ECLI:NL:GHAMS:2026:416

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
23-003271-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep belaging en bedreiging ex-partner met matiging taakstraf wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van twee tenlastegelegde feiten, maar veroordeeld voor belaging en bedreiging van zijn ex-partner. Hij stelde hoger beroep in tegen het vonnis, waaronder ook de vrijspraakbeslissingen, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep tegen de vrijspraak was gericht.

Het hof bevestigde de bewezenverklaring van belaging en bedreiging, maar vernietigde de opgelegde taakstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en vrijheidsbeperkende maatregel. De rechtbank had een taakstraf van 240 uur opgelegd, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een contact- en locatieverbod.

Het hof matigde de taakstraf tot 200 uur vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van berechting met ruim een jaar. De voorwaardelijke gevangenisstraf en het contact- en locatieverbod werden opgeheven, mede omdat de relatie tussen verdachte en slachtoffer was verbeterd en de verdachte sindsdien niet opnieuw met justitie in aanraking was gekomen.

De opgelegde straf is gebaseerd op de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het arrest werd uitgesproken op 23 februari 2026 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het hof matigt de taakstraf tot 200 uur en heft het contact- en locatieverbod op vanwege termijnoverschrijding en verbeterde omstandigheden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003271-22
datum uitspraak: 23 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-208407-21 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
adres: [adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging, te weten de taakstraf, de voorwaardelijke gevangenisstraf en de vrijheidsbeperkende maatregel. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek en een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, en heeft daarvan de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarvan 120 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van meer dan een jaar schuldig gemaakt aan de belaging en bedreiging van zijn ex-partner. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk op het leven van het slachtoffer gemaakt, haar angst aangejaagd en haar privacy geschonden. De verdachte heeft daarbij geen rekening gehouden met de belangen van het slachtoffer, maar alleen met zichzelf.
Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, zijn de opgelegde straffen en maatregel zoals opgelegd door de rechtbank in beginsel passend. Gelet op het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten en uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij in die periode niet opnieuw met justitie in aanraking is geweest acht het hof het niet nodig om hem naast een taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarnaast ziet het hof, evenals de advocaat-generaal en de raadsman, geen aanleiding meer ook nu nog een contact- en locatieverbod op te leggen, gelet op het feit dat de relatie tussen de verdachte en het slachtoffer inmiddels lijkt te zijn verbeterd, en gelet op het tijdsverloop. Het hof komt tot het oordeel dat een taakstraf van 230 uren in beginsel passend is.
Het hof stelt echter ook vast dat het in artikel 6, eerste lid, EVRM opgenomen recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht -welke termijn in de hoger beroep fase voor een niet gedetineerde verdachte wordt bepaald op twee jaar- is geschonden. Namens de verdachte is op 9 december 2022 hoger beroep ingesteld en op 23 februari 2026 wordt dit eindarrest gewezen. Dit betekent dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting in hoger beroep niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak. De redelijke termijn is overschreden met bijna één jaar en drie maanden. Het hof is van oordeel dat dit een matiging van de straf tot gevolg moet hebben, in die zin dat het hof de taakstraf met 30 uur zal verminderen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging, te weten: de taakstraf, de voorwaardelijke gevangenisstraf en de vrijheidsbeperkende maatregel, en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
100 (honderd) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.L.M. van der Voet en mr. J.F. van Halderen, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 februari 2026.
De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]