ECLI:NL:GHAMS:2026:425

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.355.862/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: verlaging en indexering van de onderhoudsbijdrage vader

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen de rechtbankbeschikking die hem verplichtte €500 per maand kinderalimentatie te betalen voor zijn minderjarige kind. De vader betoogde dat hij dit bedrag niet kon betalen vanwege een forse schuldenlast en een lager inkomen.

Het hof stelde vast dat de vader en moeder gezamenlijk onvoldoende draagkracht hadden om de volledige behoefte van het kind te dekken, maar dat de draagkracht van de vader lager moest worden vastgesteld vanwege zijn schulden en lagere werkelijke woonlasten. Het hof berekende de draagkracht van de vader op €348 per maand en die van de moeder op €503 per maand, wat samen voldoende was om de behoefte van het kind te voldoen.

De zorgregeling werd in acht genomen met een zorgkorting van 25%, waardoor de vader een kinderalimentatie van €124 per maand verschuldigd is vanaf 25 september 2024. Het hof besloot dit bedrag per 1 januari 2026 te indexeren naar €130 per maand. Tevens oordeelde het hof dat er geen terugbetalingsverplichting bestaat voor de vader over eventueel teveel betaalde alimentatie in de periode daarvoor.

De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en vervangen door deze nieuwe regeling, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt verlaagd naar €124 per maand vanaf 25 september 2024, met een indexering naar €130 per maand per 1 januari 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.862/01
zaaknummer rechtbank: C/15/359210 / FA RK 24-5905
beschikking van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak van
[de vader],
zonder vaste woon- en verblijfplaats (postadres te [plaats A] ),
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. I.R. Feddema te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. I.M. Thieme te Zaandam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de kinderalimentatie die de vader aan de moeder dient te betalen ten behoeve van [minderjarige] (6 jaar).
1.2
De rechtbank heeft bepaald dat de vader met ingang van 25 september 2024 € 500,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de moeder.
De vader is het daar niet mee eens en wil dat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld, dan wel wordt verlaagd. Hij stelt dat hij door zijn schulden het door de rechtbank vastgestelde bedrag niet kan betalen. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking en meent dat de vader in staat moet worden geacht om het vastgestelde bedrag te voldoen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 18 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 24 juli 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 25 november 2025 met bijlagen (prod. A t/m D),
- een bericht van de zijde van de vader van 27 november 2025 met bijlagen (prod. 1 en 2);
- een bericht van de zijde van de vader van 1 december 2025 met bijlage (prod. 3).
2.4
De zitting heeft op 8 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2019 te [plaats A] .
De ouders hebben tot april 2022 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast.
3.2
Bij beschikking van 13 oktober 2025 heeft de rechtbank overwogen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder is en de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (hierna: de zorgregeling) vastgesteld:
[minderjarige] verblijft bij de vader:
- om de week op vrijdag vanaf uiterlijk 19:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij de vader de moeder uiterlijk de voorafgaande donderdag om 19:00 uur informeert als hij [minderjarige] uit school of vóór 19:00 uur kan ophalen;
- gedurende de laatste week van de zomervakantie vanaf vrijdag 19:00 uur tot een week later zondag 17:00 uur;
- in de even jaren in de eerste week van de kerstvakantie, vanaf vrijdag 19:00 uur tot een week later zaterdag 17:00 uur, met uitzondering van 25 december 10:00 uur tot 26 december 10:00 uur;
- in de oneven jaren van 25 december 10:00 uur tot 26 december 10:00 uur en de tweede week van de kerstvakantie, vanaf zaterdag 17:00 uur tot zondag een week later 17:00 uur;
- in de even jaren de eerste week van de meivakantie, vanaf vrijdag 19:00 uur tot een week later zaterdag 17:00 uur;
- in de oneven jaren de tweede week van de meivakantie, vanaf zaterdag 17:00 uur tot een week later zondag 17:00 uur;
waarbij de vader [minderjarige] steeds bij de moeder of uit school ophaalt en de moeder [minderjarige] bij de vader ophaalt.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking voor zover hier van belang op het onweersproken verzoek van de moeder bepaald dat de vader met ingang van 25 september 2024 € 500,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder dient te betalen ten behoeve van [minderjarige] .
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de kinderalimentatie op nihil te stellen, althans te bepalen op € 127,- per maand, te voldoen met ingang van 13 november 2024.
4.3
De moeder verzoekt de vader in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoek af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid
5.1
Anders dan de moeder heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep. Het hoger beroep is mede bedoeld om fouten en omissies in de procedure bij de rechtbank te herstellen. Dat de vader in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd, leidt dan ook niet tot niet-ontvankelijkheid van de vader in het door hem ingestelde beroep. Ook de stelling van de moeder dat het beroepschrift van de vader niet voldoet aan de wettelijke eisen vanwege het ontbreken van grieven, kan haar niet baten. In het beroepschrift heeft de vader duidelijk kenbaar gemaakt waarom hij het niet eens is met de bestreden beschikking en dat hij de beslissing over de kinderalimentatie in volle omvang aan het hof wenst voor te leggen. Uit het verweer van de moeder maakt het hof op dat de moeder het beroepschrift ook zo heeft opgevat. Het hof zal dan ook overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Kinderalimentatie - ingangsdatum
5.2
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ingangsdatum van de door de vader te betalen kinderalimentatie bepaald op 25 september 2024. De vader meent dat dit een latere datum moet zijn, te weten de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift op 13 november 2024. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verzocht aan te sluiten bij de datum van de bestreden beschikking.
De moeder voert verweer en meent dat de rechtbank de ingangsdatum terecht op 25 september 2024 heeft bepaald.
5.3
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de advocaat van de moeder de vader bij brief van 25 september 2024 heeft gewezen op zijn onderhoudsverplichting jegens [minderjarige] . Bij e-mail van 2 oktober 2024 heeft de vader bericht dat hij de brief in goede orde heeft ontvangen en daarop zo spoedig mogelijk zal terugkomen. Bij e-mailberichten van 10 oktober 2024, 22 oktober 2024 en 25 oktober 2024 heeft de advocaat van de moeder tevergeefs gerappelleerd. Het hof is van oordeel dat het vanaf 25 september 2024 voor de vader duidelijk is geweest dat de moeder aanspraak maakte op kinderalimentatie. Vanaf dat moment heeft de vader rekening kunnen en moeten houden met een alimentatieverplichting jegens [minderjarige] . Het hof zal dan ook – net als de rechtbank – 25 september 2024 als ingangsdatum hanteren.
Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige] (de behoefte)
5.4
Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de behoefte van [minderjarige] . Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte van [minderjarige] uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving in 2022, inclusief het kindgebonden budget (KGB) waarop ten tijde van de samenleving aanspraak werd gemaakt en stelt op basis daarvan de behoefte met toepassing van de zogenoemde NIBUD-tabellen vast.
5.5
Tussen partijen is niet in geschil dat de vader in 2022 een winst uit onderneming had van € 41.422,- bruto per jaar. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek en de MKB Winstvrijstelling – zoals de vader in zijn eigen berekening heeft gedaan – alsook de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet berekent het hof het netto besteedbaar inkomen van de vader op € 2.983,- per maand.
5.6
Tussen partijen is ook niet in geschil dat de moeder in 2022 een inkomen had van € 28.584,- bruto per jaar. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent het hof het netto besteedbaar inkomen van de moeder op € 2.252,- per maand.
5.7
Op basis van voornoemde inkomens maakten partijen aanspraak op een kindgebonden budget van € 4,- per maand.
5.8
Het voorgaande leidt tot een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.239,- per maand. Daarmee komt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige] op € 716,- per maand in 2022. Geïndexeerd naar 2024 is dat € 786,- per maand.
Ter zitting in hoger beroep is de berekening van de behoefte aan partijen voorgehouden. De man heeft zich akkoord verklaard met de berekening van het hof en de vrouw heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Draagkracht
5.9
In geschil tussen partijen is de verdeling van deze kosten van [minderjarige] over de ouders.
Het hof zal dan ook de draagkracht van beide ouders vaststellen en een draagkrachtvergelijking maken in het geval de gezamenlijke draagkracht van de ouders de behoefte van [minderjarige] te boven gaat. Daarbij zal het hof de aanbevelingen voor de berekening van de kinderalimentatie zoals opgenomen in het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie tot uitgangspunt nemen.
5.1
Bij het vaststellen van de draagkracht gaat het hof uit van het netto besteedbaar inkomen (NBI). Dit inkomen wordt vastgesteld door de som te nemen van het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen alsmede het te ontvangen kindgebonden budget, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x (NBI – (0,3 NBI + 1.270,- )), zoals deze in 2024 geldt, gelet op de ingangsdatum van de vast te stellen alimentatie. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 1.270,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
Draagkracht van de moeder
5.11
Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder in 2024 een inkomen had van € 32.235,- bruto. Bij het berekenen van het NBI ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, het kindgebonden budget van € 2.285,- en de alleenstaande ouderkop van € 3.265,-. Daarmee komt het NBI van de moeder in 2024 op € 2.840,- per maand.
5.12
Aan de hand van de hiervoor genoemde formule stelt het hof de draagkracht van de moeder vast op € 503,- per maand.
Draagkracht van de vader
5.13
Tussen partijen is in geschil van welk inkomen van de vader moet worden uitgegaan bij het berekenen van zijn draagkracht. De vader is een zelfstandige zonder personeel en heeft een klussenbedrijf. Volgens de vader moet worden uitgegaan van een gemiddelde winst uit onderneming van € 37.000,- bruto per jaar. Tot dit bedrag is hij gekomen door de winst over de jaren 2022, 2023 en 2024 te middelen en ook rekening te houden met de door hem overgelegde prognose over 2025. Zijn inkomen is gedaald doordat hij een grote klant is kwijtgeraakt. Omdat hij daardoor minder werkzaamheden als glaszetter had, heeft hij besloten om zich te laten bijscholen tot elektrotechnicus. In het eerste kwartaal van 2025 heeft hij minder gewerkt vanwege deze bijscholing. Tot op heden heeft hij als elektrotechnicus nog niet het inkomen kunnen genereren dat hij voorheen als glaszetter had. Vanwege zijn gebrek aan ervaring en opleiding moet hij met een lager uurloon genoegen nemen, maar hij verwacht dit op termijn weer te kunnen opschroeven. Omdat hij nog een aantal opleidingen dient te volgen, meent hij dat het redelijk is om voorlopig uit te gaan van de hiervoor genoemde winst uit onderneming van € 37.000,- bruto per jaar, aldus de vader.
De moeder voert verweer.
5.14
Het hof overweegt als volgt. Omdat de inkomsten als zzp-er per jaar kunnen fluctueren, zal het hof - zoals te doen gebruikelijk - uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de laatste drie jaren. Gelet op de ingangsdatum in 2024, zal het hof het gemiddelde nemen over de jaren 2022, 2023 en 2024 nu daarmee het meest actuele beeld wordt verkregen. Het hof ziet in hetgeen de vader heeft aangevoerd geen aanleiding om rekening te houden met de door hem gestelde winstprognose over 2025. De vader heeft ter onderbouwing van deze stelling volstaan met het overleggen van een overzicht van zijn BTW-aangifte over de eerste drie kwartalen van 2025. Voor het hof is dit onvoldoende om daaruit een betrouwbare prognose voor de winst uit onderneming over geheel 2025 te destilleren. Evenmin ziet het hof aanleiding om voor de verdiencapaciteit van de vader uitsluitend uit te gaan van zijn winst uit onderneming in 2023, het jaar met het hoogste resultaat, zoals de moeder heeft bepleit. Naar het oordeel van het hof geeft dit geen representatief beeld van het inkomen van de vader. Fluctuaties in het bedrijfsresultaat behoren tot het ondernemersrisico. Juist om die reden wordt doorgaans van een gemiddeld resultaat over drie jaren uitgegaan. Het hof zal dan ook aan de zijde van de vader uitgaan van een gemiddelde winst uit onderneming van € 40.855,- bruto per jaar. Dit is het gemiddelde van € 41.422 (2022), € 46.182 (2023) en 34.961 (2024).
5.15
Daarnaast gaat het hof uit van de volgende gegevens:
- de zelfstandigenaftrek van € 3.750,-
- de MKB-winstvrijstelling van € 4.939,-
- de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
5.16
Het NBI van de vader komt daarmee op € 2.967,- per maand.
Schulden
5.17
De vader stelt dat hij een schuldenlast heeft ter hoogte van € 35.833,05 per 30 november 2025 (prod. 3 bij bericht van 1 december 2025). Hij ontvangt op dit moment geen schuldhulpverlening, maar heeft met de hulp van een vriendin met een aantal schuldeisers betalingsregelingen kunnen treffen. Op dit moment lost hij ongeveer € 650,- per maand af. Maar hij lost niet af op zijn schulden bij de Belastingdienst, waardoor deze alleen maar oplopen. Hoewel hij zijn uiterste best doet om van zijn problematische schuldenpositie af te komen, is het op dit moment dweilen met de kraan open en lijkt schuldhulpverlening onvermijdelijk, aldus de vader.
De moeder betwist dat met de schuldenlast van de vader rekening moet worden gehouden. In het beroepschrift zijn geen concrete gegevens overgelegd met betrekking tot de aard, omvang, herkomst of status van de gestelde schulden. Daarmee is er sprake van een volstrekt onvoldoende onderbouwd beroep op een gestelde financiële belemmering. De vader overlegt louter een eigenhandig gefabriceerd "schuldenoverzicht" maar uit niets blijkt dat deze schulden ook daadwerkelijk bestaan. Ook als wordt aangenomen dat de vader enige schulden zou hebben, geldt dat dit niet automatisch leidt tot een verlaging van zijn onderhoudsverplichting jegens zijn kind. De wettelijke onderhoudsplicht van ouders tegenover hun minderjarige kinderen heeft een zwaarwegend karakter. Die verplichting gaat vóór op andere financiële verplichtingen, waaronder schulden jegens derden, aldus de moeder.
5.18
Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de draagkracht rekening te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige, ook met schulden waarop niet wordt afgelost. Weliswaar kan de rechter redenen aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar in dat geval dient hij dit oordeel te motiveren. In dit verband valt te denken aan schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of aan schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen. Voorop staat immers dat de wetgever aan de verplichting van ouders om in de kosten van een kind te voorzien hoge prioriteit heeft toegekend: uitgangspunt is dat minderjarige kinderen behoeftig zijn en de ouders hierin zoveel mogelijk dienen te voorzien. Dat leidt ertoe dat de noodzaak en de hoogte van eventuele extra lasten die de draagkracht zouden verlagen deugdelijk dienen te worden onderbouwd.
5.19
De vader heeft ter zitting in hoger beroep het door hem overgelegde schuldenoverzicht toegelicht. De eerste schuld op het overzicht betreft een schuld bij de Belastingdienst. Ter onderbouwing heeft hij een overzicht
Betalen en Ontvangen van de Belastingdienstovergelegd, waaruit blijkt dat hij diverse aanslagen inkomstenbelasting, bijdrage Zorgverzekeringswet en motorrijtuigenbelasting onbetaald heeft gelaten en dat hij teveel ontvangen zorgtoeslag dient terug te betalen. De oudste schuld stamt uit 2019 en het totale openstaande bedrag bedraagt ruim € 25.000,-. Op deze schuld lost hij niet af. De tweede schuld op het overzicht betreft een schuld bij zijn zorgverzekeraar. Ter onderbouwing heeft hij een brief van gerechtsdeurwaarder Syncasso van 16 januari 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat hij over de periode van 2021-2024 een achterstand heeft laten ontstaan in de betaling van de zorgverzekeringspremie en zorgkostennota’s. Het openstaande saldo bedraagt volgens de brief € 1.543,88. De derde schuld op het overzicht betreft een schuld bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Ter onderbouwing heeft hij een brief van het CJIB van 16 september 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat hij een betalingsregeling is overeengekomen van 18 maandelijkse termijnen van € 108,42 ten behoeve van een schuld van € 1.951,60. Uit de door de vader overgelegde rekeningafschriften blijkt dat de vader sinds 1 oktober 2025 drie termijnen heeft voldaan. De vierde schuld op het overzicht betreft een schuld bij zijn boekhouder. Ter onderbouwing heeft hij rekeningafschriften overgelegd, waaruit blijkt dat hij aflost op een schuld aan Administratiekantoor Gracia. Naar eigen zeggen is hij een betalingsregeling overeengekomen van twee termijnen van € 181,50, gevolgd door elf termijnen van € 75,-. De vijfde schuld op het overzicht betreft een schuld bij de ING Bank. Ter onderbouwing heeft hij een brief overgelegd, waaruit blijkt dat de schuld op 12 augustus 2025 € 4.411,11 bedroeg en dat hij 180,- per maand aflost. De zesde schuld op het overzicht betreft een schuld aan Romy Elektra en ziet op onbetaald gelaten opleidingskosten ter hoogte van € 1.439,90. Volgens de vader is hij daarvoor een betalingsregeling overeengekomen van vier termijnen van € 360,-. Verder is er een schuld bij Acibadem ter hoogte van € 795,63 en daarvoor stelt de man € 150,- per maand aan CBMK Incasso te betalen.
Hoewel aan de moeder moet worden toegegeven dat de onderbouwing van de vader van zijn schuldenlast minimaal is en ook niet geheel duidelijk is of de vader daadwerkelijk aflost op de schulden, zal het hof in redelijkheid rekening houden met de door de vader gestelde aflossing van € 650,- per maand. De door hem getroffen betalingsregelingen bedragen gezamenlijk al meer dan € 650,- per maand en de grootste schuld van de vader is zijn schuld bij de Belastingdienst en ook die instantie zal vroeg of laat overgaan tot incasseren. Het hof zal dan ook het draagkrachtloos inkomen van de vader verhogen met € 650,- per maand.
5.2
Uitgaande van een NBI van € 2.967,- per maand en voornoemde draagkrachtformule (70% x (NBI – (0,3 NBI + 1.270 + 650 aan extra lasten )) berekent het hof de draagkracht van de vader op € 110,- per maand,
Draagkrachtvergelijking
5.21
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de vader en de moeder samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [minderjarige] . Hun gezamenlijke draagkracht is € 613,- per maand, terwijl de kosten van [minderjarige] € 786,- per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 173,- per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken.
5.22
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep echter aangevoerd dat de vader geen woonlasten heeft en dat hij het bedrag aan forfaitaire woonlasten (0,3 NBI), waarmee wordt gerekend in de draagkrachtformule, kan gebruiken voor de aflossing van zijn schulden, zodat hij meer draagkracht overhoudt voor het betalen van kinderalimentatie. De vader heeft het voorgaande niet betwist.
5.23
Het hof overweegt als volgt. Nu op basis van de hierboven genoemde gegevens bij de ouders sprake is van een tekort aan draagkracht om de kosten voor [minderjarige] te voldoen, ziet het hof aanleiding om de forfaitaire woonlast van de vader naar beneden bij te stellen. De vader heeft immers niet weersproken dat zijn werkelijke woonlasten duurzaam lager zijn dan het forfaitaire bedrag van 30% van zijn NBI. Het hof zal in redelijkheid rekening houden met een bedrag van € 550,- per maand aan woonlasten, zodat de draagkracht van de vader neerkomt op € 348,- per maand en de ouders gezamenlijk over voldoende draagkracht beschikken om de kosten voor [minderjarige] te voldoen.
5.24
De vader en de moeder hebben samen een draagkracht van (503 + 348 =) € 851,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 786,- per maand. Dit betekent dat de vader een deel van (348/851 x 786 =) € 321,- per maand moet dragen en de moeder een deel van (503/851 x 786 =) € 465,- per maand.
Vermindering met de zorgkorting
5.25
De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Gelet op de onder 3.2 vermelde zorg- en vakantieregeling zal het hof rekening houden met een zorgkorting van 25%.
5.26
Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de vader aan de moeder dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat de ouders samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De zorgkorting bedraagt – afgerond – 197,- per maand, te weten 25% van de behoefte van [minderjarige] van € 786,- per maand. Dit leidt ertoe dat de vader (€ 321 - € 197 =) € 124,- per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen.
Indexering
5.27.
Met inachtneming van het overwogene in rechtsoverweging 3.2.6. in HR 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165) zal het hof beoordelen of aanleiding bestaat de door de vader verschuldigde onderhoudsbijdrage te verhogen per 1 januari 2025 en/of 1 januari 2026 gelet op de gevolgen die de jaarlijkse indexering als bedoeld in art 1:402a BW, zou hebben gehad voor de hoogte van de kinderalimentatie indien de datum van de onderhavige beschikking zou zijn samengevallen met de ingangsdatum (25 september 2024).
Evident is dat de moeder en [minderjarige] belang hebben bij toepassing van een indexering, gelijk aan de wettelijke indexering. Met toepassing daarvan zou het door de vader verschuldigde bedrag immers per 1 januari 2025 zijn verhoogd met 6,5 % en met 4,6 % per 1 januari 2026. Daartegenover staat dat op basis van de inkomensgegevens van de vader waarvan in het voorgaande is uitgegaan, niet aannemelijk is dat het inkomen van de vader per 1 januari 2025 en 1 januari 2026 is of zal zijn meegestegen met wettelijke indexeringspercentages. Het hof acht het echter redelijk om het vastgestelde bedrag van € 124,- per maand per 1 januari 2026 te verhogen met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering (4,6 %). De vader hoeft op grond van het in 5.24 becijferde immers niet zijn gehele draagkracht aan te wenden. Er bestaat bij hem dus ruimte om genoemde indexering per 1 januari 2026 te dragen. De door hem verschuldigde kinderalimentatie bedraagt dan per 1 januari 2026 € 130,- per maand.
Het hof zal een kopie van de berekeningen aan de beschikking hechten.
Terugbetalingsverplichting
5.28
Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van wat er in de procedure is gebleken, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Uitgaande van het gegeven dat de vader tot op heden geen kinderalimentatie heeft voldaan aan de moeder, neemt het hof aan dat geen sprake is van een terugbetalingsverplichting aan de zijde van de moeder. Mocht dit toch het geval zijn, dan is het hof van oordeel dat terugbetaling niet van de moeder kan worden gevergd. Daarbij betrekt het hof de hoogte van het inkomen van de moeder, het gegeven dat een onderhoudsbijdrage ten behoeve van kinderen doorgaans wordt verbruikt, en het feit dat niet is gebleken dat de moeder over in aanmerking te nemen (box 3) vermogen beschikt.
Het hof zal daarom beslissen dat voor zover de vader in de periode vanaf 25 september 2024 tot heden meer heeft betaald dan waartoe hij gehouden was, de bijdrage over deze periode wordt bepaald op hetgeen door hem is betaald of op hem is verhaald.
5.29
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 20 maart 2025 en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 25 september 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 124,- (eenhonderdvierentwintig euro) per maand zal betalen en met ingang van 1 januari 2026 € 130,- (eenhonderddertig euro) per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. A.N. van de Beek en mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 24 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.