ECLI:NL:GHAMS:2026:360

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.359.817/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling van twee jonge kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] (3 jaar) en [minderjarige 2] (1 jaar), die door de kinderrechter voor de duur van een jaar zijn geplaatst onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder is tegen deze maatregel in hoger beroep gegaan en verzocht vernietiging of verkorting van de ondertoezichtstelling. De Raad voor de Kinderbescherming steunde de bestreden beschikking.

De feiten tonen aan dat de kinderen sinds hun geboorte getuige zijn geweest van spanningen en ruzies tussen de ouders, wat heeft geleid tot een ernstige bedreiging van hun ontwikkeling. Ondanks betrokkenheid van gespecialiseerde hulpverlening en positieve recente ontwikkelingen, is het hof van oordeel dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken om de bedreiging weg te nemen. De kinderen vertonen ontwikkelingsachterstanden en er bestaat zorg over mogelijke autisme bij [minderjarige 1].

Het hof benadrukt dat de intensieve hulpverlening en betrokkenheid van de GI noodzakelijk blijven om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen. De duur van de ondertoezichtstelling wordt daarom niet verkort. Het hoger beroep van de moeder wordt afgewezen en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de kinderen voor de duur van een jaar wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.359.817/01
zaaknummer rechtbank: C/15/368015 / JU RK 25-1044
beschikking van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. I. Tol te Koog aan de Zaan,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ),
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ),
- [de vader] (hierna: de vader), en
- de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de GI).

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] (3 jaar) en [minderjarige 2] (1 jaar) (hierna: de kinderen). De kinderrechter heeft de kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 augustus 2025 tot 12 augustus 2026.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat het verzoek van de raad om de kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar alsnog wordt afgewezen. De raad is het eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 2 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter).
2.2
De raad heeft op 14 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast op 6 januari 2026 een bericht met bijlagen van de zijde van de moeder ontvangen.
2.4
De zitting heeft op 19 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door de heer R. Bark,
- de vader,
- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2022 te [plaats B] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2024 te [plaats C] .
De ouders hebben van augustus 2021 tot april 2025 een relatie met elkaar gehad. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
3.2
De kinderen wonen bij de moeder.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 augustus 2025 tot 12 augustus 2026.
4.2
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad om de kinderen voor de duur van één jaar onder toezicht te stellen van de GI alsnog af te wijzen, althans de ondertoezichtstelling in duur te verkorten.
4.3
De raad verzoekt om het door de moeder ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzoek van de raad. Verder is tussen partijen niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
De standpunten
5.3
De moeder is het niet eens met de ondertoezichtstelling. De kinderrechter heeft volgens haar ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling. Er zijn geen spanningen meer in de thuissituatie omdat de ouders inmiddels gescheiden van elkaar leven (wat de moeder wenst te continueren). Sinds de scheiding gaat het merkbaar beter met de ontwikkeling van de kinderen. [minderjarige 1] gaat vier dagen naar Medisch Orthopedagogisch Centrum ‘t Kabouterhuis en het gaat goed met hem. Er wordt vermoed dat [minderjarige 1] een vorm van autisme heeft en dat wordt nog verder onderzocht. Met [minderjarige 2] gaat het goed. De moeder betwist dat het aan basale zorg ontbreekt of dat er zorgen bestaan over de hygiëne bij haar thuis. Zij maakt haar woning dagelijks schoon en zorgt voor een hygiënische leefomgeving. Zij woont met de kinderen in een kleine studio. De moeder heeft een urgentieverklaring gekregen en verwacht binnen een jaar grotere woonruimte te vinden. Zij heeft in het verleden hulpverlening geaccepteerd en staat daar nog steeds voor open. Moeder krijgt tips van ‘t Kabouterhuis die zij opvolgt. Ook wordt zij ondersteund door een maatschappelijk werkster en sinds kort door FamilySupporters. De ondertoezichtstelling is niet noodzakelijk, omdat de hulpverlening ook in het vrijwillig kader aangeboden kan worden. De moeder wil die kans krijgen.
5.4
De vader is het eens met het hoger beroep van de moeder. De moeder ervaart druk door de ondertoezichtstelling. De kinderen zijn in de weekenden bij de vader, dat verloopt goed.
5.5
De raad is van mening dat de kinderrechter de kinderen terecht en op goede gronden voor de duur van een jaar onder toezicht heeft gesteld van de GI. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn al sinds hun geboorte getuige van stress, spanningen en ruzies (relatieproblemen) tussen de ouders en zij ervaren een gebrek aan structuur en rust. Hierdoor kunnen zij zich niet volledig richten op hun eigen ontwikkeltaken. De ouders hebben moeite met het oppikken van signalen en het aansluiten bij wat de kinderen nodig hebben. Er is bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sprake van pedagogische verwaarlozing. Daarnaast is de basale zorg die zij krijgen niet altijd voldoende. Bij [minderjarige 1] is sprake geweest van vroeggeboorte. Hij heeft een spraak- en motorische achterstand. ‘t Kabouterhuis is daarom betrokken. Bij [minderjarige 2] is sprake van een mate van alertheid. Sinds januari 2023 is diverse gespecialiseerde hulpverlening betrokken bij het gezin. Er is onder meer in maart 2023 regiebehandeling door het ’ t Kabouterhuis ingezet en in juni 2023 is de ambulante gezinsbegeleiding van ’ t Kabouterhuis betrokken geraakt
.Vanaf juli 2024 zijn er diverse meldingen bij Veilig Thuis. Er zijn dan aanhoudende relatieproblemen en ook is er verbaal geweld tussen ouders in het bijzijn van [minderjarige 1] (en de toen nog ongeboren baby [minderjarige 2] ). Ouders hebben [minderjarige 1] vanaf het begin af aan te weinig gestimuleerd (onderstimulatie). Ambulante Spoedhulp (hierna: ASH) van Kenter Jeugdhulp is enige tijd betrokken geweest. Het lukt ouders niet om zich aan de gemaakte (veiligheids-)afspraken te houden. Bij de ouders ontbreekt het aan zelfreflectie en inzicht in oorzaak en gevolg. Volgens ' t Kabouterhuis beklijven tips niet altijd en de zorgen blijven bestaan. Hoewel de ouders overal aan meewerken kan de (vrijwillige) hulpverlening geen ontwikkeling bewerkstelligen; de situatie verandert niet (voldoende). ‘t Kabouterhuis heeft aangegeven dat er intensieve hulp nodig is in de thuissituatie bij zowel moeder als vader (meermaals per week en in het weekend), om de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen te waarborgen.
5.6
Volgens de raad is er ook thans sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Deze ontwikkelingsbedreiging kan niet middels hulp in een vrijwillig kader worden weggenomen en ook kan niet worden volstaan met een ondertoezichtstelling voor een kortere periode dan is verleend. Ondanks de positieve ontwikkelingen is de raad van mening dat hulp in een gedwongen kader nodig is. Gezien de aard, ernst, lange duur en het patroon van de zorgen over de ontwikkeling van de kinderen acht de raad het voortduren van de inzet en de betrokkenheid van een gezinsvoogd noodzakelijk om de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen te blijven monitoren en te waarborgen. Ter zitting heeft de raad benadrukt dat het om twee jonge kinderen gaat. Vanaf hun geboorte zijn er veel zorgen, ook over de veiligheid. Het is nu op dat vlak rustiger, maar wel (pas) sinds de ondertoezichtstelling. Het is van groot belang dat er geen terugval komt in de voortgang van de hulpverlening. Uit het raadsrapport blijkt dat toen hulpverlening vrijwillig was, de hulp stagneerde. Ook moet er nog meer zicht komen op de thuissituatie.
5.7
De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat er momenten zijn waarop er spanning op de samenwerking van de ouders met hulpverlening komt te staan. Zo heeft ‘t Kabouterhuis gevraagd of de gezinsvoogd met ouders over de vervolgplaatsing van [minderjarige 1] in gesprek kon. De betrokkenheid van de GI was in dat kader van belang, omdat de zorgen over [minderjarige 1] door ouders niet altijd worden onderkend en ouders niet voldoende keken naar wat [minderjarige 1] nodig heeft. Er zijn stevige zorgen over de ontwikkeling van vooral [minderjarige 1] . De vraag is of dat komt door (alleen) onderstimulatie, of dat er ook sprake is van autisme. FamilySupporters is pas begin 2026 gestart. Zij zijn er voor de overdracht van ‘t Kabouterhuis naar de thuissituatie. FamilySupporters kan als de begeleiding verder gevorderd is, meer vertellen over [minderjarige 2] . De zorgen over [minderjarige 2] zien ook op haar toekomstige ontwikkeling. Het advies bij afschaling van een ondertoezichtstelling is altijd om een borgingsplan te maken. Dan kan er voor gezorgd worden dat bepaalde zorg blijft. Een dergelijk plan is er niet en daarvoor is het ook nog te vroeg.
De beoordeling door het hof
5.8
Het hof is van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat zowel ten tijde van de bestreden beschikking als ook nu nog sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. De kinderen hebben op heel jonge leeftijd veel meegemaakt en zijn getuige geweest van spanningen en ruzies (relatieproblemen) tussen de ouders. Vanaf januari 2023 is gespecialiseerde hulpverlening betrokken bij het gezin. Tips beklijven niet goed en de hulpverlening kon in het vrijwillige kader voor onvoldoende verbetering zorgen. Bij [minderjarige 1] is nog steeds sprake van een forse ontwikkelingsachterstand die hoogstwaarschijnlijk samenhangt met onvoldoende stimulatie in de thuissituatie. Daarnaast is bij hem mogelijk sprake van autisme. Dit wordt verder onderzocht. [minderjarige 2] is alert. Vanwege de onrustige thuissituatie, de ruzies tussen de ouders waar [minderjarige 2] getuige van is geweest en de onderstimulatie in de thuissituatie zijn er ook over [minderjarige 2] zorgen.
5.9
Het hof ziet de positieve ontwikkeling van de afgelopen maanden en de bereidheid van ouders om verdere stappen te zetten. Het hof is echter van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen nog niet of onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Daarvoor is het te vroeg. Onzeker is of de positieve ontwikkeling zich voortzet en of deze voldoende bestendig is. FamilySupporters is pas net gestart met de hulpverlening in de thuissituatie. Op die thuissituatie bestaat nog weinig zicht. Daarbij komt dat de intensieve vrijwillige hulpverlening in het verleden helaas onvoldoende is gebleken. Voorts is van belang dat bij de recente contacten tussen de ouders en ‘t Kabouterhuis de betrokkenheid van de gezinsvoogd nodig is gebleken om tot uitbreiding van de dagen van [minderjarige 1] bij ‘t Kabouterhuis te komen. Ouders onderkennen daarbij niet altijd de zorgen over [minderjarige 1] en kijken op dat moment onvoldoende naar wat [minderjarige 1] nodig heeft. Het hof vindt het daarom op dit moment nog noodzakelijk dat er hulpverlening is in het kader van een ondertoezichtstelling, zodat de GI als regievoerder door haar begeleiding en ondersteuning de nodige hulpverlening kan borgen. Ook zal de duur van de ondertoezichtstelling (tot augustus 2026) niet worden verkort aangezien die duur nog noodzakelijk wordt geacht om te werken aan de gestelde doelen. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking,
wijst af het meer of anders verzochte,
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Schoemaker, mr. J.M. van Baardewijk en mr. R.M. Troost, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.