Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
“Dank voor je bericht. Maandagochtend om 9:00 uur bellen komt goed uit. Ik spreek je dan!”
een WhatsApp bericht waarin je schreef: “Hi [naam 2] , Dank je voor je bericht. Helaas kan ik morgen of donderdag niet naar [geïntimeerde] komen. Ik heb momenteel veel last van een hernia en ervaar ernstige pijn, waardoor het voor mij niet mogelijk is om naar het werk te gaan. Ik moet zelfs met een kruk lopen om mij te ondersteunen.”
4.Eerste Aanleg
5.Beoordeling
grieven 1 t/m 3, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, bestrijdt [appellante] vanuit verschillende invalshoeken het oordeel van de kantonrechter dat de verwijten aan het adres van [appellante] een dringende reden opleverden die het ontslag op staande voet rechtvaardigde, zodat het ontslag op staande voet in stand blijft.
grief 2bestreden. Het hof stelt vast dat partijen van mening verschillen of de oude, door [appellante] in 2014 ondertekende leaseautoregeling nog geldt, nadat hem in 2020 een andere leaseauto ter beschikking is gesteld. Het hof kan dit geschil in het midden laten, omdat het wel of niet ondertekend zijn van een nieuwe regeling niet beslissend is voor de beantwoording van de vraag of de verweten gedragingen een dringende reden opleveren. Ook zonder opnieuw (bij de afgifte van een vervangende leaseauto door dezelfde leasemaatschappij in het kader van dezelfde arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] ) ondertekende overeenkomst komt, bij het ontbreken van een andersluidende overeenkomst (hetgeen door [appellante] niet is gesteld, noch is gebleken) aan de bepalingen van een oude overeenkomst betekenis toe en wel zodanig dat deze, bij gebreke van een expliciete wijziging van de gemaakte afspraken, enige nawerking hebben bij de uitleg van de mondelinge overeenkomst tot ingebruikneming van de vervangende leaseauto. Het niet ondertekend zijn van een formeel vernieuwde overeenkomst kan daaraan niet in de weg staan. Het ontbreken van een ondertekende leaseautoregeling die uitdrukkelijk op de vervangende leaseauto betrekking heeft, leidt daarmee niet tot een ander toetsingskader van de [appellante] verweten gedragingen.
volledig arbeidsongeschikt was en tot vrijwel niets in staat”. Het hof begrijpt daaruit dat [geïntimeerde] van mening is dat [appellante] in de periode van zijn arbeidsongeschiktheid fysiek niet in staat zou zijn geweest om enige afstand met de auto af te leggen. Naar het oordeel van het hof gaat [geïntimeerde] er hiermee aan voorbij dat niet onaannemelijk is – zoals [appellante] in hoger beroep herhaaldelijk heeft aangevoerd – dat de intensiteit van de klachten als gevolg van een dubbele hernia van dag tot dag kan variëren. Het feit dat [appellante] in de (in de ontslagbrief aangehaalde) Whatsapp-berichten van 11 november 2024 en 3 december 2024 aan [geïntimeerde] heeft medegedeeld dat hij op dat moment bijna niet kon lopen, betekent niet dat hij gedurende de gehele periode waarin hij arbeidsongeschikt was continu (volledig) beperkt was in zijn mogelijkheden tot bewegen, en al helemaal niet dat hij in die periode geen eigen privé-ritten in de auto kon maken, waarbij de auto door een ander werd bestuurd. [appellante] heeft de stelling van [geïntimeerde] dat het onmogelijk is om met een dubbele hernia naar [plaats 6] te rijden, gemotiveerd weersproken. Volgens [appellante] kon hij met een kussen tussen zijn rug en de autostoel, met niet al te veel pijn met de auto vervoerd worden, hoewel hij na aankomst in [plaats 6] wel pijnstillers heeft moeten kopen. [appellante] heeft zijn stellingen op dit punt onderbouwd door een rekeningafschrift te overleggen van een betaling van € 16,15 via een betaalautomaat waaruit blijkt dat er op 3 november 2024 een bedrag van zijn rekening is afgeschreven naar de rekening van een apotheek in [plaats 6] . Het hof leidt daaruit af dat [appellante] zelf op dat moment in [plaats 6] is geweest. Deze rit naar zijn familie in [plaats 6] sluit ook aan bij de tankbeurten op zijn tankpas (zie hiervoor onder 3.8. en 3.10.). Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] dan ook ten onrechte aangenomen dat [appellante] de kilometers in november 2024 niet zelf in de auto kon hebben gereden vanwege zijn medische klachten. Dat er oneigenlijk gebruik is gemaakt van de tankpas, volgt daarom niet uit de hoeveelheid benzine die in november 2024 is getankt.
JAR1994/31). [geïntimeerde] was echter ten tijde van het ontslag al op de hoogte van de voorvallen van 10 oktober, 2 en 6 november 2024. Het feit dat er op 10 oktober 2024 diesel is getankt met de tankpas van [appellante] en dat er op 2 november 2024 is getankt in [gemeente] , was [geïntimeerde] al bekend, want dit is immers zichtbaar op de brandstoffactuur van oktober respectievelijk november 2024, die (uitgaande van de verklaring van [geïntimeerde] en de door haar in hoger beroep overgelegde producties) ten behoeve van het managementoverleg van de maand daarop zullen zijn gedeeld. Ook het feit dat de auto van [appellante] op het terrein van een bloemenbeurs is gesignaleerd op 6 november 2024 was al ruim voor het ontslag op staande voet bekend bij [geïntimeerde] . Degene die toen de foto’s van de auto heeft genomen, [naam 1] , is zelfs één van de eigenaren van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft weliswaar gesteld dat dit voorval de nodige vragen bij haar opriep, maar zij heeft die vragen op geen enkel moment met [appellante] besproken of daarover opheldering verzocht, wat naar het oordeel van het hof vanuit het oogpunt van de zorgvuldigheid wel op haar weg had gelegen. Daarbij kan ook worden meegewogen dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, op de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte foto’s van 6 november 2024 niet te zien is of [appellante] zich toen (al dan) niet in de auto bevond.
NJB2025/2014).
Grief 5behoeft geen afzonderlijke bespreking. De in eerste aanleg verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, nu [geïntimeerde] heeft bestreden dat [appellante] deze kosten heeft gemaakt en [appellante] zijn verzoek op dit punt niet heeft onderbouwd.