Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
wordt geleverd en om € 78.494,03 aan [appellant] te betalen uit hoofde van overbedeling
€ 57.642,42 die de notaris voor [appellant] onder zich houdt.
4.Procedure bij de rechtbank
- uitvoerbaar bij voorraad - veroordeelt tot betaling aan hem van € 115.653,30 met rente aan te verrekenen uitgaven met betrekking tot de exploitatie van de bedrijfshallen.
aan [geïntimeerde] te betalen € 21.643,01, te vermeerderen met wettelijke rente en € 1.464,93 aan beslagkosten, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.
5.Vordering in hoger beroep
€ 27.347,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2022, te voldoen.
6.Beoordeling
twee grievenop tegen de beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering als hiervoor onder 4.5 en 4.6 is weergegeven. [geïntimeerde] komt in incidenteel appel met
een grief op tegen de verwerping van haar betoogdat [naam 1] vanwege onvolledige informatie van [appellant] van hogere huurinkomsten had moeten uitgaan. Het hof ziet aanleiding het principale en incidentele appel gezamenlijk te bespreken.
grief 1voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte de bevindingen van [naam 1] heeft gevolgd. [appellant] is het met name niet eens met de conclusie van [naam 1] dat [Rekeningnummer 2] van 1 januari 2012 tot februari 2017 uitsluitend ter beschikking van [appellant] heeft gestaan omdat er geen betalingen aan [geïntimeerde] of haar schuldeisers op de rekening zouden zijn aangetroffen. [appellant] voert aan dat [Rekeningnummer 2] juist uitsluitend ter beschikking van [geïntimeerde] heeft gestaan. Hij stelt daartoe dat er wel degelijk betalingen aan [geïntimeerde] (of haar schuldeisers) zijn gedaan in de bewuste periode en dat Rabobank en [geïntimeerde] eerst onder druk van een procedure bij het Klachteninstituut financiële dienstverlening (Kifid) hebben willen meewerken aan het op naam van [appellant] zetten van [Rekeningnummer 2] .
- overzicht van betalingen aan [geïntimeerde] of haar schuldeisers (productie 3);
- bankafschriften van [Rekeningnummer 2] over de periode 1 januari 2012 tot en met februari 2017 (productie 4);
- een op 14 maart 2016 ondertekend klachtformulier van het Kifid en een brief van het Kifid van 22 september 2016 van het Kifid aan Rabobank (productie 20);
- een brief van Rabobank aan [appellant] van 28 december 2016, waarbij mutatieformulieren wijziging rekeninghouder zijn toegezonden (productie 21); en
- een brief van Rabobank van 5 april 2017 aan [appellant] (productie 22).
“In uw verweer stelt u dat de beschikking geen verplichtingen creëert voor de bank en dat de bank niet meewerkt aan een wijziging van de tenaamstelling zonder medewerking van [geïntimeerde] .”Dit duidt erop dat Rabobank eerder (zonder toestemming van [geïntimeerde] ) niet bereid was de rekening op naam van [appellant] te zetten. Vervolgens heeft Rabobank [appellant] bij brief van 28 december 2016 mutatieformulieren wijziging rekeninghouder toegestuurd, waarbij zij heeft opgemerkt dat [Rekeningnummer 2] eerst op naam van [appellant] en [geïntimeerde] gezamenlijk moet worden gezet en pas daarna op naam van [appellant] . In de voorwaarden bij de mutatieformulieren is bovendien vermeld dat vanaf de ingangsdatum alleen de nieuwe rekeninghouder over tegoeden kan beschikken. Het hof leidt hieruit af dat [Rekeningnummer 2] eerst alleen op naam van [geïntimeerde] stond en dat uitsluitend degene op wiens naam de rekening staat, de beschikking daarover heeft. Bij brief van 5 april 2017 heeft Rabobank tenslotte aan [appellant] bevestigd dat de omzetting van [Rekeningnummer 2] in februari 2017 heeft plaatsgevonden. Vanaf dat moment had uitsluitend [appellant] de beschikking over de rekening.
- zo blijkt uit een daarvan opgemaakt proces-verbaal - de afschriften vanaf 2011 van die rekening heeft overgelegd. Ook die omstandigheden wijzen erop dat [geïntimeerde] de beschikking over [Rekeningnummer 2] had. De door [geïntimeerde] gestelde betalingen die [appellant] van [Rekeningnummer 2] zou hebben gedaan, zijn door [appellant] ter zitting in hoger beroep gemotiveerd betwist. Nu [geïntimeerde] daar niets tegenover heeft gesteld, gaat het hof ervan uit dat dit geen uitgaven van [appellant] zijn geweest. Het hof acht bij dit alles van belang dat [appellant] ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk en onweersproken heeft verklaard dat hij tussen 1 januari 2012 en februari 2017 ‘nul’ toegang tot [Rekeningnummer 2] heeft gehad en dat hij daarmee geen enkele betaling heeft verricht of ontvangen. Gelet hierop heeft [appellant] verder aannemelijk gemaakt dat hij het onderhoud van de bedrijfshallen steeds van andere (eigen) rekeningen heeft betaald.
1 januari 2012 en februari 2017 uitsluitend ter beschikking van [appellant] heeft gestaan, een onjuist uitgangspunt gehanteerd. Dit is van belang omdat [naam 1] hierdoor ten onrechte heeft geconcludeerd dat alle huuropbrengsten ten goede van [appellant] zijn gekomen.
Grief 1slaagt derhalve. Verrekening van het exploitatieresultaat zal opnieuw moeten plaatsvinden.
www.ebbenpartners.com; tel: + 31 (0) 35 205 75 75 als deskundige in te schakelen, tenzij partijen alsnog met een eensluidend voorstel komen om een ander persoon als deskundige te benoemen. In dat geval zal het hof in beginsel die persoon als deskundige benoemen. Voor het geval hij wel wordt benoemd, heeft de heer [naam 2] vast aan het hof bevestigd dat hij in deze zaak vrij staat. Op basis van randnummer 70 van de Leidraad deskundigen in civiele zaken wil de heer [naam 2] de benoeming enkel aanvaarden onder de voorwaarde dat zijn gebruikelijke aansprakelijkheidsbeperking van toepassing is. De tekst hiervan zal samen met de kostenbegroting ter beoordeling aan dit arrest worden gehecht.
Hoe ziet ter uitvoering van de beslissing in het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2019 het overzicht van de inkomsten en uitgaven met betrekking tot de exploitatie van de bedrijfshal [straat 2] en de bedrijfshal [straat 2] te [plaats 3] over de periode 1 januari 2012 t/m 1 november 2017 eruit en dienen partijen uit hoofde daarvan nog gelden met elkaar te verrekenen?
bij akteuit te laten over de hiervoor genoemde persoon van de deskundige en de kostenbegroting, een ander als vervat in de bij dit arrest gevoegde brief van de heer [naam 2] van 19 januari 2026. Zoals hiervoor vermeld worden partijen ook in de gelegenheid gesteld met een eensluidend voorstel te komen inzake de persoon van de te benoemen deskundige.
Zij dienen zich in hun akte uitsluitend tot dit onderwerp te beperken. Met betrekking tot de kosten van het deskundigenonderzoek bepaalt het hof dat deze kosten vooralsnog door beide partijen gezamenlijk dienen te worden gedragen.
grief 2in principaal appel.
griefin incidenteel appel komt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de rechtbank dat twijfel aan de volledigheid van de door [appellant] aangeleverde informatie er niet toe kan leiden dat van een hoger bedrag aan huurinkomsten voor de bedrijfshallen moet worden uitgegaan.
7.Beslissing
24 februari 2026voor het nemen van een akte door ieder van partijen met het onder 6.13 vermelde doel;
16 april 2025 gelegde conservatoir beslag op gelden die aan [appellant] toekomen in depot bij notaris Verhees Notarissen N.V. op te heffen;