ECLI:NL:GHAMS:2026:476
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang openbaar ministerie
In deze strafzaak heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin verdachte werd vrijgesproken van een tenlastelegging. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 20 januari 2026 heeft de advocaat-generaal aangegeven dat het openbaar ministerie geen belang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep en de eerder ingediende grieven niet worden gehandhaafd.
Het hof heeft dit standpunt overgenomen en geoordeeld dat er geen rechtens te respecteren belang bestaat bij voortzetting van de behandeling van het hoger beroep. Daarbij is ook meegewogen dat verdachte zelf geen hoger beroep heeft ingesteld. Op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 20 januari 2026. Twee van de drie rechters waren niet in staat het arrest mede te ondertekenen.
Uitkomst: Het hoger beroep van het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang.