ECLI:NL:GHAMS:2026:449

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.176.227/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot afstorting pensioenkoopsom en verrekening waarde verhuurd pand na echtscheiding

In deze civiele zaak in hoger beroep staat de afwikkeling van pensioenrechten en vermogensverdeling tussen voormalige echtgenoten centraal. De man heeft in eigen beheer pensioenaanspraken opgebouwd via zijn BV, terwijl de vrouw aanspraak maakt op een ouderdoms- en weduwepensioen. Het hof bevestigt dat de man verplicht is een koopsom af te storten om de pensioenrechten van de vrouw te garanderen, met een maximum van €314.824,-. Tevens moet de man een bedrag van €115.000,- betalen ter verrekening van zijn aandeel in een verhuurd pand.

De deskundigenrapporten van Hoiting en Hoogenhout zijn cruciaal geweest voor de beoordeling. Hoiting concludeerde dat afstorting op de peildatum niet mogelijk was vanwege onvoldoende liquide middelen, mede veroorzaakt door een lening van €750.000,- aan de man zelf tegen onzakelijke voorwaarden. Echter, zonder rekening te houden met deze lening en het verminderde inkomen van de man, zou afstorting wel mogelijk zijn. Hoogenhout taxeerde de waarde van het verhuurde pand, waarover geen bezwaren zijn ingebracht.

Het hof vernietigt eerdere vonnissen die de vordering van de vrouw tot verrekening van het pand afwezen en de man verplichtten tot afstorting binnen een onhaalbare termijn. De man wordt veroordeeld tot afstorting van de pensioenkoopsom en betaling van het aandeel in het pand, met uitvoerbaarheid bij voorraad. Proceskosten, inclusief deskundigenkosten, worden gecompenseerd tussen partijen, waarbij de man zijn deel van de voorschotten aan het Rijk moet betalen.

Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot afstorting van een pensioenkoopsom tot maximaal €314.824,- en tot betaling van €115.000,- voor zijn aandeel in een verhuurd pand.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.176.227/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/190984 / HA ZA 12-175
(locatie Haarlem)
arrest van de meervoudige familiekamer van 17 februari 2026
inzake
[de man],
wonend te [plaats A] (Turkije),
appellant in het principaal hoger beroep,
tevens geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: geen (voorheen mr. J.F.M. Kappé te Amsterdam),
tegen:
[de vrouw],
wonend te [plaats B] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
tevens appellante in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. C.J.A.M. Bots te Breukelen.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 24 augustus 2021 (hierna: het derde tussenarrest) verwijst het hof naar dat tussenarrest. In het derde tussenarrest heeft het hof twee onderzoeken door een deskundige bevolen en respectievelijk drs. P. Hoiting RA RV (hierna: Hoiting) en Ing. A. Hoogenhout (hierna: Hoogenhout) tot deskundigen benoemd. Op 28 oktober 2021 heeft het hof het deskundigenbericht van 22 oktober 2021van Hoogenhout ontvangen en op 24 september 2024 het deskundigenbericht van Hoiting van 26 augustus 2024.
De vrouw heeft daarna een memorie inzake deskundigenbericht ingediend in reactie op het rapport van Hoiting en vervolgens een akte inzake uitlating deskundigenrapport in reactie op het rapport van Hoogenhout. De man heeft zich, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet uitgelaten.
Ten slotte is opnieuw arrest gevraagd.

2.De beoordeling

2.1
Het hof realiseert zich dat dit eindarrest – door verschillende oorzaken – lange tijd nadat de procedure in hoger beroep is aangevangen en nadat de eerdere tussenarresten zijn gewezen, wordt uitgesproken. De situatie van partijen zal daardoor zijn gewijzigd. Zo hebben partijen ieder inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Daarnaast is het hof indertijd uitgegaan van een af te storten bedrag van € 314.824,-, waarbij het hof zich baseerde op de laatst bekende gegevens, te weten de offerte van een verzekeringsmaatschappij die de vrouw in het geding had gebracht. De vraag komt op of en, zo ja, in hoeverre de vrouw nog op deze offerte of een soortgelijke offerte zal kunnen terugvallen gelet op veranderingen in wetgeving en binnen de verzekeringsbranche. Partijen hebben in deze procedure geen nadere standpunten hierover ingenomen of nadere vorderingen gedaan. Dat lag wel op hun weg en binnen hun mogelijkheden. Het hof zal aansluiten bij de in de procedure ingenomen stellingen.
In principaal hoger beroep
2.2
In het derde tussenarrest heeft het hof Hoiting tot deskundige benoemd ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Is de BV (hof: [X] B.V.), uitgaande van de situatie waarin zij thans verkeert, in staat het door de verzekeringsmaatschappij berekende bedrag van € 314.824,- af te storten zonder dat de continuïteit van de BV in gevaar wordt gebracht?
2. Hoe luidt het antwoord op vraag 1 als de onttrekking van € 750.000,- en de verlaging van het inkomen van de man buiten beschouwing worden gelaten? Voor wat betreft het inkomen dient u bij het beantwoorden van deze vraag uit te gaan van het inkomen gebaseerd op het gemiddelde resultaat van de onderneming behaald in de drie jaren voorafgaand aan de uittreding.
3. Indien het antwoord op vraag 2 luidt dat onder de daar genoemde condities de BV in staat is het bedrag van € 314.824,- af te storten, is de BV dan nog in staat haar pensioenverplichting jegens de man na te komen? Zo nee, tot welke jaarlijkse pensioenuitkering aan de man zou de BV dan wel in staat zijn zonder haar continuïteit in gevaar te brengen?
4. Bij de afstorting van welk bedrag zouden partijen een gelijke pensioenuitkering verkrijgen, waarbij wat betreft de financiële situatie van de BV ervan uitgegaan wordt dat geen onttrekking aan de BV heeft plaatsgevonden van € 750.000,- en ook geen verlaging van het inkomen? Als peildatum dient u daarbij uit te gaan van 17 juli 2018.
5. Geeft het onderzoek u aanleiding tot verdere opmerkingen? Zo ja, tot welke?
2.3
Hoiting is, samengevat, tot de volgende conclusies gekomen:
1. Uitgaande van de door het hof vastgestelde peildatum van 17 juli 2018 acht Hoiting afstorting niet mogelijk. Er zijn per aanvang en einde boekjaar 2018 geen liquide middelen opgenomen op de balans en de opgenomen vlottende activa zijn onvoldoende en bieden geen uitkomst.
2. De balans per 17 juli 2018 toont een eigen vermogen van € 772K. Hoiting merkt op dat de pensioenvoorziening substantieel te laag zal zijn opgenomen. Aanpassing zou leiden tot een lager eigen vermogen (rekening houdend met het matigende effect van vennootschapsbelasting). Uitgaande van dit scenario bedraagt het saldo liquide middelen € 652K en is afstorting van € 314.824,- mogelijk.
3. Beantwoording vergt actuariële kennis en valt buiten de deskundigheid van Hoiting. Hoiting wijst op de opmerkingen van de man bij vraag 5.
4. Beantwoording vergt actuariële kennis en valt buiten de deskundigheid van Hoiting.
5. Hoiting geeft bij de beantwoording van deze vraag de opmerkingen weer die tijdens het onderzoek zijn gemaakt en nog niet eerder zijn uitgewerkt.
Deze opmerkingen zijn, voor zover van belang:
- de rente op de lening ad € 750K wordt afgaande op de balansen niet voldaan. Het is niet duidelijk of de 5% is toegepast van artikel 6.2 van de Leningovereenkomst;
- volgens de Leningovereenkomst zou de lening in dat geval geheel opeisbaar zijn. Volgens artikel 9 zou Pro hypotheek gevestigd kunnen worden op de onroerende zaak. De deskundige kan niet inschatten hoe een en ander zou uitwerken op de cijfers per 17 juli 2018;
- de lening leidt er toe dat afstorting van pensioenverplichtingen niet mogelijk is op 17 juli 2018.
Opmerkingen van de zijde van de vrouw:
- de lening is niet zakelijk en tegen de gestelde voorwaarden zou de man niet bij een derde of een bank kunnen lenen.
Opmerkingen van de zijde van de man:
- de berekeningen zijn puur op hypothetische normen en waarden gebaseerd;
- uit de pensioenberekening heeft de vrouw recht op € 10.600,- per jaar, de verzekeraar berekent een lijfrentepolis met een af te storten bedrag van € 315.000,-;
- als de polis vanaf 65 jarige leeftijd van de man levenslang uitkeert, de verzekeraar 6% per jaar winst maakt en de statistische gemiddelde leeftijd van een vrouw op 80 jaar is gesteld en de afstorting door de jaaruitkering wordt gedeeld, komt de man op meer dan 30 jaar uit, inclusief de winstindexering. Daarna gaat het de verzekeraar pas geld kosten zolang de vrouw leeft. De man wijst erop dat de vrouw inmiddels 70 jaar is.
2.4
In de memorie inzake deskundigenbericht heeft de vrouw in aanvulling op de hiervoor weergegeven opmerking nog betoogd dat de BV van de man na de verkoop van de tandartsenpraktijk in 2013 een zogenaamde “Kasgeld-BV” is geworden. De continuïteit van de onderneming kan daarom nooit in gevaar komen, omdat de BV geen reële onderneming meer heeft. De deskundige heeft daarnaast in het rapport aangegeven dat hij blijkens de jaarrekening over 2018 afstorting niet mogelijk acht vanwege het gebrek aan liquide middelen, maar dat is een situatie die de man zelf heeft gecreëerd door alle financiële middelen aan hemzelf tegen een hoogst onzakelijke rente (5%) en zonder enige zekerheid uit te lenen. Bij deze beslissing heeft de man geen enkele rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de vrouw. Zij heeft geen invloed gehad op de beslissing van de man om gelden te investeren buiten Europa. Gelet op het rapport van de deskundige is de vrouw nog bezorgder geworden dat haar pensioenrechten in de BV niet zijn gewaarborgd. Zij wijst erop dat volgens de deskundige de rente over de lening niet wordt voldaan, dat volgens de leningsovereenkomst de gehele hoofdsom opeisbaar is, dat de pensioenvoorziening niet juist is berekend, dat de advocaat van de man zijn werkzaamheden heeft neergelegd en dat de belastingdienst heeft geconstateerd dat de BV de fiscale regels in de loonbelasting heeft overtreden en om die reden de aan de man bij zijn emigratie opgelegde conservatoire belastingaanslag is gaan invorderen.
Zij concludeert dat gelet op haar belangen, afstorting van pensioenrechten dient te geschieden en dat in de BV voldoende middelen aanwezig zijn om een dergelijke afstorting te realiseren zonder dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt en zonder dat de pensioenrechten van de man worden verminderd.
2.5
Zoals het hof in het eerste tussenarrest van 16 mei 2017 onder rechtsoverweging 3.11. heeft overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat in beginsel afstorting van de benodigde koopsom voor het ouderdoms- en weduwepensioen voor de vrouw dient plaats te vinden. Ook is niet in geschil dat de vrouw ingevolge de pensioenovereenkomst aanspraak kan maken op een ouderdomspensioen van € 11.748,- per jaar, ingaand op 1 maart 2021, en een weduwepensioen van € 11.290,- per jaar in het geval van vóóroverlijden van de man (het gaat dan ook niet om een recht van € 10.600,- per jaar zoals de man in het deskundigenbericht onder 6.5.3. opmerkt). De vrouw heeft indertijd een offerte in het geding gebracht waaruit bleek dat in 2014 een koopsom van in totaal € 314.824,- nodig was om de rechten van de vrouw te garanderen.
Het hof heeft in het eerste tussenarrest tevens aan de orde gesteld dat op grond van vaste rechtspraak de vraag of in een concreet geval op afstorting aanspraak kan worden gemaakt, moet geschieden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. De aanwezigheid van voldoende liquide middelen is één van die omstandigheden. Uit de beantwoording van de eerste vraag aan Hoiting volgt dat op het moment van beoordeling (17 juli 2018) de BV niet over voldoende liquide middelen beschikte om een bedrag van € 314.824,- af te storten. Wanneer echter geen rekening wordt gehouden met een verminderd resultaat in de onderneming – en als gevolg daarvan een verminderd inkomen van de man – doordat de man minder is gaan werken en evenmin met de opname van € 750.000,- uit de BV door de man in de vorm van een lening ten behoeve van (een) appartement(en) in Turkije, is het wel mogelijk een dergelijk bedrag af te storten.
De deskundige heeft niet de vragen beantwoord in hoeverre de BV in staat is aan haar pensioenverplichtingen jegens de man te voldoen wanneer afstorting van € 314.824,- plaatsvindt of bij afstorting van welk bedrag partijen een gelijke pensioenuitkering zouden verkrijgen. Het hof is van oordeel dat het niet nodig is om een andere deskundige te benoemen voor de beantwoording van die vragen en dat de belangen van de man voldoende zijn gewaarborgd. Enerzijds volgt uit de beantwoording van de vragen dat wanneer geen rekening wordt gehouden met de verlaging van het inkomen van de man en de opname van € 750.000,- uit de BV, er aan liquide middelen € 652.000,- in de BV aanwezig had kunnen zijn, zodat ook na storting van € 314.824,- nog liquide middelen overblijven ten behoeve van de pensioenverplichting aan de man, anderzijds is het de vraag of ook nu nog een bedrag van € 314.824,- nodig is om het ouderdoms- en nabestaandenpensioen van de vrouw te garanderen, gelet op de inmiddels gestegen rekenrente. Niet, althans onvoldoende is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit moet worden geconcludeerd dat afstorting van de pensioenaanspraak van de vrouw tot gevolg heeft dat het voor de man resterende deel zo laag is dat die uitkomst, in verhouding tot het ten behoeve van de vrouw afgestorte deel, niet als redelijk en billijk kan worden beschouwd. Overigens heeft de man in zijn reactie op het concept rapport van de deskundige ook niet opgemerkt dat de BV in geval van afstorting niet meer aan haar verplichtingen ten opzichte van hem kan voldoen of verzocht om de benoeming van een andere deskundige.
2.6
Wat betreft de beantwoording van vraag 5 door Hoiting (“geeft het onderzoek u aanleiding tot verdere opmerkingen? Zo ja, tot welke?”), overweegt het hof dat het voor de beoordeling van het geschil in de procedure niet van belang is of de rente over de geldleenovereenkomst al dan niet wordt voldaan door de man. Dat als gevolg van de geldlening zich niet voldoende liquide middelen bevinden in de BV om tot afstorting over te gaan, of – zoals de man het weergeeft: “dat de berekening op hypothetische normen en waarden is gebaseerd” – ligt in de risicosfeer van de man, zoals het hof al heeft overwogen in het eerste tussenarrest van 16 mei 2017, en is geen reden om te oordelen dat de man niet tot afstorting hoeft over te gaan. Het ligt ook binnen de macht van de man om door aflossing van de lening van € 750.000,- te zorgen voor voldoende liquide middelen in de BV en naar de deskundige vermeldt binnen de macht van de man om de lening op te eisen.
Ook de overige opmerkingen van de man leiden niet tot een ander oordeel. Welk bedrag zal moeten worden afgestort, uitgaande van de hiervoor onder 2.5 genoemde bedragen aan ouderdoms- en nabestaandenpensioen, zal (indien de eerdere offerte niet meer geldig is) opnieuw moeten worden berekend.
2.7
Het voorgaande brengt mee dat de derde grief van de man faalt en de vrouw naar het oordeel van het hof aanspraak kan maken op afstorting van een koopsom die nodig is om met ingang van 1 maart 2021 een direct ingaand ouderdomspensioen van € 11.748,- per jaar te garanderen en een weduwepensioen, ingaande bij overlijden van de man, van € 11.290,- per jaar en dat het bestreden vonnis op dit punt moet worden bekrachtigd. Wel zal het hof in het dictum bepalen dat de af te storten koopsom nooit meer dan € 314.824,- zal hoeven te zijn.
Het hof realiseert zich dat de vrouw al sinds 1 maart 2021 aanspraak kan maken op een ouderdomspensioen. Voor zover al uitkeringen hebben plaatsgevonden, dient hiermee rekening te worden gehouden bij het treffen van de pensioenvoorziening.
Het falen van de derde grief leidt ook tot afwijzing van de vordering de man om te bepalen dat het te verevenen deel wordt vastgesteld op de helft van het binnen de praktijkvennootschap van de man per 1 december 2007 voorziene pensioen.
In incidenteel hoger beroep
2.8
Het hof heeft in het derde tussenarrest Hoogenhout tot deskundige benoemd ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Wat is de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat van het pand aan de [A-straat] te [plaats C] , voor zover het betreft de aan derden, niet zijnde tandartsenpraktijk [Y] , verhuurde gedeelten op 1 december 2007?
2. Geeft het onderzoek u aanleiding tot verdere opmerkingen? Zo ja, tot welke?
2.9
Hoogenhout heeft de vragen als volgt beantwoord:
1. De onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat van het pand aan de [A-straat] te [plaats C] met bijzonder uitgangspunt 1 december 2007 is als volgt:
• [A-straat] gemeente [plaats C] , Sectie […] , nummer [# 1] , indexnummer [00] plaatselijk bekend als [A-straat] (breukdeel in de gemeenschap [# 2] ); op basis van huurwaarde van ca. € 190,- per m² geeft een huurwaarde van ca. € 76.000,- per jaar, uitgaande van een verhuurbaar vloeroppervlakte van ca. 400 m² en uitgaande van kortlopende kantoor huurcontracten (geen/minder huurbescherming).
Waarde ca. € 1.350.000,-;
• [A-straat] , gemeente [plaats C] , Sectie […] , nummer [# 1] , indexnummer [000] plaatselijk bekend als [A-straat] (breukdeel in de gemeenschap [# 3] ); op basis van huurwaarde van ca. € 175,- per m² geeft een huurwaarde van ca. € 52.000,- per jaar, uitgaande van een verhuurbaar vloeroppervlakte van ca. 300 m² en uitgaande van kortlopende kantoor huurcontracten (geen/minder huurbescherming).
Waarde ca. € 950.000,-.
2. Het onderzoek geeft aanleiding tot verdere opmerkingen; aangezien medio 2007 de bovengelegen appartementsrecht is verkocht met bedrijfsbestemming te weten indexnummer [0000] met een transactie prijs € 715.000,- (zie tevens bijlage eigendomsbewijs).
Uitgaande van genoemde verkoop de volgende leegwaarde van toepassing:
• [00] ca. € 1.600.000,-
• [000] ca. € 1.100.000,-.
2.1
In de akte uitlating deskundigenrapport heeft de vrouw zich akkoord verklaard met de door de deskundige berekende taxatiewaardes van € 1.350.000,- en € 950.000,-. Zij neemt als uitgangspunt dat de man voor 25% gerechtigd is tot de getaxeerde waarde van (€ 1.350.000,- + € 950.000,- =) € 2.300.000,-, dat wil zeggen tot een bedrag van € 575.000,-. Van dit bedrag is 40% als privévermogen aangemerkt, dat wil zeggen € 230.000,-. Aan haar komt de helft van dit bedrag toe, dat wil zeggen € 115.000,-, aldus de vrouw.
De man heeft zich, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet uitgelaten over de inhoud van het deskundigenrapport.
2.11
Het hof neemt de conclusies uit het deskundigenbericht over, omdat daartegen geen bezwaren zijn ingebracht.
In het eerste tussenarrest van 16 mei 2017 heeft het hof overwogen dat het aan de man toe te rekenen deel van de waarde van de verhuurde gedeelten in het pand aan de [A-straat] te [plaats C] per peildatum (1 december 2007) in de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk moet worden betrokken. De vrouw heeft het deel dat aan haar toekomt, aan de hand van de taxatiewaardes berekend op € 115.000,-. Het hof volgt deze berekening en zal bepalen dat de man alsnog een bedrag van € 115.000,- aan de vrouw dient te vergoeden.
Slotsom
2.12
Het voorgaande brengt mee dat het hof het tussenvonnis van de rechtbank van 12 september 2012 en het eindvonnis van 18 maart 2015 zal vernietigen, waar deze vonnissen zien op afwijzing van de vordering tot verrekening van de waarde van het aandeel van de man in de eigendom van het pand [A-straat] te [plaats C] , voor zover het pand was verhuurd aan derden. Omdat in het eindvonnis ten aanzien van de pensioenverevening wordt gesproken over een afstorting “binnen een maand na de datum van deze beschikking” en afstorting binnen die termijn niet meer mogelijk is, terwijl bovendien sprake was van een vonnis (in plaats van een beschikking), zal het hof, om verwarring te voorkomen ook deze beslissing vernietigen en opnieuw de veroordeling opnemen, waarbij het hof ook zal bepalen dat de koopsom die de man moet afstorten, nooit meer dan € 314.824,- zal hoeven te zijn en, ingevolge het eerste tussenarrest van 16 mei 2017, de man in zijn hoedanigheid van DGA voor afstorting dient zorg te dragen.
Over en weer hebben partijen nog andere grieven gericht tegen de bestreden vonnissen en vorderingen ingesteld. In het eerste tussenarrest van 16 mei 2017 heeft het hof al geoordeeld dat die grieven falen. De daarmee samenhangende vorderingen zullen worden afgewezen.
2.13
Omdat partijen voormalige echtgenoten zijn, zal het hof in hoger beroep de proceskosten compenseren. Tot de proceskosten behoren ook de kosten van de deskundigen. Hoiting heeft een bedrag van € 14.471,60 in rekening gebracht. Indertijd, bij tussenarrest van 17 juli 2028, is het voorschot op € 15.000,- vastgesteld en bepaald dat ieder van partijen de helft van het voorschot dient te betalen. De vrouw heeft haar deel van het voorschot betaald. Gelet op de hoogte van de nota van Hoiting heeft zij een bedrag van € 264,20 te veel betaald. Het hof zal bepalen dat dit bedrag aan haar retour moet worden betaald. Het is het hof gebleken dat de man zijn deel van het voorschot niet heeft betaald. Het hof zal daarom bepalen dat hij een bedrag van € 7.235,80, zijnde de helft van de nota van Hoiting moet betalen.
Hoogenhout heeft een bedrag van € 1.210,- in rekening gebracht, gelijk aan het indertijd betaalde voorschot. De vrouw heeft haar deel van het voorschot betaald. De man heeft zijn deel van het voorschot niet betaald, zodat het hof zal bepalen dat hij een bedrag van € 605,- moet betalen.
De door de man te betalen bedragen is hij verschuldigd aan het Rijk, dat deze bedragen heeft voorgeschoten. Het hof zal de man veroordelen tot betaling van genoemde bedragen van
€ 7.235,80 en € 605,- aan het Rijk.

3.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het (tussen)vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 12 september 2012 voor zover de rechtbank daarin heeft overwogen dat het aandeel van de man in het pand aan de [A-straat] te [plaats C] aan de BV wordt verhuurd en daarmee dienstbaar is aan het beroepsvermogen of het ondernemingsvermogen van de man, zodat het buiten beschouwing wordt gelaten bij de verrekening;
- vernietigt het (eind)vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 18 maart 2015, voor zover daarbij de man is veroordeeld om binnen een maand na de datum van de beschikking het pensioen van de vrouw, opgebouwd in [X] BV, zoals berekend door [naam] Pensioenconsultancy, over te dragen aan een professionele onafhankelijke verzekeraar naar keuze van de vrouw, derhalve te voldoen de door die verzekeraar te berekenen koopsom die nodig is om met ingang van 1 maart 2021 een direct ingaand ouderdomspension van € 11.748 per jaar en een weduwepensioen, ingaande bij het overlijden van de man, van € 11.290 per jaar te garanderen en de vordering van de vrouw met betrekking tot het pand aan de [A-straat] te [plaats C] is afgewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt de man in zijn hoedanigheid van DGA van [X] BV om binnen een maand na de datum van dit arrest het pensioen van de vrouw, opgebouwd in [X] BV, zoals berekend door [naam] Pensioenconsultancy, over te dragen aan een professionele onafhankelijke verzekeraar naar keuze van de vrouw, derhalve te voldoen de door die verzekeraar te berekenen koopsom die nodig is om met ingang van 1 maart 2021 een direct ingaand ouderdomspension van € 11.748,- per jaar en een weduwepensioen, ingaande bij het overlijden van de man, van € 11.290,- per jaar te garanderen, met dien verstande dat de door de man af te storten koopsom nooit meer dan € 314.824,- zal bedragen;
- bepaalt dat de waarde van het aandeel van de man in het aan derden verhuurde gedeelte van het pand aan de [A-straat] te [plaats C] behoort tot het te verrekenen huwelijkse vermogen en veroordeelt de man uit hoofde daarvan tot betaling van € 115.000,- aan de vrouw;
- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- bekrachtigt de bestreden vonnissen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
- bepaalt dat de kosten van de deskundige P. Hoiting ten bedrage van € 14.471,60 (inclusief BTW) ten laste komen van partijen, ieder voor de helft;
- bepaalt dat de kosten van de deskundige A. Hoogenhout ten bedrage van € 1.210,- (inclusief BTW) ten lasten komen van partijen, ieder voor de helft;
- bepaalt dat het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een bedrag van € 264,20 uit het door de vrouw betaalde gedeelte van het depot terugbetaalt aan de vrouw;
- veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 7.840,80 aan het Rijk wegens de ten laste van ’s Rijks kas voorgeschoten deskundigenkosten en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. van de Beek, C.M.J. Peters en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.