ECLI:NL:GHAMS:2026:323

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
23-001404-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen invoer van 941,6 gram cocaïne via Schiphol

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en verdachte veroordeeld voor medeplegen van de invoer van 941,6 gram cocaïne op Schiphol. De verdachte had een coördinerende rol in het gezamenlijke plan om de cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland te brengen.

Het bewijs bestond uit chatberichten tussen verdachte en medeverdachte, waarin versluierd werd gesproken over de invoer van verdovende middelen, de organisatie van de reis en het vervoer van de cocaïne, onder meer via een boxershort en later een koffer. De verdachte regelde onder andere de vlucht en het verblijf van de medeverdachte op Curaçao en stemde af over de wijze van smokkel.

De verdediging voerde aan dat de verdachte geen materiële of intellectuele bijdrage had geleverd en dat de gesprekken niet wezen op medeplegen. Het hof verwierp dit verweer en achtte bewezen dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte handelde.

De straf is bepaald op 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, rekening houdend met de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De vrijspraak van de politierechter is vernietigd en de verdachte is veroordeeld.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen van invoer van 941,6 gram cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001404-24
datum uitspraak: 11 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer
15-153506-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1980,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 15 april 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 15 april 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel
als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode tussen 31 maart 2024 tot en met 15 april 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door
  • contact te hebben met [medeverdachte] en elkaar op de hoogte te houden van elkaars reisbewegingen van en naar Curaçao, en/of
  • het verblijf van [medeverdachte] op Curaçao te regelen, en/of
  • de boxershort met daarin cocaïne te regelen voor [medeverdachte] , en/of
  • samen met [medeverdachte] te beslissen dat de cocaïne op een andere manier dan door middel van de
boxershort moest worden vervoerd, en/of
  • [medeverdachte] te helpen bij het boeken van een nieuwe terugreis waarop de cocaïne vervoerd zou gaan worden, en/of
  • van [medeverdachte] een bericht te ontvangen waarin wordt aangegeven dat [medeverdachte] de cocaïne in een koffer zal gaan smokkelen, en/of
  • [medeverdachte] op 14 april 2024 naar het vliegveld te brengen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde medeplegen van de invoer van cocaïne. Het berichtenverkeer tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] is duidelijk gericht op het vervoeren van verdovende middelen. Uit de berichten kan worden afgeleid dat de verdachten hebben afgesproken dat [medeverdachte] de cocaïne via een koffer naar Nederland zou vervoeren. Enkele dagen later is [medeverdachte] op Schiphol aangehouden met twee pakketten cocaïne in zijn koffer. De berichten over en weer laten een duidelijke rolverdeling tussen de beide verdachten zien, waarbij de verdachte een sturende rol aanneemt en gezamenlijke beslissingen worden genomen. De verklaring van de verdachte – inhoudende dat hij met de medeverdachte [medeverdachte] naar een seksfeest zou gaan en hem heeft geholpen met het (om)boeken van zijn vlucht – is niet aannemelijk geworden en strookt niet met de inhoud van de gesprekken tussen de verdachten, aldus de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft subsidiair gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor medeplichtigheid aan de invoer van cocaïne.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. De verdachte heeft geen uitvoeringshandelingen verricht die zien op het invoeren van cocaïne. Uit de chatgesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte
[medeverdachte] kan niet worden afgeleid, dat de verdachte daadwerkelijk een materiële of intellectuele bijdrage heeft geleverd aan de invoer van de cocaïne. Het is op basis van het dossier onvoldoende duidelijk geworden welke rol de verdachte zou hebben gehad bij de invoer van de drugs en of die rol ook substantieel is geweest. Het dossier bevat dan ook onvoldoende bewijs voor de nauwe en bewuste samenwerking die voor een bewezenverklaring van medeplegen vereist is. Ook voor de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid bevat het dossier onvoldoende bewijs, aangezien niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het handelen van de medeverdachte [medeverdachte] .
Oordeel van het hof
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 15 april 2024 is [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) op Schiphol aangehouden nadat hij vanuit Curaçao in Nederland was aangekomen. In de koffer van [medeverdachte] is door verbalisanten een tweetal sealbags aangetroffen met daarin in totaal 941,6 gram cocaïne.
Op de telefoon van [medeverdachte] is een verwijderd WhatsApp chatgesprek met de verdachte aangetroffen en onderzocht. Dit verwijderde gesprek was van 31 maart 2024 tot en met 15 april 2024. Op de telefoon van de verdachte is hetzelfde gesprek aangetroffen met contactnaam [medeverdachte] (
het hof begrijpt: [medeverdachte]). Dit gesprek is van 19 februari 2024 tot 15 april 2024. Uit de in het dossier opgenomen chatberichten volgt dat de verdachte en [medeverdachte] in de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde feit veelvuldig contact met elkaar hadden, hetgeen de verdachte ook heeft erkend. Uit de inhoud van de berichten leidt het hof af dat door [medeverdachte] en de verdachte versluierd wordt gesproken over de invoer van verdovende middelen van Curaçao naar Nederland.
Zo stuurt de verdachte op 14 maart 2024 naar [medeverdachte] :
“Waarvoor ben je helemaal ready zodat ik het weet.”[medeverdachte] antwoordt hierop: “
Ik hou er van dat mijn dingen in de koffer gaan. Ik slik niet”
Op 26 maart 2024 stuurt [medeverdachte] naar de verdachte “
De kilo en een half wat ik moet kopen ik weet niet hoeveel geld ik krijg voor de 1,5 gekochte kilo. Geld zodat ik heb om daar beneden(het hof begrijpt: op Curaçao)
uit te geven met huurauto en plek om te verblijven laten we ook de ruim 3000 euro zetten. De mensen moeten betaald om het te maken nog ongeveer 500 euro.”De verdachte stuurt als reactie: “
Nee broer, dat alles is al geregeld. Kijk dan de dingen moeten niet te veel geld kosten want heeft geen nut snap je. Kunnen niet 12 of 13 duizend euro in te steken om 7 duizend euro te verdienen een voorbeeld.”
Op 27 maart 2024 stuurt [medeverdachte] een afbeelding met een reisschema van TUI en een bijbehorende factuur.
Uit het reisschema volgt dat [medeverdachte] op 31 maart 2024 naar Curaçao zal vliegen en daar op 1 april 2024 zal aankomen. De verdachte reageert met “
Zo direct zeg ik je hoeveel tikkie je moet sturen”.Op 28 maart 2024 stuurt [medeverdachte] de verdachte daadwerkelijk een betaalverzoek van 600 euro en bedankt hem enkele minuten later voor de betaling hiervan.
Op 31 maart 2024 en op 1 april 2024 – de dag dat [medeverdachte] op Curaçao arriveert – stuurt de verdachte berichten naar [medeverdachte] dat deze zijn vluchtnummer moet sturen en dat de verdachte een Nederlandse dame naar [medeverdachte] toe zal laten komen waarbij hij gaat verblijven totdat de verdachte zelf op het eiland is. [medeverdachte] vraagt hierop of de verdachte tegen “ [persoon] ” kan zeggen dat hij ook één nacht ergens anders wil verblijven.
Op 3 april 2024 laat de verdachte vervolgens aan [medeverdachte] weten dat hij, de verdachte, zelf op 4 april 2024 zal aankomen
(het hof begrijpt: op Curaçao).
Op 8 april 2024 vraagt [medeverdachte] in een bericht aan de verdachte hoe “
het ding” is voorbereid en wat hij moet aantrekken. Daarnaast stuurt hij ‘
laat mij een andere manier zoeken om het mee te nemen en jij en ik zullen dan regelen” en “
want zo is het moeilijk om aan te komen ze zullen het vinden”. De verdachte reageert instemmend en zegt toe een andere manier te zullen zoeken. Later die dag vraagt de verdachte aan [medeverdachte] of hij “de boxer” (
het hof begrijpt: de boxershort) heeft aangetrokken. [medeverdachte] reageert “
Ja aan de voorkant is het goed. Maar aan de achterkant is het te merken/te zien.” De verdachte reageert bevestigend, waarop [medeverdachte] reageert “
En als ze hun handen erlangs halen den treffen ze de punten. En voelen ze het.
Daarom juist we gaan een andere manier zoeken. Kijk of je met de man kunt regelen”.De verdachte reageert dat hij de man dan de waarheid moet zeggen. Hierop stuurt [medeverdachte]
“Ja praat met Hem zeg hem dat de boxer mij niet bevallen is het is raar gemaakt het heeft Punten als ze gaan fouilleren dan zullen ze het voelen. (…) We zoeken iemand anders of een ander model.
Ik ben bereid om jou te helpen maak je niet druk. Aangezien je het ding hebt geregeld moet het nu alleen aankomen”.
De verdachte reageert wederom instemmend, waarop [medeverdachte] stuurt: ”
Goed haal mij op om 18:45 ik ga het spelletje spelen en mijn koffer meenemen”De verdachte zegt vervolgens toe [medeverdachte] op te halen.
Op 10 april 2024 vraagt [medeverdachte] aan de verdachte of hij het best zondag (
het hof begrijpt: 14 april 2025) of maandag (
het hof begrijpt: 15 april 2024) kan vliegen. De verdachte reageert hierop dat hij zelf rond
18 of 19 (
het hof begrijpt: april) vliegt.
Op 15 april 2024 is [medeverdachte] vervolgens op Schiphol aangehouden met twee sealbags cocaïne in zijn koffer.
Naast de chatgesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte] bevat het procesdossier chatgesprekken tussen de verdachte en een persoon die in de telefoon van de verdachte staat opgeslagen als “ [persoon] ”.
Op 1 april 2024 – de dag dat [medeverdachte] op Curaçao arriveert – stuurt [persoon] naar de verdachte “
Geef mij z’n nummer. Dan haal ik hem” en “
Heb je hem gezegd dat ik kom? Ik ben daar”De verdachte reageert met “
Bericht hem dan bericht hem.”, waarop [persoon] hem antwoordt “
Rustig, we zijn al in de auto en op weg naar mijn huis. Beter plannen jij.”Diezelfde dag stuurt [persoon] de verdachte een tikkie met de naam “Vriend” en vraagt hem enkele uren later of het is gelukt. De verdachte reageert dat hij moet wachten op iemand die het op zijn rekening kan storten.
Tot slot bevat het dossier een chatgesprek tussen de verdachte en een telefoonnummer van een onbekend gebleven gebruiker. Via dit telefoonnummer krijgt de verdachte op 8 april 2024 – een datum binnen de periode dat hij volgens de chatgesprekken met [medeverdachte] op Curaçao verblijft, namelijk van 4 tot 18 of
19 april 2024 – verschillende foto’s van een blok van een witte substantie toegestuurd. Naar het hof ambtshalve bekend is, ziet dit blok eruit als een kiloblok cocaïne. De verdachte reageert hierop:
“Het ziet er ook netjes uit, goed, ik stuur het.”
Uit de voorgaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat [medeverdachte] verantwoording aflegde aan de verdachte over zijn uitgaven voorafgaand aan de reis en dat de verdachte zijn vliegticket naar Curaçao en zijn verblijf aldaar heeft bekostigd en georganiseerd. De verdachte en [medeverdachte] voeren gesprekken over de boxer van [medeverdachte] en constateren dat ze “het” zullen vinden als [medeverdachte] aan de boxer met punten zal worden gefouilleerd. Hierop wordt een ander plan gemaakt en deelt [medeverdachte] aan de verdachte mede dat hij “zijn koffer” zal meenemen. [medeverdachte] stuurt de verdachte een bericht dat hij “het ding” heeft geregeld en dat hij hem daarom wil helpen. Het hof leidt uit de bovenstaande feiten en omstandigheden af dat de verdachte een coördinerende rol heeft vervuld bij het invoeren van de cocaïne door [medeverdachte] .
Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte zodanig was betrokken bij de invoer van de cocaïne door [medeverdachte] , dat hij daarbij in nauwe en bewuste samenwerking met hem heeft gehandeld en dus als medepleger is aan te merken. Met zijn coördinerende rol heeft hij een substantiële bijdrage geleverd aan het gezamenlijke plan om een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen.
De verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij met de medeverdachte [medeverdachte] naar een seksfeest zou gaan en dat de gesprekken over de boxer daarop zagen, en dat hij [medeverdachte] heeft geholpen met het (om)boeken van diens vlucht na een gemiste vlucht voor een vakantie, acht het hof gelet op de voormelde inhoud van die gesprekken en het versluierd taalgebruik daarin ongeloofwaardig. Het hof schuift deze verklaring dan ook terzijde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 15 april 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen hem in eerste aanleg ten laste is gelegd
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaar.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de strafmaat gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van invoeren van 941,6 gram cocaïne op de luchthaven Schiphol. De verdachte had daarbij een coördinerende rol. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Gelet op de hoeveelheid cocaïne kan het niet anders dan dat deze cocaïne was bedoeld voor verdere verkoop en verspreiding.
De handel in harddrugs, en in het verlengde daarvan het gebruik ervan, betekenen een bedreiging van de volksgezondheid, zorgen voor onrust in de samenleving en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent de verdachte aan dat hij als medepleger hieraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.
Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt bij een hoeveelheid van tussen de 500 en 1000 gram harddrugs een gevangenisstraf van tussen zes en acht maanden als uitgangspunt genomen.
De verdachte is sinds 10 jaar voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit en in de periode daarna niet voor vergelijkbare feiten veroordeeld. Het hof ziet hierin aanleiding om de gevangenisstraf deels in voorwaardelijke vorm op te leggen, zodat de verdachte een flinke waarschuwing ervaart om hem ervan te weerhouden in de toekomst soortgelijke strafbare feiten te plegen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. E.J Hofstee en mr. A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van
mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
11 februari 2026.
Mrs. E.J. Hofstee, A.M.A. Keulen en L.C. de Groot zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]