ECLI:NL:GHAMS:2026:328

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
200.356.567
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 2 RvECLI:NL:HR:2019:2026
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over schorsing tenuitvoerlegging vonnis op woningen en auto’s

In deze zaak staat een executiegeschil centraal waarbij appellanten de schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar verklaard vonnis op hun woningen en auto’s vorderen. Het vonnis van de voorzieningenrechter werd deels vernietigd en deels bekrachtigd. De vordering tot schorsing van de executie op één woning werd alsnog afgewezen.

De feiten betreffen een vonnis van 4 december 2024 waarbij appellanten hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling van aanzienlijke geldbedragen, met executoriaal beslag op hun woningen en auto’s. Appellanten stelden dat executie tot een noodtoestand leidt, onder meer vanwege de aanwezigheid van minderjarige kinderen en medische omstandigheden, maar deze stellingen werden onvoldoende onderbouwd.

De voorzieningenrechter kende in eerste aanleg deels schorsing toe, maar het hof oordeelde dat het belang van geïntimeerde bij executie zwaarder weegt. De auto’s moeten worden afgegeven aan de deurwaarder en de rentevorderingen worden toegewezen. Appellanten worden veroordeeld in de proceskosten. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 10 februari 2026 uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten wordt afgewezen en de executie van het vonnis op hun woningen en auto’s wordt voortgezet.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.356.567/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/768477 / KG ZA 25-323
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 februari 2026
inzake

1.[appellant 1] ,

2.
[appellant 2], en
3.
[appellant 3],
allen wonende te [plaats 1] ,
appellanten in principaal appel,
geïntimeerden in incidenteel appel,
advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal appel,
appellant in incidenteel appel,
advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam.

1.De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om een executiegeschil ex artikel 438 lid 2 Rv Pro. De vorderingen van appellanten tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar verklaard vonnis op een aantal afzonderlijke vermogensbestanddelen (huizen en auto’s) worden met toepassing van de maatstaf van ECLI:NL:HR:2019:2026 alle ongegrond bevonden. Het vonnis van de voorzieningenrechter in conventie wordt op het punt van de toewijzing van de vordering met betrekking tot één van de woningen vernietigd - met afwijzing alsnog van die vordering - en overigens bekrachtigd. Het vonnis in reconventie - waarbij de tegenvordering van geïntimeerde tot afgifte van de auto’s aan de deurwaarder versterkt met een dwangsom is toegewezen, alsmede een vordering tot vermeerdering van de veroordelingen in de bodemzaak met rente - wordt eveneens bekrachtigd.

2.Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding tevens houdende de grieven van 2 juli 2025, zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie tevens verweerders in reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.
Partijen hebben de volgende stukken ingediend:
  • memorie van grieven overeenkomstig de dagvaarding, met producties;
  • memorie van antwoord tevens memorie van eis in incidenteel appel, met producties;
  • memorie van antwoord in incidenteel appel tevens reactie op memorie van eis in
incidenteel appel;
- een akte van [geïntimeerde] , met een productie;
- een antwoordakte van [appellanten]
Partijen hebben de zaak ter zitting van 9 januari 2026 mondeling doen toelichten, [appellanten] door mr. Du Bois en [geïntimeerde] door mr. Slager en mr. P.L. Lange, advocaat te Amsterdam, mr. Du Bois aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. [appellanten] hebben daarbij nog de producties in het geding gebracht die op 23 december 2025 ter griffie van het hof zijn ontvangen.
Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak verwezen naar de rol van heden voor arrest.

3.De achtergrond van het geschil

3.1.
[appellant 1] en [appellant 2] zijn met elkaar getrouwd. Zij wonen met hun twee minderjarige kinderen in de hun in eigendom toebehorende woning [straat 1] [nummer 1] te [plaats 1] . [appellant 3] is een broer van [appellant 1] en woont in de hem in eigendom toebehorende woning [straat 2] [nummer 2] te [plaats 1] .
3.2.
[geïntimeerde] is de voormalig boekhouder van [appellanten]
3.3.
Op 11 oktober 2022 heeft [geïntimeerde] tot zekerheid van verhaal van diverse vorderingen op [appellant 1] en [appellant 2] conservatoir beslag doen leggen op hun woning aan de [straat 1] te [plaats 1] .
3.4.
Bij vonnis van de rechtbank [plaats 1] van 4 december 2024 zijn - uitvoerbaar bij voorraad - [appellant 1] en [appellant 2] op vordering van [geïntimeerde] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 316.550,36 en zijn zij daarnaast hoofdelijk met [appellant 3] veroordeeld tot betaling van € 147.075,48. De eerste veroordeling is gegrond op een vaststellingsovereenkomst van 5 april 2022 en de tweede veroordeling op een (nadere) overeenkomst van geldlening van 15 juli 2022. Door het vonnis is het beslag op de woning van [appellant 1] en [appellant 2] omgezet in executoriaal beslag.
3.5.
[geïntimeerde] heeft het vonnis van 4 december 2024 aan [appellanten] doen betekenen en de executie van het vonnis aangezegd door verkoop van de woning van [appellant 1] en [appellant 2] en van de daartoe in executoriaal beslaggenomen auto’s van [appellant 1] en [appellant 2] en woning van [appellant 3] .
3.6.
[appellanten] hebben tegen het vonnis van 4 december 2024 hoger beroep ingesteld.

4.De eerste aanleg

4.1.
[appellanten] hebben bij de inleidende dagvaarding van 19 mei 2025 gevorderd dat [geïntimeerde] op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld om de executie van het vonnis van 4 december 2024 te staken en gestaakt te houden totdat het hoger beroep te wijzen arrest in kracht van gewijsde is gegaan. Aan de vordering is - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat het vonnis evidente feitelijke en juridische misslagen bevat en de rechtsverhouding tussen partijen onjuist weergeeft en dat executie van het vonnis een noodtoestand voor [appellanten] doet ontstaan, terwijl [geïntimeerde] geen spoedeisend belang heeft om vooruitlopend op een definitieve uitkomst van het hoger beroep het vonnis te executeren.
4.2.
[geïntimeerde] heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd dat [appellant 1] en [appellant 2] worden veroordeeld tot afgifte aan de deurwaarder van de inbeslaggenomen auto’s op straffe van een dwangsom en dat [appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de in het vonnis van 4 december 2024 toegewezen bedragen vanaf 10 november 2022.
4.3.
De voorzieningenrechter heeft in conventie met vooropstelling van de maatstaf van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) de vordering van [appellant 1] en [appellant 2] met betrekking tot hun woning versterkt met een dwangsom toegewezen tot dat in hoger beroep uitspraak is gedaan (conform het in tijd beperkte toepassingsbereik van de veroordeling; zie genoemd arrest van de HR rov. 5.6.4.), met afwijzing van het door [appellanten] in conventie meer of anders gevorderde en compensatie van kosten. In reconventie zijn de vorderingen van [geïntimeerde] tot afgifte door [appellant 1] en [appellant 2] van hun auto’s aan de deurwaarder versterkt met een dwangsom toegewezen, evenals de rentevorderingen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten, tot de datum van het vonnis begroot op nihil.

5.Vervolg op de eerste aanleg

5.1.
[geïntimeerde] heeft tegen betaling door [appellant 1] en [appellant 2] van € 25.000 ermee ingestemd dat zij hun auto’s behouden voor de duur van het hoger beroep tegen het vonnis van 4 december 2024.
5.2.
Op 10 juni 2025 is in het hoger beroep tegen het vonnis van 4 december 2024 aan [appellanten] verval van instantie verleend wegens verzuim om tijdig een memorie van grieven in te dienen.
5.3.
Bij arrest van dit hof van 22 juli 2025 zijn [appellanten] in het hoger beroep tegen het vonnis van 4 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
5.4.
[appellanten] hebben tegen het arrest van 22 juli 2025 tijdig beroep in cassatie ingesteld. Op de mondelinge behandeling bij het hof is verklaard dat de uitspraak van de Hoge Raad op het cassatieberoep in maart van dit jaar wordt verwacht.

6.Beoordeling van het hoger beroep

in principaal en incidenteel appel
6.1.
De grieven in principaal en incidenteel appel stellen de vorderingen van partijen opnieuw aan de orde en zullen aan de hand van de vorderingen worden behandeld. Voor de vorderingen van [appellanten] geldt dat zij in hoger beroep niet expliciet hebben gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 4 december 2024 wordt geschorst totdat op het cassatieberoep tegen het arrest van 22 juli 2025 is beslist. Dat ligt gegeven doel en strekking van de vorderingen wel in de rede, zodat de vorderingen redelijkerwijs aldus worden uitgelegd. Het verzet tegen die uitleg van [geïntimeerde] is dan ook ongegrond. Voor zover [appellanten] hebben bedoeld te betogen dat de tenuitvoerlegging moet worden geschorst totdat in een andere procedure tussen partijen tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst is beslist, gaat het hof daaraan voorbij, omdat dit niet is gevorderd.
I.
de vorderingen van [appellanten]
6.2.
Het gaat om vorderingen in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis waartegen een rechtsmiddel is ingesteld waarop nog niet is beslist. De voorzieningenrechter is bij de beoordeling terecht en onbestreden in hoger beroep uitgegaan van de in genoemd arrest van de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. Dat betekent concreet voor deze zaak dat in beginsel [geïntimeerde] het vonnis van 4 december 2024 ten uitvoer kan leggen, tenzij de belangen van [appellanten] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het rechtsmiddel is beslist zwaarder wegen dan het belang van [geïntimeerde] bij tenuitvoerlegging. Bij de belangenafweging moet worden uitgegaan van de beslissingen in het vonnis van 4 december 2024 en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en blijft de kans van slagen van het rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat in de belangenafweging kan worden betrokken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) op een kennelijke misslag berust(en). Verder is van belang dat de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in het vonnis van 4 december 2024 niet is gemotiveerd. Daarom geldt niet het vereiste dat alleen feiten en omstandigheden van na het vonnis kunnen worden meegewogen.
i) de woning van [appellant 1] en [appellant 2]
6.3.
De voorzieningenrechter heeft de belangenafweging voor wat betreft de woning van [appellant 1] en [appellant 2] in het voordeel van [appellant 1] en [appellant 2] doen uitslaan en de vordering versterkt met een dwangsom toegewezen. Daarvoor is als doorslaggevende reden opgegeven dat bij verkoop van de woning ook de twee minderjarige kinderen van [appellant 1] en [appellant 2] dakloos worden.
6.4.
[appellant 1] en [appellant 2] hebben ter onderbouwing van hun vordering gesteld dat na executie van hun woning onvoldoende overwaarde resteert om een andere woning te kopen of te huren. De stelling is echter niet onderbouwd en vooralsnog genoegzaam weerlegd met de onvoldoende weersproken stelling van [geïntimeerde] dat na executie van de woning en voldoening van de vordering van [geïntimeerde] een overwaarde valt te verwachten van minimaal € 120.000 en dat [appellant 1] en [appellant 2] alsdan bevrijd zijn van de maandelijkse aflossings- en renteverplichting jegens [geïntimeerde] van € 3.500. Reeds het bedrag van maandelijks € 3.500 zou voldoende moeten zijn om een andere woning te vinden. Het is dan ook niet aannemelijk dat na verkoop van de woning de twee minderjarige kinderen noodzakelijk dakloos zullen zijn. Dat is te minder het geval als partijen het eens zouden kunnen worden over een onderhandse verkoop van de woning, nu daarvan immers een hogere opbrengst valt te verwachten dan van een executieverkoop.
6.5.
De ingeroepen medische toestand van [appellant 1] is evenmin voldoende onderbouwd, althans dat die toestand een zwaarwegende omstandigheid oplevert waarvoor het belang van [geïntimeerde] bij executie moet wijken. Dat volgt in elk geval niet zonder meer uit de reeks van medische verslagen die op de zitting in hoger beroep zijn overgelegd. Kennelijk is [appellant 1] hartpatiënt, maar wat er uit die verslagen moet worden opgemaakt over de ernst van die aandoening, de huidige medische toestand van [appellant 1] en de betekenis daarvan voor de vordering van [geïntimeerde] , is niet toegelicht.
ii) de auto’s van [appellant 1] en [appellant 2]
6.6.
De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen. Daartoe is in het nadeel van [appellant 1] en [appellant 2] overwogen dat zij onvoldoende hebben aangetoond wat de waarde is van de auto’s en welk bedrijfsbelang met de auto’s is gediend.
6.7.
[appellant 1] en [appellant 2] hebben in hoger beroep niet alsnog onderbouwd wat hun bedrijfsbelang is bij behoud van de auto’s. De in algemene bewoordingen betrokken stelling dat de auto’s onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van hun bedrijf volstaat niet als voldoende onderbouwing. Bovendien valt die stelling wat betreft de auto van [appellant 1] moeilijk te rijmen met de bewering dat [appellant 1] wegens herstel van zijn hartoperatie geruime tijd buiten het arbeidsproces moet blijven. Evenmin is in hoger beroep alsnog voldoende onderbouwd wat de waarde is van de auto’s. Daarvoor is niet zonder meer redengevend dat voor behoud van de auto’s € 25.000 aan [geïntimeerde] is betaald. Merk en type van de auto’s ( [merk 1] en [merk 2] ) wijzen ook niet zonder meer op een gezamenlijke waarde van € 25.000. In ieder geval zijn er geen aanwijzingen dat de waarde van de auto’s verwaarloosbaar is en [geïntimeerde] om die reden geen belang heeft bij verkoop van de auto’s. Ook de betaling van € 25.000 laat het belang van [geïntimeerde] bij verkoop van de auto’s onverlet, omdat immers het beslag op die auto’s naar zijn aard strekt tot verhaal van de gehele omvang van de veroordelingen van [appellant 1] en [appellant 2] , waarvan het nog openstaande bedrag het bedrag van € 25.000 substantieel overstijgt. Ook overigens is niet gebleken van een belang van [appellant 1] en [appellant 2] bij behoud van de auto’s dat voldoende opweegt tegen het belang van [geïntimeerde] dat hij zijn vordering op de auto’s kan verhalen.
iii) de woning van [appellant 3]
6.8.
De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant 3] met betrekking tot zijn woning afgewezen op grond van de overweging dat het enkele feit dat verkoop van zijn woning voor hem ingrijpend is onvoldoende opweegt tegen het belang van [geïntimeerde] bij verkoop van de woning.
6.9.
[appellant 3] klaagt dat bij verkoop van zijn woning ook hij dakloos wordt door een tekort aan financiële middelen voor een andere woning. Die stelling is niet onderbouwd en door [geïntimeerde] betwist. Daarmee blijft het erbij dat verkoop van de woning voor [appellant 3] ingrijpend is. Dat is niet een belang waarvoor het belang van [geïntimeerde] bij verhaal van zijn vordering door verkoop moet wijken. De klacht dat [appellant 3] de vaststellingsovereenkomst slechts heeft ondertekend als getuige (mvg onder 13 sub a) strekt kennelijk ter betwisting van de vordering waarop zijn veroordeling ziet. Daarmee wordt miskend dat in dit executiegeschil van de veroordeling van [appellant 3] in het vonnis van 4 december 2024 moet worden uitgegaan. De klacht miskent bovendien dat in de bodemzaak is aangenomen dat [appellant 3] de vaststellingsovereenkomst juist niet heeft ondertekend (rov. 4.4. in het tussenvonnis van 22 mei 2024). De veroordeling waarvoor [geïntimeerde] zich op de woning wil verhalen is niet gegrond op die overeenkomst, maar op de (nadere) overeenkomst van geldlening van 15 juli 2022. De stelling dat [geïntimeerde] slechts eenmalig - een voor [appellant 1] en [appellant 2] bestemd en aan hen doorgestort - bedrag van € 50.000 aan [appellant 3] heeft overgemaakt, moet eveneens buiten beschouwing worden gelaten, want ziet kennelijk ook op een oordeel of vaststelling in het vonnis van 4 december 2024, waarvan hier moet worden uitgegaan.
6.10.
In aanvulling op het voorgaande geldt voor alle vorderingen van [appellanten] dat van kennelijke feitelijke en/of juridische misslagen in het vonnis van 4 december 2024 niet is gebleken. Ook overigens is niet gebleken van een voldoende zwaarwegend belang van [appellanten] bij behoud van hun woningen en auto’s, althans niet van een voldoende zwaarwegend belang waarvoor het belang van [geïntimeerde] bij tenuitvoerlegging moet wijken. Los daarvan gaan de argumenten ter betwisting van het belang van [geïntimeerde] niet op. Het argument dat de beslagen voldoende zekerheid bieden, geeft blijk van een onjuist begrip van de aard van de beslagen (executoriaal), terwijl voor gebruikmaking van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging geen spoedeisend belang is vereist. Ook het argument dat reeds substantiële bedragen aan [geïntimeerde] zijn betaald, gaat niet op zolang er nog relevante bedragen op de veroordelingen open staan. Daarbij komt dat [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep heeft gesteld dat zijn belang bij executie erin is gelegen dat hij het geld binnenkort nodig heeft voor een lijfrente, op straffe van een naheffingsaanslag van de belastingdienst.
6.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat het vonnis in conventie moet worden vernietigd voor zover de vordering van [appellant 1] en [appellant 2] met betrekking tot hun woning is toegewezen en dat die vordering alsnog zal worden afgewezen. Bij die uitkomst gelden [appellanten] als de in eerste aanleg in conventie volledig in het ongelijk gestelde partij, hetgeen hen - als door [geïntimeerde] gevorderd en verder niet betwist - op een hoofdelijke veroordeling in de kosten van de eerste aanleg in conventie komt te staan.
II.
de vorderingen van [geïntimeerde]
i) afgifte van de auto’s door [appellant 1] en [appellant 2] op straffe van een dwangsom
6.12.
De voorzieningenrechter heeft in reconventie de vordering van [geïntimeerde] tot afgifte van de auto’s versterkt met een dwangsom toegewezen. De toewijzing is gemotiveerd met een verwijzing naar de afwijzing in conventie van de vordering van [appellant 1] en [appellant 2] om de executieverkoop van hun auto’s te staken. [appellant 1] en [appellant 2] hebben tegen deze toewijzing niet afzonderlijk gegriefd. Die veroordeling blijft dus in hoger beroep staan en is kennelijk niet zonder betekenis, gelet op de proceshouding van [appellant 1] en [appellant 2] , die reden is om te betwijfelen of zij vrijwillig aan een executieverkoop van hun auto’s zullen meewerken.
ii) de rentevorderingen
6.13.
Deze vordering strekt tot herstel van het verzuim om de rente in de bodemzaak te vorderen. De vordering is voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg tijdig aangekondigd. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen als inhoudelijk niet betwist om redenen van efficiëntie toegewezen.
6.14.
[appellanten] komen daar in
principaal appeltevergeefs tegenop. De vordering is ook in hoger beroep inhoudelijk niet betwist en op een restitutierisico is geen beroep gedaan. Daarmee is aan de eisen voor toewijzing van een geldvordering in kort geding voldaan. De door [appellanten] ingeroepen vrees voor dubbele rentebetalingen is een aandachtspunt bij de executie en geen reden voor afwijzing van de vordering.
6.15.
Gelet op het voorgaande zal het vonnis in reconventie worden bekrachtigd. Ook de kostenbegroting op nihil wegens de samenhang van de eerste vordering met de conventie wordt in stand worden gelaten. Voor de tweede (rente)vordering geldt dat die al in de bodemzaak ingesteld had kunnen worden. Het is daarom redelijk dat de in deze procedure gemaakte kosten tot herstel van dat verzuim voor rekening van [geïntimeerde] worden gelaten.
6.16.
De slotsom is dat het principaal appel faalt en dat het incidenteel appel slaagt. Hetgeen overigens aan stellingen en weren is aangevoerd, kan bij gebrek aan belang onbesproken blijven. Gelet op deze uitkomst zullen [appellanten] als na te melden in de kosten van beide appellen worden veroordeeld, zoals gevorderd hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad, met nakosten.

7.De beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis in conventie voor zover [geïntimeerde] daarbij is veroordeeld om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 4 december 2024 door executoriale verkoop van de woning van [appellant 1] en [appellant 2] aan de [straat 1] [nummer 1] te [plaats 1] te staken en gestaakt te houden tot dat in hoger beroep uitspraak is gedaan op straffe van een dwangsom, en voor zover de kosten van de procedure in conventie tussen partijen zijn gecompenseerd;
en in zoverre opnieuw rechtdoende,
wijst de vordering tot staking van de executoriale verkoop van de woning van [appellant 1] en [appellant 2] aan de [straat 1] [nummer 1] te [plaats 1] versterkt met een dwangsom alsnog af;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van de eerste aanleg in conventie, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 331 vast recht en € 1.107 salaris advocaat;
bekrachtigt het vonnis in conventie voor het overige;
bekrachtigt het vonnis in reconventie;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het principaal en het incidenteel appel, aan de zijde van [geïntimeerde] in principaal appel begroot op € 362 vastrecht en € 2.428 voor salaris advocaat en in incidenteel appel op € 1.214 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, A.L. Bervoets en M. Kullmann en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.