ECLI:NL:GHAMS:2026:407

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
23-001837-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 6 EVRMArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis mishandeling met taakstraf en schadevergoeding

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd omdat het noodweerverweer dat in eerste aanleg werd gevoerd niet in hoger beroep is herhaald, waardoor het vonnis niet consistent was. De verdachte werd bewezen mishandeling ten laste gelegd, bestaande uit meerdere vuistslagen en een elleboogstoot tegen het gezicht van het slachtoffer op 1 november 2022 te Amsterdam.

Het hof achtte de mishandeling wettig en overtuigend bewezen, maar sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde werd bevestigd. Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het plaatsvond en de persoon van de verdachte. Het slachtoffer had zich herhaaldelijk hinderlijk en provocerend gedragen door terug te keren naar het restaurant van de verdachte ondanks verzoeken om te vertrekken, wat het hof als eigen schuld aanmerkte.

De verdachte betuigde spijt, wat mede leidde tot een lagere straf dan in eerste aanleg. Het hof legde een taakstraf op van 54 uur, waarvan 20 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim zeven maanden. Daarnaast werd de schadevergoeding aan het slachtoffer vastgesteld op €300,00, bestaande uit €50,00 materiële en €250,00 immateriële schade, waarbij de immateriële schade werd gematigd wegens eigen schuld van het slachtoffer.

De wettelijke rente over de schadevergoeding gaat in vanaf 1 november 2022. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 11 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 54 uur, waarvan 20 uur voorwaardelijk, en een schadevergoeding van €300 aan het slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001837-23
datum uitspraak: 11 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-045192-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1964,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 1 november 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht)
- slaan/stompen op/tegen/in het gezicht/hoofd, althans het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] en/of
- geven van een zogenaamde (elleboog)stoot op/tegen/in het gezicht/hoofd, althans het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het noodweerverweer dat de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg heeft gevoerd, in hoger beroep niet is herhaald. Nu dit verweer wel in het vonnis is opgenomen, is vernietiging naar het oordeel van het hof op haar plaats.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 1 november 2022 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen (met kracht)
- slaan tegen het gezicht van voornoemde [benadeelde partij] en
- geven van een zogenaamde (elleboog)stoot tegen het gezicht/hoofd, van voornoemde [benadeelde partij] .
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 70 uren subsidiair 35 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsvrouw heeft verzocht om een (deels) voorwaardelijke taakstraf op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals hij deze ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer meermalen met een vuistslag tegen het gezicht te slaan en door het slachtoffer een elleboogstoot te geven. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, en bij hem pijn en letsel veroorzaakt.
Het hof overweegt dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met het gedrag van het slachtoffer en de bijzondere omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Het slachtoffer kwam steeds weer terug bij het restaurant van de verdachte, ondanks dat hem meermalen door de verdachte en een andere persoon was verzocht daar weg te gaan. Hierdoor heeft het slachtoffer zich bij herhaling hinderlijk en provocerend gedragen tegenover de verdachte, waardoor naar het oordeel van het hof er sprake is van enige mate van eigen schuld aan de kant van het slachtoffer. Ook heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep spijt betuigd en verklaard dat de mishandeling nooit had mogen gebeuren.
In deze omstandigheden ziet het hof aanleiding minder uren taakstraf op te leggen (als uitgangspunt zoals hieronder vermeld) dan de politierechter en voorts een deel van deze taakstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.
Het hof acht een taakstraf voor de duur van 60 uur waarvan 20 uur voorwaardelijk in beginsel passend en geboden.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in hoger beroep is overschreden. Op 22 juni 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst op 11 februari 2026 arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim zeven maanden overschreden. Het hof zal de taakstraf, gelet op de geconstateerde overschrijding, matigen tot een taakstraf voor de duur van 54 uur.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 54 uur waarvan 20 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400,00 bestaande uit € 50,00 aan materiële schade en € 350,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep voor het gehele bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering dient te worden toegewezen.
De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt wat betreft de vordering ter zake van materiële schade. Ter zake van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de eigen schuld van de benadeelde partij en daarom de vordering aanzienlijk te beperken tot een bedrag van maximaal € 200,00.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 50,00, nu door de mishandeling bloedvlekken op de witte jas van de benadeelde partij zijn ontstaan. De vordering tot materiële schade is door de verdediging niet betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft door het handelen van de verdachte lichamelijk letsel opgelopen, te weten pijn aan de kaak en op het hoofd. Gelet op het voorgaande heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, is de vordering tot immateriële schadevergoeding in beginsel voor toewijzing vatbaar.
Het hof overweegt, overeenkomstig het verzoek van de raadsvrouw en zoals hiervoor in de strafmotivering reeds is overwogen, dat aan de kant van de benadeelde partij sprake is geweest van eigen schuld. Het hof ziet hierin aanleiding de hoogte van de vergoeding tot immateriële schade te matigen. Daarom zal het hof de vordering tot immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 250,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
54 (vierenvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
27 (zevenentwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
10 (tien) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 300,00 (driehonderd euro) bestaande uit € 50,00 (vijftig euro) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) bestaande uit € 50,00 (vijftig euro) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 november 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. E.J Hofstee en mr. A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van
mr. S.B. Zoet en mr. I. Peetoom, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 februari 2026.
mrs. E.J. Hofstee en A.M.A. Keulen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.