ECLI:NL:GHAMS:2026:41
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vaststelling van vaderschap na niet geleverde tegenbewijs
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep betreffende de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een minderjarige, geboren in 2018. De moeder, verzoekster in hoger beroep, had eerder een beschikking van de rechtbank Amsterdam aangevochten. De man, verweerder in hoger beroep, had de mogelijkheid gekregen om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen stelling dat hij de verwekker van de minderjarige is. Dit tegenbewijs moest voor 4 januari 2026 worden geleverd, maar de man heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Het hof heeft in zijn beslissing verwezen naar eerdere tussenbeschikkingen van 3 juni 2025 en 2 december 2025, waarin de man was toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Aangezien de man geen tegenbewijs heeft geleverd, heeft het hof het vaderschap van de man gerechtelijk vastgesteld, zoals door de moeder was verzocht. De beschikking van de rechtbank van 1 mei 2024 is vernietigd voor zover deze aan het oordeel van het hof was onderworpen.
De bijzondere curator, die was aangesteld voor de minderjarige, is ontslagen van haar taak, behalve in het geval dat tegen de beslissing tot vaststelling van het vaderschap beroep in cassatie wordt ingesteld. De uitspraak is openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer en de griffier is opgedragen om een afschrift van de beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar de minderjarige is geboren.