ECLI:NL:GHAMS:2026:353

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
200.356.985
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 lid 1 Wet op het notarisambt
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen notaris wegens onvoldoende belangenbehartiging en exorbitante declaraties bij nalatenschapsafwikkeling

In deze civiele zaak gaat het om een klacht van een erfgenaam tegen een notaris over de afwikkeling van de nalatenschap van zijn moeder, die in augustus 2019 overleed. De erfgenamen hadden de notaris een herroepelijke volmacht gegeven voor beheer en vereffening van de nalatenschap. Klager verwijt de notaris onvoldoende belangenbehartiging, een trage en inadequate afwikkeling en exorbitante declaraties.

De kamer voor het notariaat verklaarde de klacht deels gegrond en legde een waarschuwing op. Het hof bevestigt dit oordeel en verklaart een extra klachtonderdeel gegrond. Het hof oordeelt dat de notaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, onvoldoende regie voerde en dat de declaraties niet in verhouding stonden tot de geleverde diensten. De notaris had actiever moeten communiceren en de afwikkeling sneller moeten laten verlopen.

De notaris had slechts een beperkte rol als boedelgevolmachtigde en was niet bevoegd zelfstandig tot verdeling over te gaan. Het hof acht de belangenbehartiging van klager niet onvoldoende en wijst het eerste klachtonderdeel af. De maatregel van waarschuwing blijft gehandhaafd. De notaris wordt veroordeeld het betaalde griffierecht in hoger beroep aan klager te vergoeden.

Uitkomst: Klacht deels gegrond verklaard, maatregel van waarschuwing bevestigd en declaraties deels onredelijk bevonden.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.356.985/01 NOT
nummer eerste aanleg : C/05/444582 KL RK 24-173
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 17 februari 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] , gemeente Elburg,
appellant,
tegen
[geïntimeerde] ,
destijds notaris te [plaats 2] , gemeente Oldebroek, thans kandidaat-notaris,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. L.B. Plantema-Volkers, advocaat te Zwolle.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.

1.De zaak in het kort

In augustus 2019 is erflaatster overleden. Klager is de zoon van erflaatster. Klager en de overige twee erfgenamen (een broer en een zus van klager) hebben aan het kantoor van de notaris een herroepelijke volmacht verstrekt voor het verrichten van alle daden van beheer, beschikking en vereffening in de nalatenschap. Klager verwijt de notaris dat hij a) zijn belangen onvoldoende heeft behartigd, b) de nalatenschap niet juist en adequaat heeft beheerd, waarbij hij c) niet voortvarend genoeg heeft gehandeld en d) exorbitant heeft gedeclareerd. De kamer heeft de klacht (deels) gegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het hof bevestigt de opgelegde maatregel en verklaart een extra klachtonderdeel gegrond.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klager heeft op 17 juli 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 19 juni 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORARL:2025:21).
2.2.
De notaris heeft op 17 september 2025 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 4 december 2025. Klager en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
3.1.
Op 28 augustus 2019 is de moeder van klager, [naam] (hierna: erflaatster), overleden.
3.2.
Erflaatster heeft drie erfgenamen nagelaten: klager, zijn broer en zijn zuster. Klager heeft de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard.
3.3.
Klager heeft op 20 april 2020 op het kantoor van de notaris aan de notaris (en aan ieder van de personen daar werkzaam) een herroepelijke volmacht verstrekt om alle daden van beheer, beschikking en vereffening te verrichten in de nalatenschap van erflaatster. Bij dit gesprek heeft klager de notaris gewezen op het feit dat hij op zijn hoede moest zijn voor de handelwijze van zijn broer en zuster en dat hij het er niet mee eens was dat zijn zuster beschikte over een betaalpas van de boedelrekening en (evenals de buurman) over een sleutel van de woning van erflaatster.

4.De klacht

Klager verwijt de notaris dat hij bij de afwikkeling van de nalatenschap niet heeft gehandeld zoals van een notaris mag worden verwacht. De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:
1. De notaris heeft de belangen van klager onvoldoende behartigd ten opzichte van die van de andere twee erfgenamen.
2. De notaris heeft als gevolmachtigde de boedel niet juist en adequaat beheerd.
3. De werkwijze van de notaris en zijn medewerkers heeft ertoe geleid dat de afhandeling van de nalatenschap onnodig veel tijd in beslag heeft genomen.
4. Het totale declaratiebedrag voor de afwikkeling van de nalatenschap is exorbitant hoog geworden, hetgeen niet in verhouding staat tot de verleende diensten.

5.Beoordeling

5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager op de klachtonderdelen 2 en 3 gegrond verklaard. De klachtonderdelen 1 en 4 zijn ongegrond verklaard. Aan de notaris is de maatregel van waarschuwing opgelegd en hij is in de kosten veroordeeld.
Klachtonderdeel 1: de notaris heeft de belangen van klager onvoldoende behartigd.
5.2.
Klager heeft ter onderbouwing van zijn klacht het volgende naar voren gebracht. Klager heeft tijdens zijn eerste gesprek met de notaris (op 20 april 2020) al gewaarschuwd voor de handelwijze van zijn zus (en haar echtgenoot) en zijn broer. Zo was klager het er niet mee eens dat zijn zus beschikte over een betaalpas van de rekening van erflaatster en over de sleutels van de woning van erflaatster. De notaris heeft niets gedaan met deze informatie. Klager heeft bij de notaris ook tijdig te kennen gegeven dat hij geïnteresseerd was om de woning van erflaatster over te nemen. Ook daarmee heeft de notaris niets gedaan. De notaris heeft ten slotte geen duidelijkheid verschaft over de financiële positie van klager. Dit heeft ertoe geleid dat klager de woning voor een hogere prijs heeft moeten overnemen dan aanvankelijk beoogd. Klager heeft hierdoor schade geleden.
5.3.
De notaris stelt dat hij bij de afwikkeling van de nalatenschap een onpartijdige rol heeft gespeeld en rekening heeft gehouden met de belangen van alle erfgenamen. De notaris was niet zelfstandig bevoegd om tot de verdeling over te gaan omdat hij niet als executeur of afwikkelingsbewindvoerder optrad, maar slechts boedelgevolmachtigde was. De nalatenschap bestond voor een groot deel uit niet geadministreerde vorderingen van erflaatster op de broer en zus van klager, waardoor er onvoldoende liquiditeit in de nalatenschap was. Door toedoen van de notaris is dit rechtgetrokken. Het spijt de notaris dat klager zijn ongenoegen juist tegen hem richt. Volgens de notaris doet dit geen recht aan de situatie omdat door zijn tussenkomst de belangen van klager juist werden gediend. Het stond klager vrij om zijn volmacht in te trekken, een eigen belangenbehartiger in de arm te nemen of een verdelingsprocedure bij de rechtbank te beginnen. Dat klager dit niet heeft gedaan kan de notaris niet worden aangerekend.
5.4.
De kamer heeft, kort samengevat, geoordeeld dat klager geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de notaris als het gaat om dit klachtonderdeel tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Met de kamer is het hof van oordeel dat de notaris niet kan worden verweten dat hij een actievere rol had moeten vervullen in het onderhandelingsproces tussen de erfgenamen. Omdat de notaris slechts de rol had van boedelgevolmachtigde was hij niet bevoegd om zelfstandig tot verdeling van de nalatenschap over te gaan. Hiervoor was de medewerking van alle erfgenamen nodig. Het kan de notaris niet worden aangerekend dat de erfgenamen als gevolg van aanhoudende meningsverschillen niet tot onderlinge overeenstemming konden komen. Het hof is – tegen die achtergrond – met de kamer van oordeel dat klager zijn verwijt onvoldoende heeft onderbouwd. Ook is het hof niet gebleken dat de notaris partijdig zou hebben gehandeld. Het hof merkt daarbij op dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat door toedoen van de (medewerker van de) notaris een aantal onttrekkingen van de bankrekening van erflaatster zijn teruggedraaid, waarvan klager juist heeft geprofiteerd. Klachtonderdeel 1 is ongegrond.
Klachtonderdelen 2 en 3: de notaris heeft als gevolmachtigde de boedel niet adequaat en voortvarend beheerd en afgewikkeld.
5.5.
Gelet op de onderlinge samenhang ziet het hof aanleiding om de klachtonderdelen 2 en 3 gezamenlijk te beoordelen.
5.6.
Klager voert aan dat de notaris heeft nagelaten om de regie volledig in eigen hand te houden. De notaris had volgens klager de enige moeten zijn die over de boedel kon beschikken. Dit was niet het geval. Zo zijn er, onder meer, diverse inboedelgoederen verdwenen. Klager verwijt de notaris ook dat hij de inspecties van de woning niet op zorgvuldige en verklaarbare wijze heeft ingepland. Terwijl de notaris de eerste twee jaar de woning nauwelijks heeft geïnspecteerd, heeft de notaris vanaf januari 2022 de woning heel vaak, soms wel acht keer per maand, bezocht. Klager kan deze fluctuerende bezoeken niet duiden. Die veelvuldige inspecties heeft de notaris dan ook ten onrechte doorbelast. De notaris heeft verder niet voortvarend genoeg gehandeld. Het heeft bijna vijf jaar geduurd voordat de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster was voltooid. Klager heeft ter onderbouwing van zijn klacht een aantal voorbeelden naar voren gebracht waaruit volgens hem blijkt dat de notaris niet adequaat heeft gereageerd op e-mails van hem, onvoldoende voortvarend heeft opgetreden richting de belastingdienst, niet of traag heeft gereageerd op e-mails van de advocaat van klager en de voortgang wat betreft het opstellen van de verdelingsakte heeft belemmerd. Door de handelwijze van de notaris heeft klager veel stress ondervonden en onnodig veel kosten moeten maken. Klager heeft een overbruggingsfinanciering moeten regelen die, achteraf gezien, helemaal niet nodig was.
5.7.
De notaris heeft aangevoerd dat het dossier in de coronatijd is geopend. In die tijd liepen veel dossiers vertraging op. Ook is er gedurende de behandeltijd van het dossier veel verloop in de kantoorbezetting geweest. Tussentijds vond er ook nog een wisseling van dossierbehandelaar plaats omdat klager volgens de notaris de eerste behandelaar van het dossier onheus heeft bejegend. Het ging om een complexe nalatenschap, waarin de erfgenamen elkaar niets gunden. Hierdoor was er veel overleg nodig om de erfgenamen tot overeenstemming te krijgen. Om nog hogere kosten te vermijden heeft de notaris er juist voor gekozen om niet zelf de administratieve handelingen uit te voeren, maar die te laten doen door zijn kantoormedewerkers.
5.8.
De kamer heeft deze klachten gegrond verklaard op grond van de volgende overwegingen. Vastgesteld kan worden dat de afwikkeling van de nalatenschap een ernstige vertraging heeft opgelopen. Uit het dossier blijkt dat de erfgenamen soms maanden niets van de notaris hoorden. Pas na herhaalde verzoeken werden door de notaris stappen gezet. Niet valt in te zien dat de coronaperiode de trage behandeling van het dossier kan rechtvaardigen. Dit geldt ook voor wisselingen in de kantoorbezetting. De notaris had tijdens de gehele periode meer de regie in handen moeten houden en van hem had een proactieve houding mogen worden verwacht. Het had op de weg van de notaris gelegen om in een complexe boedel als deze vaker en actiever te communiceren met alle betrokkenen. Het nalaten hiervan heeft bij klager geleid tot onduidelijkheid en frustraties.
5.9.
Het hof sluit zich bij deze overwegingen van de kamer aan en maakt die tot de zijne. Daarbij merkt het hof op dat de notaris ook ter zitting in hoger beroep heeft erkend dat het gehele afwikkelingsproces inderdaad soms sneller had moeten en kunnen verlopen. De klachtonderdelen 2 en 3 zijn gegrond.
Klachtonderdeel 4: de door de notaris ingediende declaratie is exorbitant hoog en het staat niet in verhouding tot de verleende diensten.
5.10.
Klager voert aan dat er door teveel verschillende mensen werkzaamheden zijn verricht in dit dossier, waardoor er veel te hoge declaraties zijn opgesteld. Dit is het gevolg van een totaal gebrek aan efficiency en effectiviteit, wat de notaris kan worden verweten. Het is onjuist en niet gepast dat ook werkzaamheden als “ inlezen” aan klager werden doorberekend als nieuwe medewerkers op het dossier werden ingezet.
5.11.
Het hof kan een geschil over de hoogte van een declaratie slechts marginaal toetsen. Getoetst wordt of de wijze van declareren voldoet aan de in artikel 93 lid 1 Wet Pro op het notarisambt neergelegde algemene tuchtnorm. In dit verband wordt van de notaris enerzijds verwacht dat hij de vereiste zorgvuldigheid in acht neemt, maar anderzijds ook dat hij de aan zijn werkzaamheden verbonden kosten afweegt tegen het belang dat die werkzaamheden voor de nalatenschap hebben. Het hof stelt vast dat uit de overgelegde declaraties en urenspecificaties het beeld naar voren komt dat gedurende langere tijd versplinterd en fragmentarisch is gewerkt. Naar het oordeel van het hof heeft klager voldoende aannemelijk gemaakt dat dit de oorzaak is van de stroperigheid waarmee de nalatenschap is afgewikkeld. Het hof betrekt hierbij tevens dat de notaris, ook ter zitting in hoger beroep, onvoldoende heeft kunnen verklaren waarom het vanaf januari 2022 noodzakelijk was om zo veel woninginspecties uit te voeren en dus te declareren. Anders dan de kamer is het hof daarom van oordeel dat de declaraties van de notaris in redelijkheid niet in verhouding staan tot de diensten die van hem werden verlangd, ook niet nu het ging om een complexe (ruzie)boedel en dat de notaris onvoldoende oog heeft gehad voor het kostenverloop in deze nalatenschap. Ook klachtonderdeel 4 is gegrond.
Conclusie en maatregel
5.12.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hof het klachtonderdeel 1 ongegrond en de klachtonderdelen 2, 3 en 4 gegrond acht. Het hof acht dus één klachtonderdeel meer gegrond dan de kamer. Het hof ziet echter geen aanleiding om aan de notaris een zwaardere maatregel dan de maatregel van waarschuwing op te leggen. Het hof onderkent dat de notaris werd geconfronteerd met een complexe nalatenschap, waarin de erfgenamen onderling moeilijk tot overeenstemming konden worden gebracht. Dat een dergelijke boedel meer tijd vraagt dan gebruikelijk is, kan de notaris op zichzelf niet worden aangerekend. Zelfs met inachtneming daarvan blijkt echter dat de notaris het dossier te stroperig en onvoldoende voortvarend heeft afgewikkeld en onvoldoende oog heeft gehad voor het kostenverloop. Naar het oordeel van het hof is het uit verhouding raken van de declaratie ten opzichte van de te leveren diensten daarvan een rechtstreeks gevolg. Dit kan de notaris wél worden verweten. Dit geldt ook voor het ontbreken van algehele regie en zorgvuldige en transparantie communicatie. Dit alles leidt ertoe dat het hof, net als de kamer, de maatregel van waarschuwing voor de notaris passend en geboden acht.
5.13.
Omdat het hof ten aanzien van klachtonderdeel 4 tot een ander oordeel komt dan de kamer, zal het hof de beslissing van de kamer ten aanzien van dit klachtonderdeel vernietigen. Voor het overige zal het hof de beslissing van de kamer bevestigen.
Geen kostenveroordeling in hoger beroep
5.14.
Omdat het hof de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, dient de notaris het door klager betaalde griffierecht in hoger beroep van € 50,- aan hem te vergoeden. Klager dient hiervoor een rekeningnummer aan de notaris op te geven. Na opgave van dit rekeningnummer dient de notaris binnen vier weken het griffierecht in hoger beroep aan klager te voldoen.
5.15.
Per 1 januari 2021 is de Richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67513 ) in werking getreden. Het hof hanteert bij de toepassing van de richtlijn de ‘
Uitgangspunten proceskostenveroordeling in hoger beroep’ (te raadplegen op de website van dit hof). Nu het hoger beroep van klager leidt tot oplegging van dezelfde maatregel aan de notaris, ziet het hof – overeenkomstig de uitgangspunten – af van een kostenveroordeling in hoger beroep; de door de kamer uitgesproken kostenveroordeling ten aanzien van de notaris blijft wel in stand.

6.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de beslissing van de kamer ten aanzien van klachtonderdeel 4;
en, in zoverre opnieuw beslissende:
- verklaart klachtonderdeel 4 gegrond;
- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige;
- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van het door hem betaalde griffierecht in hoger beroep van € 50,- binnen vier weken na opgave van het rekeningnummer door klager.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, E. de Greeve en T.W. van Grafhorst en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door de rolraadsheer.