ECLI:NL:GHAMS:2026:350

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
200.357.586
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:653 lid 4 BWArt. 7:670a lid 2 onder c BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 lid 7 sub c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ontslag op staande voet CEO wegens betaling management fee via persoonlijke vennootschap

De CEO van een onderneming werd op staande voet ontslagen omdat hij zich liet uitbetalen via een management fee aan zijn persoonlijke vennootschap, terwijl hij een arbeidsovereenkomst had met de onderneming. Tijdens onderhandelingen was afgesproken dat hij een arbeidsovereenkomst zou krijgen, en niet een managementovereenkomst.

De CEO stelde dat de grootaandeelhouder op de hoogte was van de afwijkende wijze van uitbetaling, maar het hof oordeelde dat dit niet is komen vast te staan. De grootaandeelhouder was pas ruim twee jaar later op de hoogte van de afwijkende betaling, wat het vertrouwen in de CEO verbrak. Het hof vond dat de werkgever terecht een dringende reden had voor het ontslag op staande voet en dat het ontslag onverwijld was gegeven.

De verzoeken van de CEO tot vernietiging van het ontslag en diverse vergoedingen werden afgewezen. Ook het beroep op het opzegverbod tijdens ziekte faalde. Het hof veroordeelde de CEO in de proceskosten en bekrachtigde de bestreden beschikking.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ontslag op staande voet van de CEO wegens betaling van management fees zonder medeweten van de grootaandeelhouder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.357.586/01
zaaknummer rechtbank : C/13/759459 / HA RK 24-390
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 februari 2026
inzake
[appellant],
wonende te [plaats 1] , gemeente Bloemendaal,
appellant,
advocaat: mr. G.G. Bosch te Zeist,
tegen
[geïntimeerde] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.D. Putker-Blees te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] , CEO van [geïntimeerde] , is op staande voet ontslagen omdat hij zich heeft laten uitbetalen met een management fee aan zijn persoonlijke vennootschap, terwijl hij een arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] had gesloten. [appellant] was de constructie van een arbeidsovereenkomst overeengekomen met [bedrijf 2] , de grootaandeelhouder van [geïntimeerde] . Niet is komen vast te staan dat [bedrijf 2] van deze afwijkende wijze van uitbetaling op de hoogte was. Daarmee is [appellant] er niet in geslaagd de dringende reden voor zijn ontslag op staande voet te weerleggen. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellant] is bij beroepschrift met daarbij de producties 1 tot en met 8, ontvangen ter griffie van het hof op 31 juli 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam , (hierna: de kantonrechter) op 1 mei 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
2.2.
Op 6 november 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep met producties A t/m C van [geïntimeerde] ingekomen.
2.3.
Op 3 december 2025 zijn ter griffie van het hof de producties 9 tot en met 13 aan de zijde van [appellant] ingekomen.
2.4.
Op 8 december 2025 zijn ter griffie van het hof de producties 9 (aangevuld) en 14 aan de zijde van [appellant] ingekomen.
2.5.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 12 december 2025 laten toelichten, [appellant] door mr. Bosch voornoemd en mrs. E. van der Weerdt en M.E. Berends, beiden advocaat te Zeist, en [geïntimeerde] door [naam 8] voornoemd en mrs. R.Q. Potter en J.B. Bakker, beiden advocaat te Amsterdam , aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
2.6.
Tijdens deze mondelinge behandeling heeft het hof [naam 1] , voormalig [bedrijf 1] bij [geïntimeerde] (hierna: [naam 1] ), gehoord als getuige.
2.7.
[appellant] heeft in een aparte verzoekschriftprocedure, geregistreerd bij dit hof onder zaaknummer 200.357.214/01, verzocht om in het kader van artikel 196 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), [naam 1] te doen horen als getuige. In verband daarmee heeft [appellant] verzocht om de inhoudelijke behandeling van de onderhavige procedure aan te houden in afwachting daarvan. Nadat [naam 1] op de zitting van 12 december 2025 in de onderhavige procedure was gehoord als getuige, is de verzoekschriftprocedure in het kader van artikel 196 Rv Pro ingetrokken.
2.8.
Uitspraak is bepaald op heden.

3.De feiten

De kantonrechter heeft onder 2.1 tot en met 2.32 van de bestreden beschikking een aantal feiten vastgesteld. Met grief 1 is [appellant] opgekomen tegen de weergave van het onder 2.3 weergegeven feit. Het hof zal dit feit met inachtneming van de grief en voor zover niet weersproken door [geïntimeerde] hierna onder 3.3. gewijzigd weergeven. Voor het overige zijn de door de kantonrechter vastgestelde feiten tussen partijen niet in geschil zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Waar nodig aangevuld met andere feiten die tussen partijen niet in geschil zijn, komen de feiten in hoger beroep neer op het volgende.
3.1
[bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) is een investeringsmaatschappij. [geïntimeerde] maakt deel uit van de portefeuille van [bedrijf 2] . De aandelen in [geïntimeerde] worden gehouden door [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) waarvan [bedrijf 2] grootaandeelhouder is.
3.2.
In januari 2022 is [bedrijf 2] op zoek gegaan naar een geschikte CEO voor [geïntimeerde] waarbij [appellant] in beeld kwam.
3.3.
In februari 2022 onderhandelden [appellant] en [bedrijf 2] over de positie van [appellant] als CEO bij [geïntimeerde] en de daarbij geldende voorwaarden. Tijdens de onderhandeling met [naam 2] van [bedrijf 2] (hierna: [naam 2] ), zijn zowel de optie van een arbeidsovereenkomst, als de optie van een managementovereenkomst besproken. [naam 2] heeft toen aan [appellant] gemeld “
laten we met een arbeidsovereenkomst beginnen”.
3.4.
Op 8 maart 2022 tekenden [appellant] en [geïntimeerde] de finale arbeidsovereenkomst. Daarin staat dat [appellant] een salaris ontvangt van € 19.290,12 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantiegeld en een mobiliteitsvergoeding van € 1.500,00. Na ondertekening van de arbeidsovereenkomst zouden nog nadere afspraken worden gemaakt over de hoogte en de voorwaarden van een investering van [appellant] in [geïntimeerde] , de zogenoemde [bedrijf 3]
3.5.
Op 1 juni 2022 startte [appellant] als CEO bij [geïntimeerde] . Van 20 september 2022 tot en met 18 juni 2023 is [appellant] ook statutair bestuurder geweest van [geïntimeerde] .
3.6.
Op 14 juni 2022 berichtte de salarisadministratie van [geïntimeerde] aan [naam 1] , de toenmalige [bedrijf 1] , onder meer het volgende:

ter bevestiging (en ivm het creeeren van een paper trail voor evt audit purposes) hierbij een email dat je met [naam 3][hof: [appellant] ]
besproken hebt dat in deze maand (Juni 2022) geen salaris aan hem betaald zal worden. Wij wachten verdere instructies af rond de administratieve verwerking van afspraken die jullie maken ten aanzien van zijn werkzaamheden als CEO van [geïntimeerde].”
3.7.
Op 21 juni 2022 en 4 juli 2022 vroeg [bedrijf 2] bij [appellant] naar de stand van zaken met betrekking tot de [bedrijf 3] Op 4 juli 2022 liet [appellant] in reactie daarop weten dat hij een voorstel zou doen.
3.8.
Op 19 juli 2022 berichtte [naam 1] aan de salarisadministratie van [geïntimeerde] :

Zoals zojuist telefonisch aangekondigd. We zijn nog bezig de juiste verloningsstructuur voor [naam 3] te bepalen. In afwachting van de uitkomst wil ik je vragen [naam 3] een voorschot uit te keren. Het voorschot bedraagt €9500,- voor de maand Juni en eenzelfde bedrag voor de maand Juli. Gezien het feit dat het salaris betreft wil ik jou vragen om deze voorschotten in de bank klaar te zetten voor betaling, zodat dit op dezelfde dag betaald kan worden als het salaris van onze collega’s.”
3.9.
Op 28 september 2022 onderhandelden [bedrijf 2] en [appellant] verder over de [bedrijf 3]
3.10.
Op 1 maart 2023 deed [naam 2] aan [appellant] een voorstel voor de [bedrijf 3]
3.11.
Op 2 maart 2023 werd [appellant] benoemd als statutair bestuurder van [bedrijf 2] . [bedrijf 2] is sinds 18 juni 2023 bestuurder van [geïntimeerde] .
3.12.
Op 10 maart 2023 berichtte [appellant] aan [naam 1] onder meer het volgende:

Bijgaand de facturen van [bedrijf 4] , zoals afgesproken.
Samengevat:
- [geïntimeerde] heeft over 2022 66.500 betaald (7 * 9500 voor de periode juni t/m december)
- Mijn verzamelfactuur ( [nummer 1] ) over bovenstaande periode is euro 153.938,64, ex BTW (7 * 21.905,52 + 600 energie bonus in november)
o Incl. BTW euro 186.265,75
- => 186.265,75 minus 66.500 (voorschotten) =119.765,75over te maken onder vermelding van factuurnummer[nummer 1]
- [geïntimeerde] heeft over 2023 euro 19.00 betaald (2 * 9.500 voor de maanden januari en februari)
- =>17.005,68voor januari (factuur[nummer 2]) en17.005,68voor februari (factuur[nummer 3])
- Voor maart 2023 heb ik ook alvast de factuur bijgevoegd ( [nummer 4] ), uiteraard pas later betaalbaar (en energiebonus nog niet opgenomen)
o Vanaf maart worden geen voorschotten betaald, daarmee zal de factuur tot nader order 21.905,52 ex BTW per maand zijn
3.13.
Op dezelfde dag (10 maart 2023) berichtte [naam 1] aan [appellant] dat een betaling voor het volledige bedrag van alle ingediende facturen ad € 265.782,79 in de bank was klaargezet en dat hij de gelden die dag zou overboeken. Hij vroeg [appellant] het totaalbedrag van de reeds betaalde voorschotten ad € 85.500,00 aan [geïntimeerde] terug te betalen.
3.14.
Op 19 maart 2023 reageerde [appellant] op het voorstel van 1 maart 2023 van [naam 2] met betrekking tot de [bedrijf 3] Daarbij liet [appellant] weten dat hij tot zijn spijt op dat moment niet zou investeren in [geïntimeerde] .
3.15.
In mei 2023 vertrok [naam 1] bij [geïntimeerde] , nadat [bedrijf 2] had ontdekt dat de financiële situatie van [geïntimeerde] niet overeenkwam met de cijfers die door [naam 1] waren gepresenteerd.
3.16.
Op 25 mei 2023 vroeg de [bedrijf 5] van [bedrijf 2] bij de salarisadministratie van [geïntimeerde] naar de managementovereenkomst van [appellant] in verband met de controle van de door [appellant] aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte facturen. De salarisadministratie stuurde dit bericht door naar [appellant] en vroeg hem de managementovereenkomst te delen.
3.17.
Op 26 mei 2023 berichtte [appellant] de [bedrijf 5] als volgt:

Strikt genomen heb ik alleen een arbeidscontract met [geïntimeerde] . (confidentieel, bijgesloten) [naam 1][hof: [naam 1] ]
heeft mijn netto maandbedrag bij [geïntimeerde] omgerekend naar een bruto management fee. En die uitbetaald naar mijn werk b.v. ( [bedrijf 4] ).
De berekening zal ik je ook doen toekomen (is door mijn fiscalist gecontroleerd).
Mocht er after the fact nog een management ovk moeten worden opgesteld, dan kan dat.
Die zal gespiegeld zijn met het arbeidscontract.
(…)
Ik stel het op prijs wanneer de uitbetaling over april en mei kan plaatsvinden en we de keuze over of en hoe een management contract daarbij wordt opgenomen parallel kunnen finaliseren.”
3.18.
De [bedrijf 5] berichtte [appellant] dezelfde dag dat rechten en verplichtingen in een werknemersverhouding anders zijn dan bij een leveranciersverhouding. Daarom moest volgens hem helder worden gemaakt hoe de relatie was. Ook berichtte de [bedrijf 5] dat de vergoeding voor statutaire directie door de algemene vergadering van aandeelhouders moet worden vastgesteld. De [bedrijf 5] en [appellant] spraken af dat de interim [bedrijf 1] van [geïntimeerde] deze twee punten zou oppakken. Dat is niet gebeurd.
3.19.
Op 25 augustus 2023 berichtte [appellant] aan een advocaat, werkzaam bij [bedrijf 6] , met [naam 2] in de cc, onder meer het volgende:

In overleg met [bedrijf 2] en een fiscalist, is al geruime tijd geleden besloten dat het voor mij verstandiger is om te werken vanuit een managementovereenkomst i.p.v. een arbeidsovereenkomst. Op advies van Haran [naam 2] benader ik jou hierbij met het verzoek of jij mijn arbeidscontract (getekend bijgesloten) kunt omzetten naar een managementovereenkomst. Inclusief het exit incentive scheme”.
3.20.
Op 28 augustus 2023 stuurde een kantoorgenoot van deze advocaat een eerste concept van de managementovereenkomst aan [appellant] , met [naam 2] in cc. Daarbij wees deze tweede advocaat onder meer op de noodzaak de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] rechtsgeldig te beëindigen, de mogelijke verplichting van [geïntimeerde] om een deel van de premies te betalen en het herkwalificatierisico.
3.21.
Op 30 oktober 2023 vroeg [appellant] bij de eerste advocaat naar de stand van zaken met betrekking tot zijn verzoek van 25 augustus 2023. In reactie daarop verwees de tweede advocaat naar het bericht van 28 augustus 2023. [appellant] reageerde hier niet op.
3.22.
In februari 2024 deed [bedrijf 2] opnieuw een voorstel voor de [bedrijf 7] en onderhandelden [appellant] en [bedrijf 2] verder.
3.23.
Op 30 juli 2024 stuurde [bedrijf 2] aan [appellant] een leningsovereenkomst in verband met de [bedrijf 7] met het verzoek deze te ondertekenen.
3.24.
Op 11 september 2024 berichtte [bedrijf 2] aan [appellant] dat zij geen vertrouwen meer in hem had en voornemens was hem als statutair bestuurder van [bedrijf 2] te ontslaan. [appellant] meldde zich die avond ziek.
3.25.
Op 12 september 2024 stuurde [bedrijf 2] diverse documenten aan [appellant] , waaronder een concept vaststellingsovereenkomst voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een voorgestelde beëindigingsvergoeding.
3.26.
[appellant] reageerde via zijn advocaat op 17 september 2024. Hij stemde niet in met het voorgenomen ontslag.
3.27.
[appellant] vertrok vervolgens voor een al eerder geplande vakantie.
3.28.
Op 1 oktober 2024 sommeerde [bedrijf 2] [appellant] om vanaf zijn vakantieadres deel te nemen aan een Teams meeting op 2 oktober 2024 omdat vragen waren gerezen over zijn arbeidsovereenkomst.
3.29.
Op 2 oktober 2024 nam [appellant] vanaf zijn vakantieadres deel aan een Teams meeting met [bedrijf 2] . Daarin legde [bedrijf 2] onder meer voor dat [appellant] in strijd met de arbeidsovereenkomst, de wet, het directiereglement en de statuten het ertoe had geleid dat door [geïntimeerde] aan zijn persoonlijke vennootschap een management fee was uitbetaald in plaats van salaris aan [appellant] zelf, en [appellant] ter zake herhaaldelijk onvolledig en in strijd met de waarheid had verklaard. [appellant] reageerde hierop. Aan het einde van de Teams meeting, na een korte schorsing, heeft [bedrijf 2] [appellant] ontslag op staande voet aangezegd.
3.30.
Op 5 oktober 2024 bevestigde [bedrijf 2] schriftelijk het ontslag op staande voet. Daarin staat voor zover in hoger beroep van belang:

Wij hebben op 2 oktober 2024 aan u medegedeeld dat uw handelen meerdere dringende reden vormt voor ontslag op staande voet. Wij bevestigen hierbij dat de dringende reden als volgt zijn:

U hebt in strijd met de afspraken en in strijd met de arbeidsovereenkomst het ertoe geleid dat aan u een management fee wordt betaald aan uw vennootschappen in plaats van het afgesproken salaris.
(…)

U hebt de verplichtingen die voortvloeien uit uw arbeidsovereenkomst op ernstige wijze veronachtzaamd. Door uw onrechtmatig handelen bent u het vertrouwen van [geïntimeerde] onwaardig met name in uw rol als CEO.
(…)
De genoemde gronden vormen zowel ieder voor zich, als alle tezamen in onderling verband beschouwd een dringende reden. (…)”
3.31.
Op 16 oktober 2024 is [appellant] in een bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van [bedrijf 2] ontslagen als statutair bestuurder. Op 24 oktober 2024 bekrachtigde [bedrijf 2] het ontslag op staande voet. [appellant] die tezamen met zijn persoonlijke vennootschap door onder anderen [bedrijf 2] ter zake van bestuurdersaansprakelijkheid in een andere procedure is betrokken, bij de rechtbank Noord-Holland geregistreerd onder zaaknummer C/15/365338, heeft bij wijze van een vordering in reconventie in die procedure de nietigheid, althans vernietigbaarheid ingeroepen van het op 2 oktober 2024 genomen ontslagbesluit.

4.De verzoeken en beoordeling in eerste aanleg

4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg - samengevat - verzocht om het ontslag op staande voet te vernietigen, [geïntimeerde] te veroordelen hem toe te laten tot het werk en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris. Voor het geval [appellant] zich zou neerleggen bij het ontslag op staande voet, heeft hij verzocht [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris, een vergoeding voor het niet inachtnemen van de opzegtermijn, een transitievergoeding, een contractuele ontslagvergoeding, een billijke vergoeding en te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] geen rechten meer kan ontlenen aan het concurrentiebeding, althans dit beding te vernietigen. In alle gevallen heeft [appellant] tevens verzocht voor recht te verklaren dat het ontslag van [appellant] als statutair bestuurder van [bedrijf 2] op 16 oktober 2024 niet tot gevolg heeft dat daarmee zijn arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] is geëindigd, en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en voorwaardelijk, voor het geval de opzegging geen stand zou houden, onder meer verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
4.3.
De kantonrechter heeft de verzoeken van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. Daartoe overwoog de kantonrechter -voor zover in hoger beroep relevant - het volgende.
Het is [appellant] zwaar aan te rekenen dat hij als CEO van [geïntimeerde] bij de start van zijn werkzaamheden, nadat hij met [bedrijf 2] in februari 2022 had onderhandeld over de voorwaarden van zijn arbeidsovereenkomst, met de [bedrijf 1] van [geïntimeerde] heeft bewerkstelligd dat aan hem voorschotten werden uitbetaald omdat zijn verloningsstructuur nog bepaald zou moeten worden, zonder [bedrijf 2] hierin te betrekken. Zelfs als het betalen van voorschotten op voorstel van de [bedrijf 1] is gebeurd, zoals [appellant] betoogt, had van hem als CEO verwacht mogen worden dat hij dit met [bedrijf 2] als grootaandeelhouder had kortgesloten juist nu [bedrijf 2] voor het tekenen van de arbeidsovereenkomst het voorstel van [appellant] om op basis van een managementovereenkomst te gaan werken had afgewezen. Het vorenstaande geldt des te meer op het moment dat [appellant] in maart 2023 de betaalde voorschotten terugbetaalde en vanuit zijn persoonlijke vennootschap is gaan factureren. [appellant] onderhandelde op dat moment ook met [bedrijf 2] over de [bedrijf 7] en van [appellant] had verwacht mogen worden dat hij op die contactmomenten de wijze van uitbetaling had gemeld. Ook op latere momenten had dit van hem mogen worden verwacht, bijvoorbeeld na het vertrek van [naam 1] begin mei 2023, toen bleek dat de cijfers van [geïntimeerde] onjuist waren gepresenteerd, of nadat de [bedrijf 5] van [bedrijf 2] in dezelfde maand bij het opvragen van de managementovereenkomst te horen kreeg dat deze niet bestond, of toen [appellant] de advocaat op 25 augustus 2023 vroeg een managementovereenkomst op te stellen.
Met betaling van management fees heeft [appellant] via zijn persoonlijke vennootschap een ander soort vergoeding ontvangen dan salaris, is er mogelijk ten onrechte btw in rekening gebracht die in vooraftrek is genomen en [geïntimeerde] is inmiddels geconfronteerd met een naheffingsaanslag en een boete van de Belastingdienst. Het ontslag op staande voet is ook onverwijld gegeven. Diegene die over benoeming en ontslag gaat (in dit geval [bedrijf 2] als grootaandeelhouder) is voor het eerst op 24 september 2024 op de hoogte geraakt. Vervolgens is [appellant] op 1 oktober 2024 opgeroepen voor een gesprek dat heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2024 waarbij de dringende reden aan [appellant] is gemeld. Dit ontslag op staande voet is vervolgens schriftelijk bevestigd op 5 oktober 2024. Het ontslag is aangezegd en gegeven door [bedrijf 2] . [bedrijf 2] geldt als bij uitstek de partij die ging over de (arbeids)verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant] . [appellant] heeft met [bedrijf 2] onderhandeld bij zijn start als CEO van [geïntimeerde] en daarna over de [bedrijf 3] Daarnaast was [appellant] de enige (indirect) statutair bestuurder van [geïntimeerde] zodat [bedrijf 2] feitelijk de partij was die zich in aanloop naar 2 oktober 2024 geconfronteerd zag met een dringende reden voor ontslag van de CEO van [geïntimeerde] en daarop moest acteren. In die situatie en met het gegeven dat [bedrijf 2] juist de partij was die door [appellant] had moeten worden geïnformeerd over de betaling van de management fee, leidt de wijze waarop het ontslag is aangezegd en gegeven niet tot een andere uitkomst. Tot slot staat ook de ziekmelding van [appellant] op 11 september 2024 – nadat [bedrijf 2] hem had meegedeeld geen vertrouwen meer in hem te hebben – niet in de weg aan het door [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet, aldus nog steeds de kantonrechter.

5.De verzoeken in hoger beroep

5.1.
In hoger beroep heeft [appellant] verzocht de bestreden beschikking te vernietigen.
[appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling gemeld zich neer te leggen bij het ontslag op staande voet. Uitgaande daarvan heeft [appellant] in hoger beroep verzocht:
I. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 1.082,25 bruto aan achterstallig salaris over 1 oktober 2024, te vermeerderen met wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en wettelijke rente;
II. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 40.584,41 bruto aan vergoeding voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2024;
III. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 16.241,75 bruto voor de wettelijke transitievergoeding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 november 2024;
IV. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 200.000,00 aan contractuele ontslagvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2024;
V. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 1.699.000,00 bruto aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2024;
VI. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] (primair) geen rechten meer kan ontlenen aan het overeengekomen concurrentiebeding op grond van artikel 7:653 lid 4 BW Pro, en (subsidiair) het concurrentiebeding te vernietigen;
VII. te verklaren voor recht dat het ontslag van [appellant] als statutair bestuurder van [bedrijf 2] , genomen op de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders (BAVA) d.d. 16 oktober 2024 niet tot gevolg heeft dat daarmee zijn arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] is geëindigd;
en tot slot [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
5.2.
Het in het beroepschrift vermelde verzoek om de arbeidsovereenkomst te herstellen met alle daarbij behorende verzoeken, wordt buiten beschouwing gelaten omdat [appellant] op de zitting in hoger beroep heeft gemeld dat herstel van de arbeidsovereenkomst gegeven de huidige situatie voor hem geen optie meer is.
5.3.
[appellant] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd, waartegen [geïntimeerde] verweer heeft gevoerd. De eerste vijf grieven richten zich tegen de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet. Volgens [appellant] is er geen sprake van een dringende reden, is de opzegging niet onverwijld gegeven en is er sprake van een opzegverbod tijdens ziekte. De grieven zes tot en met negen bouwen daarop voort en betreffen (thans nog) de verzoeken zoals weergegeven onder 5.1. Het hof zal de grieven hierna zoveel als mogelijk gezamenlijk behandelen.

6.De beoordeling van de grieven

Dringende reden
6.1.
Ingevolge art. 7:678 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voor de werkgever als dringende redenen voor de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst (ontslag op staande voet) beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van een werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden rusten op de werkgever.
De kern van het betoog van [appellant] dat geen sprake is van een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet is dat zowel [geïntimeerde] als [bedrijf 2] op de hoogte waren, althans behoorden te zijn van zowel het betalen van een management fee aan de vennootschap van [appellant] als het ontbreken van een managementovereenkomst. Volgens [appellant] is hij daarover transparant geweest, was [naam 2] op de hoogte en heeft [naam 1] - destijds bestuurder en [bedrijf 1] bij [geïntimeerde] - het betalen van een voorschot zelf voorgesteld en de uitbetaling van het voorschot en later de management fee besproken met [bedrijf 2] . In dat kader heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter er ten onrechte van uit is gegaan dat [bedrijf 2] tijdens de onderhandelingen in februari 2022 het voorstel om op basis van een managementovereenkomst te werken, heeft afgewezen.
6.2.
Het hof oordeelt als volgt. Op de zitting in hoger beroep heeft [appellant] toegelicht dat hij tijdens de onderhandelingen in februari 2022 met [naam 2] de opties van een managementovereenkomst en een arbeidsovereenkomst heeft besproken en dat [naam 2] toen heeft gezegd “
laten we met een arbeidsovereenkomst beginnen”. [naam 2] heeft schriftelijk verklaard dat de wens van [appellant] voor een managementovereenkomst is besproken, maar dat [bedrijf 2] de voorkeur had voor een arbeidsovereenkomst, dat daaraan uitvoering is gegeven en dat hij niet wist van een wijziging van een contractvorm. Tevens heeft [naam 2] op de mondelinge behandeling in eerste aanleg nogmaals bevestigd dat hij tijdens de onderhandelingen de voorkeur had uitgesproken voor een arbeidsovereenkomst.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [naam 2] namens [bedrijf 2] wel degelijk de keuze heeft gemaakt om op dat moment een arbeidsovereenkomst te sluiten, hetgeen vervolgens ook is gebeurd. Dat het sluiten van een managementovereenkomst (de wens van [appellant] ) op een later moment bespreekbaar was, zoals [appellant] stelt, doet er niet aan af dat de optie om op dat moment een managementovereenkomst te sluiten, was afgewezen en [bedrijf 2] bewust koos voor een arbeidsovereenkomst en daarmee niet tegemoet kwam aan de wens van [appellant] zolang niet anders was overeengekomen.
6.3.
Vervolgens is geen loon betaald op basis van de gesloten arbeidsovereenkomst, maar zijn vanaf de start van zijn werkzaamheden in juni 2022 maandelijks voorschotten betaald aan [appellant] . [appellant] heeft die voorschotten op 10 maart 2023 teruggestort, waarna ze zijn omgerekend naar een management fee die is betaald aan de vennootschap van [appellant] . Vervolgens is maandelijks op basis van facturen van de vennootschap van [appellant] aan deze vennootschap een management fee betaald (zie bij de feiten onder 3.12). Volgens [appellant] heeft [naam 1] hiertoe het initiatief genomen en was [bedrijf 2] van de aangepaste wijze van uitbetaling op de hoogte via [naam 1] . [naam 1] heeft daarover tijdens de zitting in hoger beroep onder ede onder meer het volgende verklaard:

De arbeidsovereenkomst is besproken maar ook de optie om een managementovereenkomst te sluiten. De vormgeving van deze overeenkomst is tussen [appellant] en [bedrijf 2] geweest. Het gesprek heeft uiteindelijk lang geduurd. In de eerste periode heeft [appellant] geen salaris ontvangen. Omdat hij wel heeft gewerkt in die periode, is afgesproken om hem voorschotbetalingen te doen. De vorm van de overeenkomst was voor mij toen nog niet duidelijk. Op een gegeven moment is alles financieel omgezet naar een management fee. Ik heb aangenomen dat dat een beslissing was tussen mijn leidinggevende ( [appellant] ) en mijn aandeelhouder ( [bedrijf 2] ) en die beslissing heb ik gevolgd.(…)
In antwoord op uw vraag zeg ik u dat ik niet met zekerheid kan zeggen of er daarna ook daadwerkelijk een managementovereenkomst is gekomen. Dat kan ik mij niet meer herinneren. De vormgeving van de managementovereenkomst was iets tussen [bedrijf 2] en [appellant] . Dat is in samenspraak met [bedrijf 2] en de advocaten van [bedrijf 2] gegaan. Ik heb verder geen betrokkenheid gehad bij de vormgeving van de managementovereenkomst. Ik was in die tijd statutair bestuurder dus er gebeurde veel elektronisch. Mogelijk heb ik daar een handtekening onder gezet maar ik weet dat niet meer. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat er geen managementovereenkomst is.(…)
Ik hoor u zeggen dat [appellant] stelt dat ik samen met hem de afspraken over deze gewijzigde vorm van uitbetaling heb afgestemd. In reactie daarop zeg ik u dat ik niet kan uitsluiten dat er telefonisch contact over is geweest. Maar ik kan mij niet herinneren dat ik dat met mijn CEO heb uit onderhandeld. Ik had daartoe wel een stuk bevoegdheid, maar we werkten samen met [bedrijf 2] . Sommige zaken werden door [bedrijf 2] opgepakt en sommige zaken door mij. Op dit onderdeel was ik niet in the lead.(…)
Ik hoor u zeggen dat in een e-mail van 6 september 2022 van mij aan [appellant] (productie 11 in hoger beroep) is aangegeven dat ik drie onderwerpen heb lopen met [bedrijf 2] , waaronder de aanpassing van de arbeidsovereenkomst naar aanleiding van de statutair bestuurdersrol van [appellant] . In reactie daarop zeg ik u dat ik dat niet meer weet. Ik had doorlopend contact met [bedrijf 2] , vaak telefonisch.
In antwoord op uw vraag zeg ik u dat ik mij geen gesprek kan herinneren met [bedrijf 2] over de aanpassing van de wijze van betaling aan [appellant] , van uitbetaling van salaris op basis van de arbeidsovereenkomst naar uitbetaling van een management fee via de BV van [appellant] . Er is veel telefonisch contact geweest over allerlei soorten zaken. Ik kan niet met zekerheid stellen dat ik dat heb besproken met [bedrijf 2] .
In antwoord op uw vraag zeg ik u dat als een managementovereenkomst zou zijn gesloten, dat ik die overeenkomst dan uiteindelijk had moeten ondertekenen als bestuurder. Ik kan mij ook niet herinneren dat hier nog iets op beslist moest worden. Voor mij was het een afgedane zaak, het was geregeld. Ik herinner mij niet of ik dat document heb getekend of niet.
Ik hoor u een passage uit het beroepschrift (randnummer 4.29 beroepschrift) voorlezen waarin staat dat [appellant] zelf geen wijziging heeft voorgesteld maar dat ik het initiatief heb genomen voor en goedkeuring heb gegeven aan de wijziging van de vorm van betaling (in plaats van loonbetaling werd het een management fee). Dat klopt inderdaad, ik heb dat goedgekeurd. Ik heb niet het initiatief genomen voor het veranderen van dat etiket. Ik ging er vanuit dat dat gedeelte al geregeld was. Mij bereikte het bericht dat deze management fee was afgesproken en daar heb ik uitvoering aan gegeven. Vanuit wie en hoe dat bericht bij mij kwam, weet ik niet meer. Dat gedeelte was geregeld tussen [appellant] en [bedrijf 2] .
In antwoord op uw vraag zeg ik u dat ik niet betrokken ben geweest bij het contact met advocatenkantoor De Breij hierover. Ik kan mij daar niets expliciets over herinneren.
Het klopt dat ik het mij niet allemaal meer expliciet kan herinneren. Dat heeft niets met de door mij afgesproken geheimhouding in het kader van mijn vaststellingsovereenkomst te maken.
In antwoord op uw vraag zeg ik u dat ik geen last heb van enige angst vanuit [geïntimeerde] . Ik voel mij niet gehinderd door enige vrees vanuit de kant van [geïntimeerde] of [bedrijf 2] . Ik heb ook geen belang bij mijn verklaring.(…)
Ik hoor u zeggen dat [appellant] in maart 2023 de betaalde voorschotten heeft terugbetaald en dat het bedrag aan management fee over de voorbije periode aan [appellant] is uitbetaald. In reactie daarop zeg ik u dat dat wel op mijn initiatief is uitbetaald. De correcte financiële afwikkeling binnen mijn organisatie doe ik. Dat heb ik gedaan ervan uitgaande dat er overeenstemming over een managementovereenkomst was tussen [bedrijf 2] en [appellant] . Dat heb ik toen verder uitgevoerd.(…)
In antwoord op uw vraag of ik in het begin van mijn gesprekken met [appellant] over de management fee hem heb gevraagd of hij dat met [bedrijf 2] had geregeld of besproken, zeg ik u dat ik hem wel heb gezegd dat hij de vorm moet regelen met [bedrijf 2] . Dat heb ik hem wel meegegeven. Dat punt is een gesprek geweest tussen [bedrijf 2] en [appellant] . Ik deed de aanname dat de overeenkomst er was. Daarom heb ik er vervolgens uitvoering aan gegeven.
(…)
In antwoord op uw vraag of ik kan bevestigen dat [bedrijf 2] en [geïntimeerde] bekend waren met de betaling van de management fee aan [appellant] , zeg ik u dat binnen [geïntimeerde] mensen bekend waren met de management fee. En ik ben er van uitgegaan dat [bedrijf 2] daarmee bekend was.
In antwoord op uw vraag zeg ik u dat de betaling van de voorschotten aan [appellant] op mijn initiatief is gegaan omdat hij toen al een tijdje geen geld ontving en de discussie nog over de vorm ging. Ik wilde [appellant] daarin tegemoet komen. De vorm was niet mijn business.
(…)
Het klopt dat ik niet wist dat er een arbeidsovereenkomst met [appellant] was. Ik heb met [naam 2] en [naam 5] gesproken over een beloningspakket. Op basis van die parameters heb ik het voorschot betaald. De contractvorm lag toen nog open. Dit was een telefoongesprek in februari 2022. Ik wist op dat moment dat er nog gesprekken waren over de vraag of er een arbeidsovereenkomst of een managementovereenkomst zou komen. Ik heb gehandeld vanuit de overtuiging dat de gesprekken hierover nog liepen en dat [appellant] werkzaamheden verrichtte zonder bezoldiging. Daar heb ik naar gehandeld en heb ik de voorschotten geregeld.
(…)
U houdt mij voor een e-mail van 25 november 2025 van [appellant] aan mij (productie 13 beroepschrift), waarin [appellant] schrijft dat ik de betaling van een management fee 100% heb besproken met [bedrijf 2] . In reactie daarop zeg ik u dat ik dat niet heb gezegd of bevestigd. Ik heb aangegeven dat er regelmatig contact was met mij en [bedrijf 2] , dat het mogelijk een keer besproken is maar dat ik mij geen expliciet overleg kan herinneren hierover.”
6.4.
Uit deze verklaring volgt niet dat [bedrijf 2] wist dat aan [appellant] in eerste instantie maandelijks een voorschot en daarna maandelijks een management fee werd uitbetaald. [naam 1] heeft verklaard dat hij niet wist dat er een arbeidsovereenkomst was gesloten met [appellant] . Vanuit de veronderstelling dat er geen grondslag was voor betaling van de werkzaamheden van [appellant] omdat de discussie over de contractvorm (arbeidsovereenkomst of managementovereenkomst) tussen [bedrijf 2] en [appellant] nog liep, heeft hij voorschotten geregeld en besproken met [appellant] . Het hof is van oordeel dat [appellant] op dat moment ófwel [naam 1] had moeten informeren over zijn arbeidsovereenkomst, ófwel [bedrijf 2] had moeten informeren over de daarvan afwijkende wijze van uitbetaling met voorschotten. Nu [bedrijf 2] en [appellant] bewust hadden gekozen voor een arbeidsovereenkomst ‘om te beginnen’ en nadien geen andersluidende afspraak was gemaakt, had [appellant] niet mogen instemmen met het betalen van voorschotten in plaats van salaris, althans niet zonder dat eerst met [bedrijf 2] af te stemmen. [appellant] heeft er niet op mogen vertrouwen dat [naam 1] dat met [bedrijf 2] had afgestemd. De onderhandelingen vonden plaats tussen [appellant] en [bedrijf 2] en [appellant] had in dat kader met [bedrijf 2] afgesproken een arbeidsovereenkomst te sluiten. [naam 1] was daarbij niet aanwezig en had geen rol gehad in de onderhandelingen.
6.5.
[naam 1] heeft verder verklaard dat hij tegen [appellant] heeft gezegd dat [appellant] de vorm (arbeidsovereenkomst of managementovereenkomst) moest regelen met [bedrijf 2] en dat hij op dat onderdeel niet “
in the lead” was. [naam 1] heeft verklaard te hebben aangenomen dat [appellant] en [bedrijf 2] op een gegeven moment hadden besloten alles financieel om te zetten naar een management fee en dat [bedrijf 2] daarmee bekend was. Hij heeft daaraan uitvoering gegeven “
ervan uitgaande dat er overeenstemming over een managementovereenkomst was tussen [bedrijf 2] en [appellant] .”.[naam 1] kan het niet uitsluiten, maar kan zich ook niet herinneren met [bedrijf 2] te hebben gesproken over de uitbetaling van de management fee. Hij kan zich geen specifiek moment herinneren dat hij daarover met iemand van [bedrijf 2] heeft gesproken. Uit de verklaring van [naam 1] volgt dan ook niet dat [bedrijf 2] via [naam 1] op de hoogte is gebracht van de van de arbeidsovereenkomst afwijkende vorm van uitbetaling.
[geïntimeerde] heeft haar stelling dat [appellant] buiten medeweten van [bedrijf 2] om de wijze van uitbetaling heeft gewijzigd bovendien onderbouwd met verklaringen van [naam 2] en S. [naam 5] , Investment Director van [bedrijf 2] (hierna: [naam 5] ). Beiden hebben verklaard dat ze ervan uitgingen dat er een arbeidsovereenkomst gold en dat zij niet op de hoogte waren dat sinds juni 2022 voorschotten of management fees werden uitbetaald in plaats van salaris. [naam 2] heeft verklaard pas voor het eerst te hebben gehoord van de betaling van een management fee aan de vennootschap van [appellant] in plaats van salaris nadat ‘ [naam 4] ’ - naar het hof begrijpt: [naam 6] , de toenmalige [bedrijf 1] - dat had ontdekt. Ook [naam 5] heeft verklaard er pas na 23 september 2024 achter te zijn gekomen dat management fees werden betaald in plaats van salaris toen [naam 4] het had over een management fee en facturen en [naam 5] hem de arbeidsovereenkomst liet zien.
[appellant] heeft bij wijze van verweer weliswaar nog gesteld dat hij zelf met [naam 2] heeft gesproken over de betalingen van een management fee, maar hij heeft niet toegelicht wanneer dit zou zijn geweest en of het daarbij ging over betalingen in de toekomst dan wel over betalingen in het verleden. In het licht van de veel concretere verklaringen van [naam 2] , heeft [appellant] zijn stelling onvoldoende onderbouwd zodat het hof daaraan voorbijgaat.
6.6.
[appellant] heeft niet kunnen weerleggen dat [bedrijf 2] geen wetenschap had van de gewijzigde vorm van betaling als ware er een managementovereenkomst. Daarmee strandt de kern van het betoog van [appellant] . [appellant] heeft zijn wens om betaald te krijgen op basis van een managementovereenkomst uitgevoerd zonder [bedrijf 2] daarover te informeren, terwijl [bedrijf 2] deze wens bewust had afgewezen tijdens de onderhandelingen en met [appellant] een arbeidsovereenkomst was overeengekomen totdat iets anders zou worden afgesproken. Deze situatie heeft meer dan twee jaar geduurd van juni 2022 tot 24 september 2024.
6.7.
[appellant] heeft nog aangevoerd dat hij gedurende het dienstverband steeds met [bedrijf 2] in overleg is gebleven over de eventuele voortzetting van de samenwerking op basis van een managementovereenkomst. Niet goed te begrijpen valt echter waarom [appellant] tijdens deze overleggen geen enkele keer heeft gemeld dat hij al (geruime tijd) werd uitbetaald alsof er een managementovereenkomst was, althans op basis van voorschotten.
6.8.
Verder heeft [appellant] gesteld dat diverse personen binnen [geïntimeerde] op de hoogte waren van de wijze van uitbetaling, of daarvoor verantwoordelijk waren. Ook deze stelling gaat niet op. Daartoe is het volgende redengevend. Op 26 mei 2023 (zie bij de feiten onder 3.18) heeft de [bedrijf 5] van [bedrijf 2] [appellant] gemeld dat helder moet worden gemaakt ‘welke relatie er ligt’ en dat voor een managementovereenkomst een besluit van de aandeelhoudersvergadering nodig is. De toenmalige interim [bedrijf 1] van [geïntimeerde] zou dat oppakken, maar dat is vervolgens niet gebeurd. Hieruit volgt weliswaar dat bij de [bedrijf 5] en binnen [geïntimeerde] bekend was dat voor de uitbetaling van de management fees een juridische grondslag ontbrak, maar niet dat de aandeelhouders op de hoogte waren van het feit dat al geruime tijd werd uitbetaald in afwijking van de arbeidsovereenkomst. Niet alleen [naam 1] , maar ook de latere [bedrijf 1] , [naam 6] , heeft verklaard dat afspraken over de betaling van de CEO worden gemaakt tussen [appellant] als CEO en [bedrijf 2] als aandeelhouder en dat (de [bedrijf 1] van) [geïntimeerde] daaraan vervolgens slechts uitvoering geeft. [appellant] had ook met [bedrijf 2] de voorwaarden van de arbeidsovereenkomst uitonderhandeld, waarna [geïntimeerde] daaraan uitvoering gaf en de overeenkomst tekende. Het lag dus op de weg van [appellant] als CEO om ervoor te zorgen dat [bedrijf 2] werd geïnformeerd in geval zou worden afgeweken van door hem met [bedrijf 2] gemaakte afspraken. Uit het feit dat [geïntimeerde] daaraan uitvoering gaf, heeft [appellant] niet mogen afleiden dat [bedrijf 2] op de hoogte was, of dat het niet langer zijn verantwoordelijkheid was om [bedrijf 2] daarvan op de hoogte te stellen.
[naam 6] heeft verklaard dat hij wel op de hoogte was van de management fees die [appellant] factureerde, maar dat hij ervan uitging dat daaraan een managementovereenkomst ten grondslag lag.
In het licht van de mededeling dat voor de wijze waarop [appellant] factureerde een managementovereenkomst en aandeelhoudersbesluit nodig is, had het voor de hand geleden dat [appellant] van de afwijkende wijze van uitbetaling op enig moment melding had gemaakt bij de aandeelhouders, toen bleek dat de interim [bedrijf 1] van [geïntimeerde] dit niet oppakte.
Op 25 augustus 2023 heeft [appellant] met een e-mail aan een advocaat van [bedrijf 6] met cc aan [naam 2] willen regelen dat de arbeidsovereenkomst zou worden omgezet naar een managementovereenkomst. Ook toen heeft [appellant] niet vermeld dat hij al sinds juni 2022 via zijn persoonlijke vennootschap werd uitbetaald als ware er een managementovereenkomst. De advocaat heeft [appellant] er op 28 augustus 2023 op gewezen dat in het herkwalificeren van arbeidsovereenkomst naar managementovereenkomst een risico voor [geïntimeerde] zit (zie bij de feiten onder 3.20). Zeker met die wetenschap had [appellant] op dat moment moeten melden dat hij al geruime tijd op andere wijze dan in zijn arbeidsovereenkomst ws bepaald, werd betaald. Nadat dit risico voor [geïntimeerde] aan [appellant] was gecommuniceerd, stond het [appellant] niet vrij de uitbetaling van management fees langer onvermeld te laten, ook niet in afwachting van overeenstemming met betrekking tot de [bedrijf 7] , maar had hij actie moeten ondernemen om te voorkomen dat de afwijkende wijze van uitbetaling voor zijn werkzaamheden aan [geïntimeerde] schade zou kunnen berokkenen.
6.9.
Ook [bedrijf 2] wist naar aanleiding van de e-mail van de advocaat van 28 augustus 2023 dat in het herkwalificeren van arbeidsovereenkomst naar managementovereenkomst een risico voor [geïntimeerde] zat. [bedrijf 2] wist echter niet dat [appellant] sinds juni 2022 werd uitbetaald als ware er een managementovereenkomst. [naam 2] heeft verklaard ervan uit te zijn gegaan dat [appellant] zijn wens om een managementovereenkomst te sluiten had opgegeven toen hij geen opvolging meer gaf aan de e-mail van de advocaat.
Vervolgens moest [bedrijf 2] er op 24 september 2025, ruim een jaar later, zelf achter komen dat [appellant] sinds juni 2022 werd uitbetaald als ware er een managementovereenkomst en dat hij daarmee was afgeweken van de met [bedrijf 2] overeengekomen constructie van een arbeidsovereenkomst. Daarmee was het vertrouwen in [appellant] , met name vanwege zijn rol als CEO, weg. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat onder voornoemde omstandigheden van [geïntimeerde] redelijkerwijze niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Anders dan [appellant] betoogt, is daartoe niet vereist dat vaststaat dat [geïntimeerde] ten gevolge van het handelen van [appellant] schade heeft geleden. De wetenschap dat de constructie een risico voor [geïntimeerde] mee kon brengen, welke wetenschap [appellant] via de advocaat had, is voldoende. Bovendien staat vast dat naar aanleiding van de afwijkende wijze van factureren discussie is ontstaan tussen [geïntimeerde] en de Belastingdienst.
Onverwijldheid
6.10.
[appellant] heeft betoogd dat [bedrijf 2] al eerder in september 2024, bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst die [appellant] op 12 september 2024 ontving, op de hoogte moet zijn geweest van de afwijkende wijze van uitbetaling omdat daarbij een advocaat was betrokken en voor het opstellen van de vaststellingsovereenkomst een arbeidsovereenkomst en een loonstrook zijn vereist. [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd betwist. Volgens [geïntimeerde] was bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst een vennootschapsrechtelijk georiënteerde advocaat betrokken ( [naam 7] voornoemd) die met name naar de overeengekomen ontslagvergoeding heeft gekeken. Pas nadat [appellant] zich ziek meldde en diens advocaat aan [geïntimeerde] op 17 september 2024 berichtte dat [appellant] niet instemde met het voorgenomen ontslag (zie bij de feiten onder 3.24 tot en met 3.26), heeft [geïntimeerde] op 23 september 2024 een arbeidsrechtadvocaat ingeschakeld ( [naam 8] voornoemd) die om de arbeidsovereenkomst en een loonstrook heeft gevraagd. Voornoemde advocaten hebben deze gang van zaken op de zitting in hoger beroep bevestigd.
[bedrijf 2] is naar aanleiding daarvan op 24 september 2024 erachter gekomen dat [appellant] in afwijking van de arbeidsovereenkomst voor de periode vanaf juni 2022 maandelijks managementfees factureerde, althans voorschotten liet uitbetalen.
Dat [naam 6] niet is aangeslagen op een mededeling van [bedrijf 2] van 19 september 2024 dat de arbeidsovereenkomst met [appellant] werd beëindigd, terwijl [naam 6] wist dat [appellant] management fees factureerde en dacht dat er een managementovereenkomst was, maakt het voorgaande niet anders. De reden voor beëindiging betrof op dat moment nog de wijze van leiddinggeven en niet de vorm van het contract of de wijze van uitbetaling. [naam 6] heeft schriftelijk verklaard dat hij op 24 september 2024 van [naam 5] het verzoek kreeg een overzicht te maken van alle betalingen aan [appellant] , dat hij daarbij aangaf een overzicht te hebben gemaakt van de management fees, dat [naam 5] daarop aangaf dat [appellant] een arbeidscontract had en dat het hem en [naam 5] op dat moment duidelijk werd dat [appellant] management fees factureerde terwijl er een arbeidsovereenkomst gold.
[geïntimeerde] heeft toegelicht dat vervolgens onderzoek heeft plaatsgevonden. Met een e-mail van 1 oktober 2024 heeft [geïntimeerde] [appellant] uitgenodigd voor een gesprek op 2 oktober 2024. Bij de e-mail zitten facturen voor onder meer het lidmaatschap van het Financieel Dagblad en een kilometervergoeding. Ook over deze kostenposten is tijdens het gesprek van 2 oktober 2024 gesproken. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] voldoende voortvarend heeft gehandeld door de periode van 25 tot en met 30 september 2024, waartussen een weekend zat, te gebruiken voor onderzoek naar de facturen van [appellant] , voorbereiding van het gesprek met [appellant] en hem in het kader van het toepassen van hoor en wederhoor vervolgens op 1 oktober 2024 uit te nodigen voor een gesprek. Vervolgens is [appellant] op 2 oktober 2024 ontslag aangezegd, dat op 5 oktober 2024 schriftelijk is bevestigd. Uit het voorgaande volgt dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven.
Opzegverbod
6.11.
[appellant] beroept zich tevergeefs op het opzegverbod tijdens ziekte. Ingevolge artikel 7:670a lid 2 onder c BW, is het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing indien de opzegging geschiedt op grond van artikel 7:677 lid 1 BW Pro (opzegging om een dringende reden).
Salaris, gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, contractuele ontslagvergoeding, billijke vergoeding en concurrentiebeding
6.12.
Met grief 7 betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op de verzoeken van [appellant] voor zover hij zich bij het ontslag op staande voet neerlegt. [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat deze verzoeken een andere wettelijke grondslag hebben dan het verzoek tot vernietiging van de opzegging, reden waarom deze verzoeken ex artikel 7:686a lid 4 BW tardief zouden zijn en [appellant] daarin niet-ontvankelijk zou zijn. Het hof volgt [geïntimeerde] daarin niet. In eerste aanleg heeft [appellant] , voor het geval hij zich bij het ontslag op staande voet zou neerleggen, dezelfde verzoeken gedaan, zodat deze in hoger beroep ter beoordeling voorliggen.
6.13.
[appellant] heeft salaris over 1 oktober 2024 verzocht, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente. [geïntimeerde] heeft bij wijze van verweer tegen dit verzoek een beroep gedaan op verrekening met de wettelijke gefixeerde schadevergoeding die [appellant] is verschuldigd indien het ontslag op staande voet stand houdt. Gezien het voorgaande slaagt dit verweer zodat het verzoek van [appellant] niet voor toewijzing in aanmerking komt.
6.14.
Daarnaast heeft [appellant] aanspraak gemaakt op de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW Pro. Nu het hof in het voorgaande evenwel heeft geoordeeld dat sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, heeft [appellant] geen recht op een gefixeerde schadevergoeding. Ook dit verzoek wordt derhalve afgewezen.
6.15.
[appellant] heeft aanspraak gemaakt op een transitievergoeding van € 16.241,75 bruto. Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat, gelet op hetgeen omtrent het ontslag op staande voet is geoordeeld, sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [appellant] ex artikel 7:673 lid 7 sub c BW Pro, zodat de transitievergoeding niet verschuldigd is.
6.16.
[appellant] heeft daarnaast aanspraak gemaakt op de contractuele ontslagvergoeding ex artikel 3.3 van de arbeidsovereenkomst. Artikel 3.3 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat [appellant] recht heeft op de contractuele ontslagvergoeding in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en hij in aanmerking komt of is gekomen om als ‘good leaver’ in de zin van de voorwaarden die van toepassing zijn op de aan hem uitgegeven depositobewijzen voor aandelen in [bedrijf 2] Holding te vertrekken. Partijen hebben de contractuele ontslagvergoeding derhalve verbonden aan de situatie dat [appellant] in [geïntimeerde] zou investeren en als ‘good leaver’ zou vertrekken voor een exit van [geïntimeerde] . [appellant] heeft evenwel niet in [geïntimeerde] geïnvesteerd, zodat hij niet de status ‘good leaver’ heeft gekregen. Dit ligt ook niet voor de hand bij een rechtsgeldig ontslag op staande voet en ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Het verzoek inzake een contractuele ontslagvergoeding is ook niet toewijsbaar.
6.17.
[appellant] heeft verder aanspraak gemaakt op een billijke vergoeding ex artikel 7:683 lid 3 BW Pro van € 1.699.000,00 bruto. De billijke vergoeding ex artikel 7:683 lid 3 BW Pro is verschuldigd als in hoger beroep wordt geoordeeld dat het verzoek om vernietiging van de opzegging ten onrechte is afgewezen. De rechter kan een billijke vergoeding toekennen als alternatief voor herstel. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat het verzoek om vernietiging van de opzegging niet ten onrechte is afgewezen, zodat er geen grond bestaat voor een billijke vergoeding ex artikel 7:683 lid 3 BW Pro.
6.18.
Ten slotte heeft [appellant] een verklaring voor recht verzocht dat [geïntimeerde] (primair) geen rechten meer kan ontlenen uit het overeengekomen concurrentiebeding op grond van artikel 7:653 lid 4 BW Pro, en (subsidiair) het concurrentiebeding te vernietigen. [appellant] heeft in dat kader zijn stelling dat hij onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van [geïntimeerde] , niet nader toegelicht en daarmee onvoldoende onderbouwd. Zo is hij niet ingegaan op de reikwijdte van het concurrentiebeding en heeft hij niet toegelicht op welke wijze hij wordt beperkt bij het vinden van ander werk. Dat het lastig genoeg zal zijn ander passend werk te vinden en dat hij het zich niet kan veroorloven gebonden te zijn aan een concurrentiebeding, is te algemeen en daarmee onvoldoende om het concurrentiebeding te vernietigen, althans te bepalen dat [geïntimeerde] daar geen rechten meer aan kan ontlenen.
Slotsom
6.19.
Naast [naam 1] , die op de zitting in hoger beroep als getuige is gehoord, en [appellant] zelf, die op deze zitting eveneens de gang van zaken heeft kunnen toelichten en die toelichting niet tot een ander oordeel heeft geleid als hiervoor vermeld, heeft [appellant] aangeboden om [naam 9] (voormalig CEO van [geïntimeerde] ) en [naam 10] (fiscaal adviseur) te horen als getuigen. [naam 9] zou kunnen verklaren dat [bedrijf 2] geen enkele indicatie heeft gegeven van ontevredenheid over [appellant] en dat [naam 6] alle systemen en accorderingsprocessen tot in detail analyseerde en bestuurde. Krijger zou kunnen verklaren over de fiscale gevolgen van de gewijzigde verloning en gesprekken met de fiscus daarover. Het hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij omdat de daarin ten bewijze aangeboden feiten, als die zouden komen vast te staan, niet tot een andere uitkomst leiden.
6.20.
De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking omdat die stellingen niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De verzoeken die [appellant] heeft ingediend voor het geval de opzegging door de aandeelhouder of het ontslag van [appellant] als statutair bestuurder van [bedrijf 2] eveneens moet worden beschouwd als een opzegging van de arbeidsovereenkomst, behoeven gezien het voorgaande evenmin bespreking.
6.21.
De slotsom is dat de grieven falen en dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.
[appellant] is de in het hoger beroep in het ongelijk gestelde partij en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, die tot op heden worden begroot op € 4.005,- aan de zijde van [geïntimeerde] , bestaande uit € 827,- aan griffierecht en € 2.428,- voor salaris advocaat (2 punten á € 1.214,- per punt (tarief II)) en € 750,- aan getuigentaxe.

7.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 4.005,-;
verklaart deze beschikking ten aanzien van bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.L.D. Akkaya, mr. I.A. van der Burg en mr. A.L. Bervoets en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.