ECLI:NL:GHAMS:2026:408

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
23-001578-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 266 SrArt. 267 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belediging en mishandeling van ambtenaren tijdens rechtmatige bediening

Op 28 januari 2024 heeft de verdachte te Hoofddorp een politieambtenaar beledigd met de woorden "kankerhoer" en haar mishandeld door in haar gezicht te spugen tijdens de rechtmatige uitoefening van haar bediening. Tevens heeft de verdachte twee beveiligers mishandeld door een kopstoot en meerdere slagen toe te brengen.

De politierechter veroordeelde de verdachte in eerste aanleg tot twee maanden gevangenisstraf. Het hof vernietigt dit vonnis omdat het slechts een aantekening betrof en doet opnieuw recht. Het hof acht de bewezenverklaringen wettig en overtuigend en kwalificeert de feiten als eenvoudige belediging en mishandeling van ambtenaren tijdens hun rechtmatige bediening.

De verdachte heeft een eerdere veroordeling voor geweldsdelicten, wat meeweegt in de strafoplegging. Gezien het taakstrafverbod en het ontbreken van respons op reclasseringsoproepen acht het hof een gevangenisstraf passend en wijst een taakstraf af.

De benadeelde partijen vorderen immateriële schadevergoeding wegens de belediging en lichamelijke letsels. Het hof wijst deze vorderingen toe, respectievelijk €380 en €300, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 januari 2024. De verdachte wordt veroordeeld tot betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 11 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf en toekenning van immateriële schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001578-25
datum uitspraak: 11 februari 2026
TEGENSPRAAK(gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 24 juni 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-048162-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 28 januari 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 1] (hoofdagent van politie), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, de noodhulpsurveillance, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar meermalen, althans eenmaal, de woorden toe te voegen: "kankerhoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2. primair
zij op of omstreeks 28 januari 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, een ambtenaar, [benadeelde partij 1] (hoofdagent van politie), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening (noodhulpsurveillance) heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, in/op het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, te spugen;
2. subsidiair
zij op of omstreeks 28 januari 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 1] (hoofdagent van politie), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening (noodhulpsurveillance), in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door meermalen, althans eenmaal, in/op het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, te spugen;
3.
zij op of omstreeks 28 januari 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer [benadeelde partij 2] (beveiliger) heeft mishandeld door een kopstoot tegen het gezicht/hoofd te geven;
4.
zij op of omstreeks 28 januari 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer [beveiliger] (beveiliger) heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, te slaan en/of te stompen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij op 28 januari 2024 te Hoofddorp opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 1] (hoofdagent van politie), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, de noodhulpsurveillance, mondeling heeft beledigd door haar meermalen de woorden toe te voegen: "kankerhoer";
2.
primair
zij op 28 januari 2024 te Hoofddorp een ambtenaar, [benadeelde partij 1] (hoofdagent van politie), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening (noodhulpsurveillance) heeft mishandeld door
haarmeermalen in het gezicht te spugen;
3.
zij op 28 januari 2024 te Hoofddorp [benadeelde partij 2] (beveiliger) heeft mishandeld door een kopstoot tegen het linkeroog te geven;
4.
zij op of omstreeks 28 januari 2024 te Hoofddorp [beveiliger] (beveiliger) heeft mishandeld door meermalen tegen het gezicht te slaan.
Hetgeen onder 1, 2 primair, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het onder 3 en 4 bewezenverklaarde levert op:
telkens: mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft verzocht om een (deels) voorwaardelijke taakstraf dan wel een taakstraf in combinatie met een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals hij deze ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging en mishandeling van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van haar bediening. De verdachte heeft de politieambtenaar, die haar werk deed, in haar eer en goede naam geschaad en haar gezag als ambtsdrager ondermijnd. Daarnaast heeft de verdachte getoond geen respect te hebben voor deze politieagente door haar ook in haar gezicht te spugen. Uit de aangifte blijkt dat de politieagente zich daardoor vies, respectloos behandeld en vernederd voelde. Deze beide feiten zijn ernstige feiten die niet alleen leiden tot gevoelens van angst, maar ook het gezag van de politie ondermijnen en de uitoefening van de publieke taak van de politie belemmeren.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van twee beveiligers. De verdachte heeft met haar handelen de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid van beide beveiligers aangetast. Ook heeft ze een inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Bovendien versterkt dergelijk handelen de in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 januari 2026 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor geweldsdelicten, wat het hof in het nadeel van de verdachte laat meewegen bij de strafoplegging.
Het hof acht de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf in beginsel dan ook passend en geboden.
Het hof overweegt dat, gelet op het taakstrafverbod en de inhoud van het retourverslag van de reclassering van 26 mei 2025 (waaruit volgt dat de verdachte niet heeft gereageerd op meerdere oproepen van de reclassering), het opleggen van een taakstraf in onderhavige zaak een gepasseerd station is. In hetgeen de raadsman omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding een gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm dan wel gecombineerd met een taakstraf op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 380,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep voor het hele bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft de vordering niet betwist.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij is door het handelen van de verdachte in haar eer en goede naam geschaad, zoals hiervoor in de strafmotivering reeds is overwogen. Doordat de verdachte de benadeelde partij in haar gezicht heeft gespuugd, voelde zij zich respectloos behandeld, vernederd en vies. Bij de benadeelde partij was niet bekend of de verdachte een ziekte bij zich droeg. Deze onzekerheid heeft eraan bijgedragen dat de benadeelde partij, in haar eigen woorden, haar maag voelde omdraaien van narigheid. Gelet op het voorgaande heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal het hof de vordering tot immateriële schadevergoeding in haar geheel toewijzen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep voor het hele bedrag toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft de vordering niet betwist.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij heeft door het handelen van de verdachte lichamelijk letsel opgelopen, te weten zwellingen en blauwe plekken aan de linkerkant van het gezicht. Gelet op het voorgaande heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal het hof de vordering tot immateriële schadevergoeding in haar geheel toewijzen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 266, 267, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 380,00 (driehonderdtachtig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 380,00 (driehonderdtachtig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 28 januari 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 28 januari 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. E.J Hofstee en mr. A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van
mr. S.B. Zoet en mr. I. Peetoom, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 februari 2026.
mrs. E.J. Hofstee en A.M.A. Keulen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.