ECLI:NL:GHAMS:2026:409

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
23-001220-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis met gewijzigde strafoplegging voor rijden met ongeldig rijbewijs en lachgasgebruik

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging. De verdachte werd veroordeeld voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, het aanwezig hebben en rijden onder invloed van lachgas, en het weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek.

De politierechter had een gevangenisstraf van drie maanden opgelegd, waarvan één maand voorwaardelijk. Het hof vernietigde deze straf en legde in plaats daarvan een taakstraf van 180 uren op, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tevens werd een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee jaren opgelegd, eveneens met een proeftijd van twee jaren.

Het hof motiveerde de strafwijziging mede door het feit dat de verdachte sinds mei 2024 geen strafbare feiten meer had gepleegd en een eigen bouwbedrijf heeft, waardoor een gevangenisstraf nadelige gevolgen zou hebben. De gedragingen van de verdachte werden als ernstig beoordeeld vanwege de gevaren voor de verkeersveiligheid en het weigeren van medewerking aan het bloedonderzoek.

De overige beslissingen van het vonnis, zoals de inbeslagname van goederen, werden bevestigd. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 11 februari 2026.

Uitkomst: Taakstraf van 180 uren, waarvan 60 voorwaardelijk, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee jaren opgelegd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001220-25
datum uitspraak: 11 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2025 in de strafzaak onder de parketnummers
13-044219-25 en 96-177067-21 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen verbetert door het zesde bewijsmiddel dat in het vonnis is opgenomen te verwijderen. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat het hof de beslissingen over de inbeslaggenomen goederen en de vordering tot tenuitvoerlegging bevestigt.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft verzocht om, in plaats van een gevangenisstraf, een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke taakstraf dan wel met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om de ontzegging van de rijbevoegdheid niet op te leggen, omdat de verdachte zijn rijbewijs inmiddels terug heeft en wil kijken naar de toekomst.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Een ongeldigverklaring van het rijbewijs vindt plaats omdat de betrokkene niet in staat of niet geschikt wordt geacht (of dit heeft aangetoond) een motorrijtuig te besturen. Door toch achter het stuur plaats te nemen, heeft de verdachte niet alleen het gezag van de overheid miskend, maar ook de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van lachgas. Het gebruik van lachgas brengt gezondheidsrisico’s met zich. De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van lachgas, waarmee hij niet alleen zichzelf maar ook andere weggebruikers heeft blootgesteld aan gevaar.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek. Door zijn handelen heeft de verdachte verhinderd dat objectief vastgesteld kon worden hoeveel lachgas er in zijn bloed zat. Hiermee heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig aan te trekken van zijn verantwoordelijkheid - als verkeersdeelnemer - voor de verkeersveiligheid.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van eendaadse samenloop. Weliswaar vormen de gedragingen van de verdachte een samenhangend feitencomplex, maar de strekking van de desbetreffende strafbepalingen loopt wezenlijk uiteen.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 januari 2026 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Het hof acht de in eerste aanleg opgelegde straf in beginsel dan ook passend en geboden.
Het hof overweegt echter dat uit de Justitiële Documentatie van de verdachte kan worden afgeleid dat hij zijn gedrag heeft verbeterd, nu daaruit blijkt dat hij na mei 2024 geen strafbare feiten meer heeft gepleegd. Het hof laat dit in het voordeel van de verdachte meewegen. Daarnaast overweegt het hof dat de verdachte een eigen bouwbedrijf heeft. Het opleggen van een gevangenisstraf zal ertoe leiden dat de verdachte zijn werk niet of tijdelijk niet kan uitvoeren, terwijl het hebben van een eigen bedrijf een positieve impact kan hebben op de verdachte. Het hof overweegt daarom dat het opleggen van een taakstraf een beter alternatief is. Door de taakstraf deels voorwaardelijk op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, beoogt het hof de verdachte te waarschuwen niet nogmaals de fout in te gaan.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 180 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 163 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. E.J Hofstee en mr. A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van
mr. S.B. Zoet en mr. I. Peetoom griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 februari 2026.
mrs. E.J. Hofstee en A.M.A. Keulen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.