te [plaats C] , waarvan in het kader van de verdeling kan worden uitgegaan.
Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van grief negen overweegt het hof als volgt. Zoals reeds eerder overwogen is Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Partijen zijn gehuwd in de (oude) algehele gemeenschap van goederen. Vanaf het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk tussen de echtgenoten ontstaat van rechtswege deze algehele gemeenschap van goederen. Deze gemeenschap omvat in beginsel alle goederen van de echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien verkregen zolang de gemeenschap niet is ontbonden, alsmede alle schulden van ieder der echtgenoten. Ook de woning aan de [B-straat] , die de man al voor het huwelijk in eigendom had, behoort dus tot de gemeenschap. De goederen en schulden van de echtgenoten vallen van rechtswege in de huwelijksgemeenschap op grond van boedelmenging. Op grond van artikel 1:100 BW Pro hebben de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Dit is slechts anders als sprake is van huwelijkse voorwaarden of als een echtscheidingsconvenant is gesloten waarin van deze hoofdregel wordt afgeweken. Ook de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in zeer uitzonderlijke omstandigheden met zich meebrengen dat van de verdeling bij helfte dient te worden afgeweken.
De man heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat sprake is van zulke uitzonderlijke omstandigheden. De verwijzing naar het protocol uit 2021 (productie 18) is daartoe onvoldoende. Dit is een niet ondertekend (en overigens ook niet vertaald) conceptvoorstel, waaruit geen afspraak tussen partijen voortvloeit noch een gerechtvaardigde verwachting omtrent een andere verdeling. Daarbij komt dat, anders dan de man het doet voorkomen, de vrouw zich in de echtscheidingsprocedure van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. De omstandigheid dat Turks recht wel op het huwelijksvermogensregime van het eerste huwelijk van de man van toepassing was, is naar het oordeel van het hof niet relevant.
5.24.
In grief tien stelt de man zich op het standpunt dat partijen afspraken hebben gemaakt in het kort geding van 11 mei 2023, die zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, inhoudende dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben en dat zij elkaar finale kwijting verlenen. De afspraken in het kort geding zijn gemaakt vanuit het perspectief van de vrouw dat het appartement in [plaats C] aan haar en de woning aan de [B-straat] aan de man zou toekomen. Dus hebben partijen volgens de man wel afspraken over de verdeling van de overwaarde willen maken, namelijk dat deze helemaal aan de man toekwam, dat de vrouw niets meer van de man te vorderen had en hem finale kwijting heeft verleend. Partijen hebben de afspraken volgens de man gemaakt nadat de vrouw haar verzoekschrift had ingediend. Partijen zijn allebei ervan uitgegaan dat Turks recht van toepassing was en dat het appartement in [plaats C] aan de vrouw toekwam en de woning aan de [B-straat] aan de man. De vrouw heeft zich pas op het standpunt gesteld dat de helft van de overwaarde van de woning aan haar toekwam, nadat de man een verweerschrift had ingediend waarin hij zich op het standpunt stelde dat Turks recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime van partijen en de vrouw dus geen recht had op de helft van de overwaarde.
5.25.
De vrouw heeft dit betwist. Zij stelt kort gezegd dat de afspraken van partijen alleen praktische aangelegenheden betroffen zoals het ophalen van persoonlijke spullen en de verkoop en levering van de woning. De finale kwijting had uitsluitend betrekking op de uitvoering van die afspraken en niet op de vermogensrechtelijke verdeling of een afstand van rechten met betrekking tot de overwaarde. Zij wijst erop dat zij al in haar verzoekschrift tot echtscheiding ondubbelzinnig het standpunt heeft ingenomen dat Nederlands recht van toepassing is.
5.26.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst geen betrekking heeft op de afrekening van de overwaarde en dat de man uit het handelen van de vrouw ook overigens redelijkerwijs niet heeft mogen afleiden dat zij heeft bedoeld afstand te doen van enige overwaarde met betrekking tot de woning aan de [B-straat] , ongeacht de wijze waarop het appartement in [plaats C] zou worden verdeeld. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank, met name de tweede alinea van rechtsoverweging 2.5.28 van de bestreden beschikking, op dit onderdeel over en maakt ze tot de zijne. De man heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat tot een ander oordeel kan leiden.
Het appartement in [plaats C] Turkije
5.27.
Partijen hebben ter zitting in hoger beroep overeenstemming bereikt over de waarde van het appartement in [plaats C] , namelijk dat in het kader van de verdeling uitgegaan kan worden van een waarde van € 60.000,-. Gelet hierop behoeft grief elf van de man geen bespreking meer. Het hof zal, gelet op de overeenstemming van partijen over de waarde, de beschikking waarvan beroep vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat het appartement in [plaats C] getaxeerd moet worden en bepalen dat de vrouw in het kader van de toedeling van het appartement aan haar aan de man € 30.000,- dient te voldoen.
Bankrekeningen
5.28.
De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn verzoek met betrekking tot de bankrekeningen ingetrokken. Grief twaalf behoeft daarom geen bespreking meer.
De lening van de broer van de man
5.29.
Grief dertien van de man betreft de lening van zijn broer. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man de lening bij zijn broer van € 100.000,- onvoldoende heeft onderbouwd en heeft zijn bewijsaanbod gepasseerd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de man eerst heeft gesteld dat hij deze lening is aangegaan om de echtelijke woning te financieren en dat de vrouw terecht heeft opgemerkt dat dit onwaarschijnlijk is omdat de leningsovereenkomst is gedateerd op 17 augustus 2020 en de koopovereenkomst voor de echtelijke woning op 8 april 2021 is gesloten. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat de verklaring van de man dat de lening aanvankelijk bedoeld was voor verbouwing van de woning aan de [B-straat] maar vervolgens voor aankoop van de woning aan de [A-straat] ongeloofwaardig is omdat in de leningsovereenkomst is opgenomen dat de lening is aangegaan ter financiering van een overbruggingshypotheek.
De man stelt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat hij een overbruggingshypotheek is aangegaan met als doel de woning aan de [A-straat] te financieren c.q. verbouwen. In de leningsovereenkomst staat duidelijk opgenomen dat deze is aangegaan ter financiering van een overbruggingshypotheek, welke overbruggingshypotheek is aangegaan om de echtelijke woning te kopen. Hij biedt opnieuw bewijs aan van zijn stellingen en van het bestaan van de lening. Ter zitting in hoger beroep heeft de man aangeboden zijn broer als getuige te horen. De man heeft hieraan ter zitting in hoger beroep toegevoegd dat hij van zijn broer in Turkije 90.000 dollar in cash heeft gekregen, aldaar gestort heeft op 19 augustus 2020 en via de Turkse bank heeft laten omzetten in euro’s, dat was € 75.060. Dit bedrag heeft de man vervolgens overgemaakt naar zijn Nederlandse rekening.
Desgevraagd heeft de man ter zitting in hoger beroep verklaard dat er nog niets is afgelost op de lening, ook niet met het deel van de man in de overwaarde van de [B-straat] .
5.30.
De vrouw betwist dat de man een lening bij zijn broer heeft. De man heeft wisselende verklaringen afgelegd over het doel van de lening waardoor zijn verhaal niet geloofwaardig is. In de leningsovereenkomst staat dat het gaat om een overbruggingshypotheek, die is bedoeld om tijdelijk de lasten van een nieuwe woning te overbruggen als de oude woning nog niet is verkocht. Op het moment van afsluiten van de lening was echter nog helemaal geen nieuwe woning in beeld, aldus de vrouw.
5.31.
Het hof overweegt als volgt. De man heeft in eerste aanleg (productie 8 bij zijn verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken) een leningsovereenkomst van 17 augustus 2020 met zijn broer overgelegd waarin staat dat de broer op 18 augustus 2020 een bedrag van € 100.000,- aan de man verstrekt. In artikel 2 staat Pro: “Doel van de lening is om de overbruggingshypotheek te financieren”. In artikel 3 staat Pro “Terugbetaling geschiedt na verkoop van het huis aan de [B-straat] te [plaats A] ”. Verder staat in de overeenkomst dat de rente op 0% is vastgesteld.
In zijn verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken in eerste aanleg heeft de man de lening genoemd en erop gewezen dat hij op grond van artikel 3 van Pro de overeenkomst gehouden is uit de verkoopopbrengst van de woning aan de [B-straat] € 100.000,- aan zijn broer te voldoen. Hij heeft daarbij opgemerkt dat hij ervan uitgaat dat de lening is terugbetaald als de mondelinge behandeling bij de rechtbank zal plaatsvinden.
De vrouw heeft in haar verweer tegen de zelfstandige verzoeken het bestaan van de lening betwist en er op gewezen dat de hypotheek voor de [A-straat] pas is aangegaan op 30 juni 2021.
De man heeft vervolgens bij zijn brief van 13 februari 2025 aan de rechtbank bankafschriften van 21 april 2021 en 3 juni 2021 overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij uit eigen middelen, dankzij de lening van zijn broer, bedragen van € 19.000 en € 12.500,- heeft gestort voor het verkrijgen van de echtelijke woning aan de [A-straat] .
Op de zitting bij de rechtbank heeft de man verklaard (zo blijkt uit het proces-verbaal) dat de lening in eerste instantie was bedoeld om een verbouwing van de [B-straat] te financieren, maar dat deze verbouwing erg duur bleek en dat het daarom verstandiger was om een nieuwe woning te kopen.
In zijn beroepschrift lijkt de man zich (toch weer) op het standpunt te stellen dat de lening is aangegaan ter verbouwing c.q. financiering van de echtelijke woning aan de [A-straat] . Hij heeft zijn eerdere verklaring bij de rechtbank dat de lening aanvankelijk bedoeld was voor een verbouwing van de [B-straat] niet verder toegelicht. Ter zitting in hoger beroep heeft de man (bij monde van zijn advocaat) aangevoerd dat het een beter idee bleek om een nieuwe woning te kopen en dat het om die reden begrijpelijk is dat er een jaar zat tussen de leningsovereenkomst en de aankoop van de woning. Hierbij lijkt de man vast te houden aan zijn verklaring bij de rechtbank dat de lening aanvankelijk bedoeld was voor verbouwing van de [B-straat] en dat hij pas later heeft besloten een nieuwe woning te kopen.
Al met al blijft onduidelijk of de man zich op het standpunt stelt dat de lening is aangegaan voor verbouwing van de [B-straat] , maar dat later is gekozen voor aankoop van een nieuwe woning of dat hij zich op het standpunt stelt dat de lening steeds is bedoeld voor de aankoop van de [A-straat] . In het eerste geval is het hof met de rechtbank van oordeel dat deze verklaring onwaarschijnlijk is omdat in artikel 3 van Pro de leningsovereenkomst staat dat het doel van de lening is een overbruggingshypotheek. In het tweede geval heeft de man naar het oordeel van het hof niet kunnen uitleggen waarom de overeenkomst in augustus 2020 is gesloten terwijl de woning aan de [A-straat] pas in april 2021 is aangekocht. Het hof overweegt in dit verband dat de vrouw heeft aangevoerd dat in augustus 2020 nog helemaal geen nieuwe woning in beeld was en de man hiertegenover niets heeft gesteld.
Daarbij komt dat de man in hoger beroep stelt dat hij op 19 augustus 2020 $ 90.000,- cash van zijn broer heeft gekregen in Turkije. Zowel het bedrag als de valuta komen niet overeen met het bedrag, genoemd in de leningsovereenkomst van 17 augustus 2020.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in samenhang met het gegeven dat de rechtbank al erop heeft gewezen dat de man geen enkel bankafschrift in het geding heeft gebracht waaruit blijkt van een transactie die in verband kan worden gebracht met het aangaan van deze geldlening en ook in hoger beroep dergelijke onderbouwende gegevens ontbreken, is het hof van oordeel dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld, waaruit het bestaan van de lening zou kunnen worden afgeleid. Bij deze stand van zaken komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van de man. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Kosten energienota
5.32.
De man heeft in zijn petitum een verzoek gedaan de vrouw te veroordelen de helft van de door de man reeds betaalde factuur van 5 januari 2023 voor de energiekosten van € 5.107,56, aldus een bedrag van € 2.553,78, aan de man te voldoen. De man heeft dit verzoek verder niet in zijn beroepschrift toegelicht. Onder het kopje ‘feiten en omstandigheden’ in zijn beroepschrift heeft de man slechts genoemd dat hij dit bedrag op 26 mei 2023 heeft betaald.
De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen het verzoek, omdat het te laat is ingediend en niet voldoet aan de regels voor het hoger beroep. Voor het geval het hof het verzoek in behandeling neemt, verzoekt zij het af te wijzen. Zij voert hiertoe aan dat zij de woning al in december 2022 heeft verlaten, dat de man sindsdien met zijn twee dochters in de woning woont en dat de rekening uitsluitend betrekking heeft op hun gebruik. Daarnaast heeft de man niet aangetoond dat de kosten ook daadwerkelijk zijn betaald.
5.33.
Het hof zal het verzoek van de man afwijzen. Het hof stelt voorop dat, de man in hoger beroep zijn verzoeken mag aanvullen, maar deze verzoeken moeten dan wel voldoende worden toegelicht en onderbouwd. De man is in zijn beroepschrift helemaal niet op dit verzoek ingegaan, zodat het voor de vrouw onvoldoende kenbaar is geweest waartegen zij zich moest verweren. Alleen al om die reden dient het verzoek te worden afgewezen. Daarnaast zien de kosten op de periode voordat de gemeenschap was ontbonden; ook de factuur dateert van voor ontbinding van de gemeenschap. Bovendien heeft de man weliswaar gesteld dat hij de factuur op 26 mei 2023 (na de peildatum) heeft betaald, maar hijheeft dit niet met stukken onderbouwd. Ook daarom wordt het verzoek van de man afgewezen.
5.34.
Tot slot zijn nog de aanvullende verzoeken die de man bij zijn brief van 15 september 2025 heeft gedaan aan de orde. Deze verzoeken worden hierna besproken.
Beslagkosten
5.35.
De man verzoekt de vrouw te veroordelen tot het voldoen van de beslagkosten ad € 5.712,71 die de man heeft voldaan voor het beslag op het deel van de overwaarde van de woning aan de [B-straat] , te vermeerderen met de wettelijke rente, binnen twee weken na de te wijzen beschikking. Naar het hof begrijpt verzoekt de man vergoeding van de beslagkosten omdat deze volgens hem onnodig gemaakt zijn. De vrouw heeft niet ingestemd met het in depot houden van de overwaarde van de [B-straat] en de notaris had het depotbedrag al overgemaakt op de derdenrekening van de advocaat van de vrouw.
5.36.
De vrouw heeft zich tegen het verzoek verweerd. Volgens haar is een vergoeding voor de beslagkosten alleen aan de orde als de man in het gelijk zou worden gesteld. Daarnaast heeft de man een vergoeding van zijn reële advocaatkosten gevorderd. Daarvoor is hier geen plaats.
5.37.
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 706 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen de kosten van het beslag, al of niet in de hoofdzaak, van de beslagene worden teruggevorderd tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Het hof ziet in de onderhavige zaak, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de overwaarde van de [B-straat] op grond waarvan de vrouw gerechtigd is tot haar aandeel in de waarde, geen rechtens geldige grondslag voor de vordering van de beslagkosten door de man. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Gouden sieraden
5.38.
De man verzoekt te bepalen dat de waarde van de juwelen die de vrouw in haar bezit heeft van € 11.600,- moet worden verrekend in de afwikkeling van het huwelijksvermogen op zodanige wijze dat aan de man de helft van dit bedrag toekomt. Hij heeft certificaten overgelegd van de juwelen die hij de vrouw naar eigen zeggen heeft gegeven tijdens hun relatie (productie 33). Op de certificaten staat handgeschreven een waarde vermeld. De man stelt dat de waarde neerkomt op € 11.600,-, die is voldaan uit de lening van zijn broer, dus voor zover die lening niet wordt meegenomen meent de man nog een vordering te hebben op de vrouw voor de helft van het bedrag.
5.39.
De vrouw heeft kort samengevat betwist dat zij sieraden in haar bezit heeft. Volgens haar heeft de man vrijwel alle sieraden in zijn bezit. Zij betwist bovendien de door de man op de certificaten vermelde bedragen, deze lijken nergens op te zijn gebaseerd.
5.40.
Het hof zal het verzoek van de man afwijzen. De vrouw heeft betwist dat zij sieraden in haar bezit heeft. Het hof kan niet vaststellen om welke sieraden het gaat, wie van partijen de sieraden onder zich heeft en wat de waarde van de sieraden is. De door de man overgelegde certificaten met daarop handgeschreven bedragen zijn daartoe onvoldoende. Daarbij merkt het hof op dat de man dit verzoek in een bijzonder laat stadium van de procedure heeft gedaan, waardoor een beperkt debat kon plaatsvinden. Dit komt voor zijn rekening en risico.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.41.
De man heeft ter zitting in hoger beroep verzocht een eventuele beslissing met betrekking tot de verdeling van de echtelijke woning niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek omdat het te laat is gedaan.
5.42.
Het hof zal dit verzoek afwijzen nu het te laat is gedaan en daarmee in strijd is met de goede procesorde. Voor zover de man heeft bedoeld te verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de beslissingen met betrekking tot de verdeling uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard zal het hof dit eveneens afwijzen omdat dit te laat is gedaan.

6.Het verzoek tot schorsing (zaaknummer 200353.841/02)

6.1.
Bij beschikking van 15 juli 2025 heeft dit hof de werking van de bestreden beschikking geschorst voor zover het betreft:
- de verdeling van de voormalig echtelijke woning aan de [A-straat] te [plaats A] ,
- de verdeling van de overwaarde van de woning aan de [B-straat] te [plaats A] ,
- de verdeling van het appartement te [plaats C]
In de beschikking staat dat het hof het verzoek tot schorsing zal toewijzen totdat in het kader van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak door het hof een nadere beslissing over het schorsingsverzoek wordt genomen. Het schorsingsverzoek is voor het overige gedeelte aangehouden.
6.2.
Ter zitting in hoger beroep is met partijen besproken dat de beschikking van 15 juli 2025 zo begrepen kan worden dat de schorsing doorloopt tot de eindbeschikking in de hoofdzaak wordt gegeven. Omdat in deze beschikking op de hoofdzaak is beslist, bestaat in die zin dan ook geen belang meer bij de beslissing op het aangehouden deel van het schorsingsverzoek en zal dit worden afgewezen.

7.De beslissing

Het hof:
In de zaak met zaaknummer: 200.353.841/01
in hoger beroep:
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin is beslist dat het appartement in [plaats C] getaxeerd moet worden en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de vrouw € 30.000,- aan de man dient te vergoeden in verband met de toedeling van het appartement te [plaats C] , Turkije, aan haar;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
In de zaak met zaaknummer 200.353.841/02
wijst het verzoek af voor zover hierop nog niet is beslist.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. A.R. Sturhoofd en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar.