Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
akte van einde erfdienstbaarheid” vastgelegd dat door de partijen bij de akte is vastgesteld dat de erfdienstbaarheid door verjaring is tenietgegaan.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak klaagt appellant over het handelen van een notaris bij het opstellen van een ruilverkavelingsakte uit 2001, waarin een erfdienstbaarheid is opgenomen die feitelijk niet meer kon worden uitgeoefend. Appellant verzocht de notaris om een rectificatieakte, maar de notaris weigerde mee te werken, omdat de ruilverkavelingsakte door een inmiddels opgeheven Landinrichtingscommissie werd opgesteld en de notaris slechts een beperkte rol had.
De kamer verklaarde de klacht over het niet goed uitvoeren van de onderzoeksplicht niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn. Het hof bevestigt dit oordeel. Het tweede klachtonderdeel, dat de notaris zou hebben geweigerd mee te werken aan de rectificatie, wordt door het hof ongegrond verklaard. Uit correspondentie en zitting blijkt dat de notaris wel heeft gereageerd, maar niet bevoegd was tot rectificatie.
Het hof vernietigt de beslissing van de kamer voor zover deze het tweede klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaarde en bevestigt de rest van de beslissing. De klacht wordt daarmee deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard, en de notaris is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Uitkomst: Klacht tegen notaris deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard wegens beperkte rol notaris bij rectificatie ruilverkavelingsakte.