ECLI:NL:GHAMS:2026:458

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.347.974/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:105 BWArt. 3:306 BWArt. 3:107 BWArt. 3:108 BWArt. 3:113 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over eigendom strook grond en bevrijdende verjaring

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of appellant eigenaar is geworden van een strook grond van circa twee vierkante meter gelegen op het perceel van geïntimeerde door middel van bevrijdende verjaring. Appellant stelde dat hij deze strook in bezit had genomen en gebruikte voor opslag, terwijl geïntimeerde dit betwistte.

De rechtbank wees de vordering van appellant af en veroordeelde hem in de proceskosten. Appellant ging in hoger beroep en voerde drie grieven aan tegen het oordeel dat hij geen eigenaar is geworden door verjaring. Het hof onderzocht de feiten, waaronder de plaatsing van erfafscheidingen en het gebruik van de betwiste strook.

Het hof oordeelde dat de door appellant gestelde bezitshandelingen onvoldoende waren onderbouwd. De erfafscheidingen waren door geïntimeerde geplaatst en het gebruik van de strook voor opslag was niet aannemelijk gemaakt, mede gelet op luchtfoto’s en verklaringen. Het hof concludeerde dat appellant de strook niet in bezit had genomen en verwierp het beroep op bevrijdende verjaring.

Het hoger beroep werd afgewezen, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en appellant veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken door drie rechters van het gerechtshof Amsterdam op 17 februari 2026.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het beroep van appellant af wegens onvoldoende bezitshandeling voor bevrijdende verjaring.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.347.974/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/347323/HA ZA 23-702
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 februari 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [plaats 1] , Portugal,
appellant,
advocaat: mr. H.C. Lagrouw te Leiden,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [plaats 2] , gemeente Schagen,
geïntimeerde,
advocaat: mr. L.T. van Eyck van Heslinga te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze zaak ligt de vraag voor of [appellant] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van een strook grond van twee vierkante meter, die kadastraal op het perceel van [geïntimeerde] ligt. Het hof oordeelt dat dat niet het geval is en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 21 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 juli 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 3 december 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, maar deze heeft geen doorgang gevonden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.
Op 27 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht (mr. Lagrouw aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd) en partijen hebben vragen van het hof beantwoord. Mr. Lagrouw heeft bij deze gelegenheid nog een aanvullende productie (40) in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
[geïntimeerde] is sinds 1971 eigenaar van het perceel grond met woonhuis aan [straat] [nummer 1] te [plaats 2] , kadastraal bekend gemeente [plaats 2] , sectie [letter] , [nummer 2] (hierna: perceel [nummer 3] ). [appellant] is sinds 1993 eigenaar van het perceel grond met woonhuis aan [straat] [nummer 4] te [plaats 2] , kadastraal bekend gemeente [plaats 2] , sectie [letter] , [nummer 5] (hierna: [nummer 6] ). Daarvoor was de vader van [appellant] (hierna: [appellant] sr.) eigenaar van [nummer 6] . De beide percelen grenzen aan elkaar.
3.2.
In of omstreeks 1974 heeft een ruilverkaveling plaatsgevonden en zijn de huidige percelen vastgelegd.
3.3.
Tussen [geïntimeerde] en [appellant] sr. is een geschil ontstaan over de exacte loop van de erfgrens tussen de percelen [nummer 7] en [nummer 3] . Het Kadaster heeft op 14 maart 1980 een kadastrale uitmeting gedaan. Uit een kort geding vonnis van 15 april 1980 van de president van de toenmalige rechtbank Alkmaar blijkt dat partijen tijdens een zitting op 8 april 1980 hebben verklaard die kadastrale grens als juist te willen aanvaarden. [appellant] sr. is door de president bevolen zich, op straffe van verbeurte van een dwangsom, te onthouden van iedere inbreuk (daaronder begrepen het betreden van dit perceel) op het eigendomsrecht van [geïntimeerde] met betrekking tot perceel [nummer 3] .
3.4.
Vervolgens heeft [geïntimeerde] (in 1980) een erfafscheiding geplaatst die grotendeels (dicht) langs de kadastrale erfgrens loopt. Circa twee meter voor de knik in de gezamenlijke kadastrale grens heeft [geïntimeerde] de erfafscheiding (op zijn eigen perceel) geplaatst op circa één meter afstand van de kadastrale grens. De erfafscheiding bestond uit perkoenpalen met daartussen gaas en schrikdraad.
3.5.
Op enig moment (volgens [appellant] in 2000 en volgens [geïntimeerde] in 2013) heeft [geïntimeerde] de erfafscheiding vervangen door een metalen groen hekwerk van circa 1,20 meter hoog.
3.6.
Begin 2023 heeft [appellant] een schutting van circa twee meter hoog (hierna: de schutting) geplaatst tegen het groene hekwerk van [geïntimeerde] aan. Daardoor is een strook grond van circa twee vierkante meter op het perceel van [geïntimeerde] liggend tussen het groene hek en de kadastrale erfgrens afgescheiden van het perceel van [geïntimeerde] (hierna: de betwiste strook grond).
3.7.
[geïntimeerde] heeft in kort geding, samengevat, verwijdering van de schutting gevorderd. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft in zijn vonnis van 5 oktober 2023 geoordeeld dat die vordering moet worden afgewezen, onder de voorwaarde dat [appellant] een bodemprocedure zal starten om de door [appellant] gestelde verjaring van de betwiste strook grond te laten beoordelen.
3.8.
In opdracht van [geïntimeerde] heeft het Kadaster ter plaatse een kadastrale reconstructie gedaan en daarvan op 26 mei 2023 een relaas van bevindingen opgemaakt.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [appellant] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de betwiste strook grond, te bepalen dat de schutting niet verwijderd hoeft te worden zolang in de bodemprocedure geen onherroepelijke uitspraak is gedaan en [geïntimeerde] in de proceskosten te veroordelen.
4.2.
In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de erfgrens loopt conform de kadastrale erfgrens, [appellant] op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen de schutting op de betwiste strook grond te verwijderen en verwijderd te houden en de betwiste strook grond te ontruimen en ontruimd te houden. [geïntimeerde] heeft tevens een subsidiaire vordering ingesteld en gevorderd dat [appellant] in de proceskosten wordt veroordeeld.
4.3.
De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen en die in reconventie toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en reconventie inclusief nakosten.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert - naar het hof begrijpt: gedeeltelijke - vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog een verklaring voor recht dat hij als gevolg van bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de betwiste strook grond, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties inclusief nakosten.
5.2.
Volgens [geïntimeerde] moet het bestreden vonnis bekrachtigd worden, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep inclusief nakosten en vermeerderd met rente.

6.Beoordeling

6.1.
Met zijn drie grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij geen eigenaar is geworden van de betwiste strook grond door bevrijdende verjaring. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en stelt zich op het standpunt dat de betwiste strook grond zijn eigendom is.
6.2.
In artikel 3:105 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit verjaart, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De verjaring van deze rechtsvordering begint te lopen op de dag na het verlies van het bezit door de rechthebbende (artikel 3:314 lid 2 BW Pro) en is voltooid na twintig jaar (artikel 3:306 BW Pro).
6.3.
Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 BW Pro). Of iemand een goed voor zichzelf houdt of voor een ander, wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW Pro). Er geldt dus een objectieve maatstaf. Voor de beantwoording van de vraag of een niet-rechthebbende een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW Pro). In het geval dat de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming niet voldoende (artikel 3:113 lid 2 BW Pro). De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). De rol van de verkeersopvattingen brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat het bezit ‘niet dubbelzinnig’ en ‘openbaar’ moet zijn. Dit is het geval als de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn, hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden, zodat deze tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309). Om die reden moet het bezit naar buiten toe kenbaar zijn geweest.
6.4.
Het is aan [appellant] om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat aan het bezitsvereiste is voldaan, omdat hij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept.
6.5.
[appellant] stelt de volgende bezitshandelingen: (i) het plaatsen van de erfafscheiding van perkoenpalen, (ii) het plaatsen van het groene metalen hek en (iii) het gebruik van de betwiste strook grond door [appellant] sr. en [appellant] voor de opslag van bouwmaterialen.
6.6.
Naar het oordeel van het hof kunnen in ieder geval (i) en (ii) niet als bezitshandelingen worden beschouwd, omdat niet [appellant] (sr.) maar [geïntimeerde] zelf beide hekken heeft geplaatst.
6.7.
Blijft over de stelling dat [appellant] (sr.) de betwiste strook grond ‘altijd al’ gebruikt voor de opslag van bouwmaterialen. [appellant] onderbouwt zijn stelling door overlegging van een aantal foto’s (productie 25 inleidende dagvaarding en aanvullende productie 40 in hoger beroep) en verklaringen (producties 20, 24 en 26 inleidende dagvaarding). [geïntimeerde] betwist het door [appellant] gestelde gebruik van de strook grond. Hij voert aan dat uit de ongedateerde foto’s van [appellant] niets kan worden afgeleid en dat de onvoldoende concrete verklaringen de stelling van [appellant] evenmin ondersteunen. Ter onderbouwing van zijn betwisting wijst [geïntimeerde] zelf op een vijftal door hem overgelegde luchtfoto’s uit 2008, 2010, 2013, 2018 en 2023 (productie 10 CvA).
6.8.
In de luchtfoto’s, die tijdens de zitting in hoger beroep gezamenlijk zijn bekeken en door partijen van een toelichting zijn voorzien, valt steun te vinden voor het standpunt van [geïntimeerde] . Daarop valt
niette zien dat [appellant] de betwiste strook voor 2023 in gebruik had voor de opslag van bouwmaterialen. Dat [appellant] (sr.) de betwiste strook in gebruik had genomen volgt ook niet uit de door [appellant] overgelegde foto’s en evenmin (voldoende concreet) uit de verklaringen waar [appellant] zich op beroept.
6.9.
Het hof acht de stelling van [appellant] , in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [geïntimeerde] , onvoldoende onderbouwd en gaat daaraan voorbij. Hetzelfde geldt voor de ‘kale’ stelling van [appellant] dat de betwiste strook grond optisch tot zijn perceel behoort. Anders dan hij ter zitting heeft toegelicht, blijkt dit niet uit de luchtfoto’s. Daarbij komt dat zelfs als dit anders zou zijn dat nog geen aanwijzing is voor gebruik van de betwiste strook grond door [appellant] (sr). Ook dit kan dus niet als bezitshandeling worden beschouwd.
6.10.
Nu niet is komen vast te staan dat [appellant] de betwiste strook grond in bezit heeft genomen, wordt het beroep op bevrijdende verjaring verworpen. De overige stellingen van partijen, waaronder die over de hoogte van de verschillende hekken en ten aanzien van de greppel, kunnen daarmee onbesproken blijven.
6.11.
De slotsom luidt dat het hoger beroep geen succes heeft en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof ziet geen aanleiding [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.12.
[appellant] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 349,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, twee punten)
Totaal € 2.929,00

7.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 2.929,00, en tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. van de Poel, M.E. van Neck en E.J. Bellaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.