ECLI:NL:GHAMS:2026:315

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
200.348.161/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:194 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over afrekening exploitatieresultaat bedrijfshallen na ontbinding huwelijksgemeenschap

Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen en voeren al jaren procedures over de verdeling van hun ontbonden huwelijksgemeenschap, met name over de afrekening van het exploitatieresultaat van verhuurde bedrijfshallen.

De rechtbank had een deskundige benoemd die concludeerde dat een bepaalde bankrekening tussen 2012 en 2017 uitsluitend ter beschikking stond van appellant, wat leidde tot een verrekening van het exploitatieresultaat. Appellant betwistte dit en stelde dat de rekening feitelijk op naam van geïntimeerde stond en dat betalingen aan haar of haar schuldeisers zijn gedaan.

Het hof oordeelt dat de deskundige een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd en dat het exploitatieresultaat opnieuw moet worden vastgesteld. Het hof benoemt een nieuwe deskundige en wijst het incidentele appel van geïntimeerde af. Tevens beveelt het hof opheffing van conservatoir beslag dat was gelegd ter zekerheid van een vordering die in hoger beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof beveelt een nieuw deskundigenonderzoek en wijst het incidentele appel af; het bestreden vonnis wordt deels bekrachtigd en deels aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.348.161/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/716076 / HA ZA 22-296
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 februari 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
appellant,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. M.G. Loos te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats 3] ,
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. R.P. Heeren te Leiden.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over het staartje van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen, te weten de afrekening van het exploitatieresultaat uit de verhuur van een
aantal bedrijfshallen. Het hof is voornemens een nieuwe deskundige te benoemen omdat [appellant] voldoende heeft onderbouwd dat de eerdere deskundige van een foutief uitgangspunt is uitgegaan.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 3 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van het vonnis
van 3 juli 2024 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 3 december 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 2 april 2025 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over een minnelijke regeling.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, met een productie.
Op 26 november 2025 heeft een inhoudelijke mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen (namens [geïntimeerde] , die zelf niet is verschenen, haar broer) hebben vragen van het hof beantwoord. Voorafgaand aan de zitting hebben beide partijen aanvullende producties ingediend ( [appellant] producties 20 t/m 29 en [geïntimeerde] producties 1 t/m 7). Deze stukken maken deel uit van het dossier.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
Partijen zijn van [datum 1] tot [datum 2] in gemeenschap van goederen getrouwd geweest. Zij strijden al jarenlang over de verdeling van de huwelijksgemeenschap en hebben daarover diverse procedures gevoerd.
3.2.
(Afbeelding 1)
In een vonnis van 10 juli 2019 van de rechtbank Den Haag (hierna: het vonnis van 10 juli 2019) staat onder meer:
( Afbeelding 2)
(afbeelding 3)
(afbeelding 4)
3.3.
Bij het vonnis van 10 juli 2019 is [geïntimeerde] veroordeeld om te bewerkstelligen dat
de onroerende zaak aan de [straat 1] te [plaats 4] (hierna: het pand in [plaats 4] ) aan haar
wordt geleverd en om € 78.494,03 aan [appellant] te betalen uit hoofde van overbedeling
en exploitatie van het pand in [plaats 4] (rov. 3.3). Tevens heeft de rechtbank Den Haag bij dit vonnis een deskundige benoemd teneinde een exploitatieoverzicht van de inkomsten en uitgaven op te stellen met betrekking tot de bedrijfshallen aan de [straat 2] te [plaats 3] (hierna: de bedrijfshallen) en bepaald dat partijen het exploitatieresultaat over de periode van 1 januari 2012 tot aan de levering van de bedrijfshallen aan een derde bij helfte dienen te verrekenen (rov. 3.7 en 3.9).
3.4.
De bedrijfshallen zijn op 1 november 2019 geleverd aan een derde. Tot de opstelling
van een exploitatieoverzicht van de door de rechtbank Den Haag benoemde deskundige is het niet gekomen. Het pand in [plaats 4] is eerst na het mondelinge (tussen)vonnis van 12 oktober 2022 van de rechtbank in de onderhavige procedure (zie hierna onder 4.3) aan [geïntimeerde] geleverd, waarbij [geïntimeerde] ten behoeve van [appellant] € 78.494,03 op de derdengeldenrekening van de notaris heeft gestort.
3.5.
Op 4 maart 2024 heeft de door de rechtbank benoemde deskundige [naam 1] van [bedrijf 1] (hierna: [naam 1] ) een rapport uitgebracht. Beide partijen hebben daarop kunnen reageren en opmerkingen gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft [naam 1] het rapport op enkele punten aangepast. In het definitieve rapport staat onder meer:
“(…) Conclusie
Gezien bovenstaande kan geen oordeel gegeven worden over de volledigheid van de huurinkomsten.
Eveneens kan ik geen oordeel geven over de aard van de ontvangsten die [appellant] op [Rekeningnummer 1] (de privérekening van [appellant] ) ontvangt van [bedrijf 2] .
(…)
Gezien hetgeen hierboven (…) vermeld over de huuropbrengsten van [bedrijf 2] kan getwijfeld worden over de volledigheid van deze huuropbrengsten, echter kan ik niet met zekerheid stellen dat deze onvolledig zijn.
Alle huurinkomsten die ontvangen zijn op [Rekeningnummer 2] zijn meegenomen in het exploitatieoverzicht. Van huurinkomsten anders dan via deze bankrekening is geen bewijs gevonden.
(…)
In het vonnis van 10 juli 2019 is onder 2.38 aangegeven dat de hypotheeklasten niet thuis behoren in het exploitatieoverzicht. Derhalve zijn deze niet meegenomen in het exploitatieoverzicht. (…)
4. De beantwoording van de vragen
4.1.
Beschikking [Rekeningnummer 2]
(…) In het onderzoek heb ik geconstateerd dat in de periode 1 januari 2012 tot en met eind februari 2017 betalingen zijn gedaan aan [appellant] of aan schuldeisers van [appellant] .
- Overboekingen naar [Rekeningnummer 3] , de privé bankrekening van [appellant] , totaal € 26.000.
- Overboekingen naar rekeningnummer [nummer] t.n.v. [appellant] , totaal € 4.000.
- Betalingen aan ScheerSanders, de advocaat van [appellant] , totaal € 6.562,49.
In de periode 1 januari 2012 tot en met eind februari 2017 zijn geen betalingen aan [geïntimeerde] of aan schuldeisers van [geïntimeerde] aangetroffen.
Hieruit concludeer ik dat de rekening bij [Rekeningnummer 2] gedurende de periode 1 januari 2012 tot en met eind februari 2017 uitsluitend ter beschikking heeft gestaan aan [appellant] .
4.2.
Exploitatieoverzicht
Onderstaande exploitatieoverzicht geeft een positief resultaat aan van € 43.286,03. (…)
4.3.
Verrekening
(…) [appellant] dient aan [geïntimeerde] te voldoen 50% van het positieve exploitatieresultaat, ofwel een bedrag van € 21.643,01 ter verrekening van het exploitatieresultaat over betreffende periode. (…)”
3.6.
Vanaf februari 2017 staat de rekening met nummer [Rekeningnummer 2] (hierna: [Rekeningnummer 2] ) uitsluitend op naam van [appellant] .
3.7.
[geïntimeerde] heeft het bij het bestreden vonnis toegewezen bedrag van € 21.643,01 geïncasseerd door executoriaal beslag te laten leggen op de gelden van [appellant] die de notaris onder zich houdt. Voor het overige is het beslag opgeheven.
3.8.
Nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag daartoe op 8 april 2025 verlof had gegeven, heeft [geïntimeerde] , ter verzekering van haar vordering in incidenteel appel (zie hierna onder 5.2), op 16 april 2025 conservatoir beslag laten leggen op de resterende
€ 57.642,42 die de notaris voor [appellant] onder zich houdt.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [appellant] beveelt mee te werken aan de levering van het
pand in [plaats 4] onder de gelijktijdige verplichting van [geïntimeerde] daarvoor een bedrag
van € 78.494,03 aan [appellant] te betalen door overmaking van dit bedrag op de derdengeldenrekening van de notaris ten overstaan van wie de levering plaatsvindt, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
4.2.
In reconventie heeft [appellant] - samengevat - gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerde]
- uitvoerbaar bij voorraad - veroordeelt tot betaling aan hem van € 115.653,30 met rente aan te verrekenen uitgaven met betrekking tot de exploitatie van de bedrijfshallen.
4.3.
Bij mondeling vonnis van 12 oktober 2022 heeft de rechtbank [appellant] - uitvoerbaar bij voorraad - bevolen om binnen vier weken na betekening van het vonnis mee te werken aan de levering van het pand in [plaats 4] . In reconventie heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen met betrekking tot de vraag hoe het overzicht van inkomsten en uitgaven met betrekking tot de exploitatie van de bedrijfshallen eruit ziet over de periode 1 januari 2012 t/m 1 november 2019 en of partijen uit hoofde daarvan nog gelden met elkaar dienen te verrekenen. De rechtbank heeft [naam 1] tot deskundige benoemd.
4.4.
Nadien hebben beide partijen hun eis vermeerderd. [geïntimeerde] heeft bij akte van 21 december 2022 gevorderd dat [appellant] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling van € 79.267,43, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, waaronder de beslagkosten en nakosten, met rente. Bij akte van 1 februari 2022 heeft [appellant] zijn eis in die zin gewijzigd dat hij tevens vordert dat [geïntimeerde] - uitvoerbaar bij voorraad - wordt veroordeeld in de proceskosten in reconventie waaronder de nakosten, met rente.
4.5.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank [appellant] in conventie veroordeeld om
aan [geïntimeerde] te betalen € 21.643,01, te vermeerderen met wettelijke rente en € 1.464,93 aan beslagkosten, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.
4.6.
Kort gezegd heeft de rechtbank de bevindingen van [naam 1] gevolgd en geoordeeld dat
de tegen het rapport aangevoerde bezwaren niet steekhoudend en zwaarwegend zijn. Volgens de rechtbank heeft [naam 1] de conclusie kunnen trekken dat [Rekeningnummer 2] tussen 1 januari 2012 en eind februari 2017 uitsluitend ter beschikking van [appellant] heeft gestaan omdat
hij heeft geconstateerd dat er in die periode wel betalingen aan [appellant] of zijn schuldeisers
zijn gedaan en niet aan [geïntimeerde] of haar schuldeisers. Het betoog van [geïntimeerde] dat [naam 1] vanwege onvolledige informatie van [appellant] van hogere huurinkomsten had moeten uitgaan, heeft de rechtbank niet gevolgd. [naam 1] heeft in zijn rapport geschreven dat aan de volledigheid van de opgave aan huurinkomsten kan worden getwijfeld, maar dat hij niet met zekerheid kan zeggen dat er meer huur is ontvangen. De rechtbank heeft geoordeeld dat er, bij gebrek aan concrete gegevens, geen andere conclusie kan worden getrokken. Het resultaat van de exploitatie van de bedrijfshallen heeft de rechtbank dan ook overeenkomstig het rapport van [naam 1] vastgesteld op € 43.286,01. [appellant] is veroordeeld tot betaling van de helft van dit bedrag (€ 21.643,01) aan [geïntimeerde] .

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan hem van € 99.073,69 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024, en tot terugbetaling van de door [appellant] op basis van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] betaalde bedragen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.
5.2.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof het bestreden vonnis in principaal en incidenteel appel bekrachtigen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding zowel in principaal als in incidenteel appel. Daarnaast vordert [geïntimeerde] in incidenteel appel - eveneens uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] om haar
€ 27.347,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2022, te voldoen.

6.Beoordeling

Omvang hoger beroep
6.1.
[appellant] komt in principaal appel met
twee grievenop tegen de beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering als hiervoor onder 4.5 en 4.6 is weergegeven. [geïntimeerde] komt in incidenteel appel met
een grief op tegen de verwerping van haar betoogdat [naam 1] vanwege onvolledige informatie van [appellant] van hogere huurinkomsten had moeten uitgaan. Het hof ziet aanleiding het principale en incidentele appel gezamenlijk te bespreken.
6.2.
Nu de levering van het pand in [plaats 4] aan [geïntimeerde] inmiddels (na het mondelinge (tussen)vonnis van de rechtbank) heeft plaatsgevonden, is het geschil in hoger beroep beperkt tot de vraag of de verrekening van het exploitatieresultaat van de bedrijfshallen moet plaatsvinden overeenkomstig het rapport van [naam 1] .
Bezwaar vermeerdering van eis ongegrond
6.3.
[geïntimeerde] heeft ter zitting in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis van [appellant] , zoals opgenomen in de pleitaantekeningen van mr. Loos. Het gaat daarbij om de door [appellant] gevorderde opheffing van het door [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslag (zie onder 3.8). Het eerdere beslag is immers na de executie van het bestreden vonnis opgeheven. Op zich is juist dat een vermeerdering van eis op grond van de twee-conclusieregel bij de eerste memorie in appel moet plaatsvinden. In dit geval stond de vermeerdering van eis niet in het petitum maar wel in het lichaam van de memorie vermeld. Onder 49 en 50 van de memorie van grieven heeft [appellant] gesteld dat het op 16 april 2025 gelegde conservatoir beslag ondeugdelijk is omdat [geïntimeerde] geen vordering meer op
[appellant] heeft. [geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord in principaal appel uitvoerig aandacht besteed aan het beslag (randnummers 36 t/m 43). Daarbij heeft zij toegelicht waarom zij het tweede beslag heeft gelegd. Het hof leidt hieruit af dat [geïntimeerde] ook uit de stellingen van [appellant] heeft begrepen dat [appellant] opheffing van het beslag wenste. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeerde] door de vermeerdering van eis niet benadeeld door de enkele omstandigheid dat [appellant] deze vordering alsnog aan het petitum heeft toegevoegd. De vermeerdering vormt een precisering van de door [appellant] ingenomen stellingen en was zoals gezegd voldoende kenbaar voor [geïntimeerde] . Het hof laat de eisvermeerdering daarom toe en zal op de vermeerderde eis recht doen.
Bevindingen [naam 1] ten onrechte gevolgd
6.4.
Met
grief 1voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte de bevindingen van [naam 1] heeft gevolgd. [appellant] is het met name niet eens met de conclusie van [naam 1] dat [Rekeningnummer 2] van 1 januari 2012 tot februari 2017 uitsluitend ter beschikking van [appellant] heeft gestaan omdat er geen betalingen aan [geïntimeerde] of haar schuldeisers op de rekening zouden zijn aangetroffen. [appellant] voert aan dat [Rekeningnummer 2] juist uitsluitend ter beschikking van [geïntimeerde] heeft gestaan. Hij stelt daartoe dat er wel degelijk betalingen aan [geïntimeerde] (of haar schuldeisers) zijn gedaan in de bewuste periode en dat Rabobank en [geïntimeerde] eerst onder druk van een procedure bij het Klachteninstituut financiële dienstverlening (Kifid) hebben willen meewerken aan het op naam van [appellant] zetten van [Rekeningnummer 2] .
6.5.
Ter onderbouwing hiervan heeft [appellant] verwezen naar de volgende in hoger beroep overgelegde stukken:
  • overzicht van betalingen aan [geïntimeerde] of haar schuldeisers (productie 3);
  • bankafschriften van [Rekeningnummer 2] over de periode 1 januari 2012 tot en met februari 2017 (productie 4);
  • een op 14 maart 2016 ondertekend klachtformulier van het Kifid en een brief van het Kifid van 22 september 2016 van het Kifid aan Rabobank (productie 20);
  • een brief van Rabobank aan [appellant] van 28 december 2016, waarbij mutatieformulieren wijziging rekeninghouder zijn toegezonden (productie 21); en
  • een brief van Rabobank van 5 april 2017 aan [appellant] (productie 22).
6.6.
[geïntimeerde] heeft tegen de door [appellant] gestelde betalingen aan haar dan wel aan haar schuldeisers het verweer gevoerd dat deze betalingen uitsluitend zien op het pand in [plaats 4] , terwijl daarover - zo blijkt uit het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 10 juli 2019 - reeds is afgerekend. Ten aanzien van dit verweer overweegt het hof als volgt. De rechtbank Den Haag heeft onder 2.20 van het vonnis van 10 juli 2019 overwogen dat de exploitatie van het aan [geïntimeerde] toebedeelde pand in [plaats 4] per 1 januari 2012 voor haar rekening en risico komt. Omdat dit vonnis gezag van gewijsde heeft, staat dit tussen partijen vast. Vast staat ook dat vanaf die datum op [Rekeningnummer 2] huurinkomsten met betrekking tot de bedrijfshallen zijn ontvangen. Zoals [appellant] terecht heeft opgemerkt, gaat het er niet om dat er is afgerekend of er nog afgerekend moet worden over het pand in [plaats 4] , maar of er betalingen aan [geïntimeerde] of haar schuldeisers zijn verricht vanaf [Rekeningnummer 2] . [appellant] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] de met betrekking tot de bedrijfshallen binnengekomen huurinkomsten heeft gebruikt om de tevens uit de bankafschriften blijkende betalingen ten behoeve van het pand in [plaats 4] te betalen, terwijl dit privékosten waren.
6.7.
Ook in de hiervoor onder 6.5 genoemde stukken van het Kifid en Rabobank valt steun te vinden voor het standpunt van [appellant] . Uit het klachtformulier blijkt dat [appellant] in maart 2016 een klacht bij het Kifid heeft ingediend over het zonder zijn goedkeuring op naam van [geïntimeerde] zetten van de ooit op beider naam geopende [Rekeningnummer 2] . Het Kifid heeft bij brief van 28 december 2016 aan Rabobank onder meer geschreven:
“In uw verweer stelt u dat de beschikking geen verplichtingen creëert voor de bank en dat de bank niet meewerkt aan een wijziging van de tenaamstelling zonder medewerking van [geïntimeerde] .”Dit duidt erop dat Rabobank eerder (zonder toestemming van [geïntimeerde] ) niet bereid was de rekening op naam van [appellant] te zetten. Vervolgens heeft Rabobank [appellant] bij brief van 28 december 2016 mutatieformulieren wijziging rekeninghouder toegestuurd, waarbij zij heeft opgemerkt dat [Rekeningnummer 2] eerst op naam van [appellant] en [geïntimeerde] gezamenlijk moet worden gezet en pas daarna op naam van [appellant] . In de voorwaarden bij de mutatieformulieren is bovendien vermeld dat vanaf de ingangsdatum alleen de nieuwe rekeninghouder over tegoeden kan beschikken. Het hof leidt hieruit af dat [Rekeningnummer 2] eerst alleen op naam van [geïntimeerde] stond en dat uitsluitend degene op wiens naam de rekening staat, de beschikking daarover heeft. Bij brief van 5 april 2017 heeft Rabobank tenslotte aan [appellant] bevestigd dat de omzetting van [Rekeningnummer 2] in februari 2017 heeft plaatsgevonden. Vanaf dat moment had uitsluitend [appellant] de beschikking over de rekening.
6.8.
[appellant] heeft nog gewezen op het feit dat de afschriften van [Rekeningnummer 2] door Rabobank naar verschillende ( [appellant] onbekende) adressen van [geïntimeerde] werden gestuurd en dat [geïntimeerde] tijdens de zitting van 9 april 2018 bij de rechtbank Den Haag
- zo blijkt uit een daarvan opgemaakt proces-verbaal - de afschriften vanaf 2011 van die rekening heeft overgelegd. Ook die omstandigheden wijzen erop dat [geïntimeerde] de beschikking over [Rekeningnummer 2] had. De door [geïntimeerde] gestelde betalingen die [appellant] van [Rekeningnummer 2] zou hebben gedaan, zijn door [appellant] ter zitting in hoger beroep gemotiveerd betwist. Nu [geïntimeerde] daar niets tegenover heeft gesteld, gaat het hof ervan uit dat dit geen uitgaven van [appellant] zijn geweest. Het hof acht bij dit alles van belang dat [appellant] ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk en onweersproken heeft verklaard dat hij tussen 1 januari 2012 en februari 2017 ‘nul’ toegang tot [Rekeningnummer 2] heeft gehad en dat hij daarmee geen enkele betaling heeft verricht of ontvangen. Gelet hierop heeft [appellant] verder aannemelijk gemaakt dat hij het onderhoud van de bedrijfshallen steeds van andere (eigen) rekeningen heeft betaald.
Tussenconclusie
6.9.
Gelet op het voorgaande heeft [naam 1] met zijn vaststelling dat [Rekeningnummer 2] tussen
1 januari 2012 en februari 2017 uitsluitend ter beschikking van [appellant] heeft gestaan, een onjuist uitgangspunt gehanteerd. Dit is van belang omdat [naam 1] hierdoor ten onrechte heeft geconcludeerd dat alle huuropbrengsten ten goede van [appellant] zijn gekomen.
Grief 1slaagt derhalve. Verrekening van het exploitatieresultaat zal opnieuw moeten plaatsvinden.
Nieuw deskundigenonderzoek
6.10.
Het hof acht het in dit kader nodig een nieuw deskundigenonderzoek te bevelen. Het hof is voornemens hiervoor [naam 2] , verbonden aan Ebben Partners B.V., Nassaulaan 25 | 1213 BA Hilversum, info@ebbenpartners.nl |
www.ebbenpartners.com; tel: + 31 (0) 35 205 75 75 als deskundige in te schakelen, tenzij partijen alsnog met een eensluidend voorstel komen om een ander persoon als deskundige te benoemen. In dat geval zal het hof in beginsel die persoon als deskundige benoemen. Voor het geval hij wel wordt benoemd, heeft de heer [naam 2] vast aan het hof bevestigd dat hij in deze zaak vrij staat. Op basis van randnummer 70 van de Leidraad deskundigen in civiele zaken wil de heer [naam 2] de benoeming enkel aanvaarden onder de voorwaarde dat zijn gebruikelijke aansprakelijkheidsbeperking van toepassing is. De tekst hiervan zal samen met de kostenbegroting ter beoordeling aan dit arrest worden gehecht.
6.11.
Aan de deskundige zal de volgende vraag worden gesteld:
Hoe ziet ter uitvoering van de beslissing in het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2019 het overzicht van de inkomsten en uitgaven met betrekking tot de exploitatie van de bedrijfshal [straat 2] en de bedrijfshal [straat 2] te [plaats 3] over de periode 1 januari 2012 t/m 1 november 2017 eruit en dienen partijen uit hoofde daarvan nog gelden met elkaar te verrekenen?
6.12.
De heer [naam 2] heeft zijn werkzaamheden begroot op een bedrag € 32.680,64 inclusief kantoorkosten en btw.
6.13.
Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich
bij akteuit te laten over de hiervoor genoemde persoon van de deskundige en de kostenbegroting, een ander als vervat in de bij dit arrest gevoegde brief van de heer [naam 2] van 19 januari 2026. Zoals hiervoor vermeld worden partijen ook in de gelegenheid gesteld met een eensluidend voorstel te komen inzake de persoon van de te benoemen deskundige.
Zij dienen zich in hun akte uitsluitend tot dit onderwerp te beperken. Met betrekking tot de kosten van het deskundigenonderzoek bepaalt het hof dat deze kosten vooralsnog door beide partijen gezamenlijk dienen te worden gedragen.
6.14.
Gezien het voorgaande heeft [appellant] geen belang bij de bespreking van
grief 2in principaal appel.
Aanvullende huurinkomsten
6.15.
Met haar
griefin incidenteel appel komt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de rechtbank dat twijfel aan de volledigheid van de door [appellant] aangeleverde informatie er niet toe kan leiden dat van een hoger bedrag aan huurinkomsten voor de bedrijfshallen moet worden uitgegaan.
6.16.
Samengevat stelt [geïntimeerde] dat [appellant] meer huurinkomsten heeft ontvangen dan hij aan [naam 1] heeft opgegeven. Zij beroept zich op een huurovereenkomst, op grond waarvan [appellant] de bedrijfsruimte aan de [straat 2] te [plaats 3] met ingang van 1 januari 2013 gedurende vijf jaar voor € 6.000,- per jaar aan [bedrijf 2] B.V. heeft verhuurd, en de opmerking in een brief van 23 januari 2019 van de toenmalige advocaat van [appellant] dat een werknemer van [bedrijf 2] B.V. op een van de foto’s staat. Volgens [geïntimeerde] volgt hieruit dat de huurovereenkomst kennelijk na de eerste vijf jaar is voortgezet en tot de levering van de bedrijfshallen per 1 november 2019 heeft voortgeduurd. Het exploitatieresultaat moet daarom met € 41.000,- minus het door [naam 1] meegenomen bedrag van € 13.653,- en dus in totaal met € 27.347,- worden aangevuld. Omdat [appellant] opzettelijk de huurinkomsten heeft verzwegen, heeft hij ingevolge artikel 3:194 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn aandeel verbeurd en komt het bedrag van € 27.347,- uitsluitend [geïntimeerde] toe, aldus [geïntimeerde] .
6.17.
[appellant] heeft het betoog van [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. Hij voert aan dat [bedrijf 2] B.V. een vennootschap van zijn broer is en dat die slechts twee huurtermijnen heeft voldaan en wel op [Rekeningnummer 2] . Omdat de bedrijfsruimte vol met spullen stond en dus niet beschikbaar was, hebben de broers afgesproken dat er verder geen huur meer hoefde te worden betaald. [appellant] heeft betwist dat op de bewuste foto een werknemer van [bedrijf 2] B.V. te zien was. Hij stelt dat dit de partner van een oud-medewerkster van de onderneming van [geïntimeerde] was en dat [geïntimeerde] dit kan bevestigen. Nu [geïntimeerde] deze nadere stellingen van [appellant] niet heeft weersproken, gaat het hof van de juistheid daarvan uit. Dat betekent dat de grief faalt en dat de vordering van [geïntimeerde] in hoger beroep zal worden afgewezen.
Opheffing beslag6.18. Nu het op 26 april 2025 gelegde conservatoir beslag diende tot zekerheid van verhaal van de vordering in incidenteel appel en die vordering, zoals hiervoor is overwogen, wordt afgewezen, dient het beslag te worden opgeheven. Het hof zal het door [appellant] gevorderde bevel toewijzen.
Conclusie
6.19.
Het incidentele appel heeft geen succes. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten daarvan.
6.20.
In principaal appel wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

7.Beslissing

Het hof:
in principaal appel:
verwijst de zaak naar de rolzitting van
24 februari 2026voor het nemen van een akte door ieder van partijen met het onder 6.13 vermelde doel;
beveelt [geïntimeerde] om binnen zeven dagen na betekening van dit arrest het door haar op
16 april 2025 gelegde conservatoir beslag op gelden die aan [appellant] toekomen in depot bij notaris Verhees Notarissen N.V. op te heffen;
houdt iedere verdere beslissing aan;
in incidenteel appel:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
wijst de vordering in hoger beroep af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel appel tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 2.213,00 aan salaris;
in principaal en incidenteel appel:
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, F.J. van de Poel en W. Aardenburg, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.