Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De beoordeling
2. Geeft het onderzoek u aanleiding tot verdere opmerkingen? Zo ja, tot welke?
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak in hoger beroep staat de afwikkeling van pensioenrechten en vermogensverdeling tussen voormalige echtgenoten centraal. De man heeft in eigen beheer pensioenaanspraken opgebouwd via zijn BV, terwijl de vrouw aanspraak maakt op een ouderdoms- en weduwepensioen. Het hof bevestigt dat de man verplicht is een koopsom af te storten om de pensioenrechten van de vrouw te garanderen, met een maximum van €314.824,-. Tevens moet de man een bedrag van €115.000,- betalen ter verrekening van zijn aandeel in een verhuurd pand.
De deskundigenrapporten van Hoiting en Hoogenhout zijn cruciaal geweest voor de beoordeling. Hoiting concludeerde dat afstorting op de peildatum niet mogelijk was vanwege onvoldoende liquide middelen, mede veroorzaakt door een lening van €750.000,- aan de man zelf tegen onzakelijke voorwaarden. Echter, zonder rekening te houden met deze lening en het verminderde inkomen van de man, zou afstorting wel mogelijk zijn. Hoogenhout taxeerde de waarde van het verhuurde pand, waarover geen bezwaren zijn ingebracht.
Het hof vernietigt eerdere vonnissen die de vordering van de vrouw tot verrekening van het pand afwezen en de man verplichtten tot afstorting binnen een onhaalbare termijn. De man wordt veroordeeld tot afstorting van de pensioenkoopsom en betaling van het aandeel in het pand, met uitvoerbaarheid bij voorraad. Proceskosten, inclusief deskundigenkosten, worden gecompenseerd tussen partijen, waarbij de man zijn deel van de voorschotten aan het Rijk moet betalen.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot afstorting van een pensioenkoopsom tot maximaal €314.824,- en tot betaling van €115.000,- voor zijn aandeel in een verhuurd pand.