In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is het hof Amsterdam op 3 februari 2026 tot een gewijzigde strafoplegging gekomen. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling door het slachtoffer zonder reden van zijn fiets te trekken, waardoor deze viel en letsel opliep. De politierechter legde een voorwaardelijke geldboete op met een schadevergoedingsmaatregel.
Het hof bevestigde het bewezenverklaarde feit maar vernietigde het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden achtte het hof een onvoorwaardelijke geldboete van €600 passend, mede rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De benadeelde partij had een schadevergoeding van €1.568,14 gevorderd, bestaande uit ambulancekosten en gederfde inkomsten. Het hof oordeelde dat de vordering onvoldoende was onderbouwd en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk, met de mogelijkheid de vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij twee rechters niet konden medeondertekenen. De uitspraak bevestigt het vonnis behalve voor de strafoplegging en schadevergoeding, die het hof herzag.