De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een vijfjarige minderjarige in een gezinshuis, waarbij de moeder in hoger beroep ging tegen de verlenging en het afwijzen van haar verzoek om een deskundigenonderzoek.
De rechtbank had de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 27 maart 2026 en het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv afgewezen. De moeder betoogde dat zij inmiddels stabieler is, negen maanden clean, en dat terugplaatsing mogelijk zou moeten zijn. De gecertificeerde instelling (GI) en het gezinshuis stelden dat de problematiek van de moeder, waaronder borderline en verslaving, nog steeds risico's voor de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige oplevert.
Het hof oordeelde dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk en proportioneel is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De moeder bevindt zich nog in een kwetsbare situatie en de minderjarige heeft trauma- en hechtingsproblematiek die stabiliteit en voorspelbaarheid vereist. Het verzoek om een deskundigenonderzoek werd afgewezen omdat dit te belastend zou zijn voor de minderjarige.
De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd, het hoger beroep van de moeder werd afgewezen en het verzoek om een deskundigenonderzoek werd niet toegewezen.