In deze civiele zaak staat de vraag centraal of appellant eigenaar is geworden van een strook grond van circa twee vierkante meter gelegen op het perceel van geïntimeerde door middel van bevrijdende verjaring. Appellant stelde dat hij deze strook in bezit had genomen en gebruikte voor opslag, terwijl geïntimeerde dit betwistte.
De rechtbank wees de vordering van appellant af en veroordeelde hem in de proceskosten. Appellant ging in hoger beroep en voerde drie grieven aan tegen het oordeel dat hij geen eigenaar is geworden door verjaring. Het hof onderzocht de feiten, waaronder de plaatsing van erfafscheidingen en het gebruik van de betwiste strook.
Het hof oordeelde dat de door appellant gestelde bezitshandelingen onvoldoende waren onderbouwd. De erfafscheidingen waren door geïntimeerde geplaatst en het gebruik van de strook voor opslag was niet aannemelijk gemaakt, mede gelet op luchtfoto’s en verklaringen. Het hof concludeerde dat appellant de strook niet in bezit had genomen en verwierp het beroep op bevrijdende verjaring.
Het hoger beroep werd afgewezen, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en appellant veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken door drie rechters van het gerechtshof Amsterdam op 17 februari 2026.