ECLI:NL:GHAMS:2026:480

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23-002886-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 6 EVRMArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling openlijk geweld in vereniging met aangepaste strafoplegging

Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter in de strafzaak tegen de verdachte, die werd veroordeeld voor openlijk geweld in vereniging. Het hof bevestigt het bewezenverklaarde, maar vernietigt de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij om deze onderdelen opnieuw te beoordelen.

De verdachte was ten tijde van het feit 18 jaar en 6 maanden oud, waardoor het reguliere meerderjarigenstrafrecht van toepassing is. De reclassering adviseerde een taakstraf zonder bijzondere voorwaarden, omdat geen interventies of toezicht nodig zijn. De verdachte is niet verschenen in hoger beroep, waardoor het hof geen aanvullend inzicht in zijn persoon kreeg.

Het hof legt een taakstraf van 180 uur op, waarvan 40 uur voorwaardelijk, en vervangende hechtenis van 90 dagen, met een proeftijd van twee jaar. Dit is lager dan de oorspronkelijke straf vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De benadeelde partij krijgt een schadevergoeding van €1.021,45 toegewezen, bestaande uit €521,45 materiële en €500 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering wordt toegewezen ondanks het ontbreken van eigen schuld bij de benadeelde partij.

De straf en schadevergoedingsmaatregel zijn gebaseerd op artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 3 februari 2026.

Uitkomst: Veroordeling voor openlijk geweld in vereniging met een taakstraf van 180 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk, en een schadevergoeding van €1.021,45 aan de benadeelde partij.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002886-23
Datum uitspraak: 3 februari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 31 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-243417-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2003,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging, de motivering daarvan en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof als volgt zal reageren op een door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep gedaan voorwaardelijk verzoek
Voorwaardelijk verzoek
De raadsvrouw heeft verzocht om, in geval het hof tot een bewezenverklaring komt, de zaak aan te houden teneinde een nieuw reclasseringsrapport te laten opmaken.
Ter terechtzitting van 6 juni 2024 is het verzoek van de raadsvrouw tot het laten opmaken van een reclasseringsrapport door het hof toegewezen. Dit rapport is niet tijdig voor de terechtzitting van heden beschikbaar gekomen. De raadsvrouw heeft desondanks het hof voorafgaand aan de zitting verzocht de behandeling van de zaak niet aan te houden, maar over te gaan tot een inhoudelijke behandeling.
In het dossier bevindt zich een rapport van de reclassering van 9 februari 2023, waarin de reclassering heeft geadviseerd het adolescenten strafrecht toe te passen. De reclassering heeft voorts een (taak)straf geadviseerd zonder bijzondere voorwaarden, omdat men geen mogelijkheden ziet om met interventie of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof begrijpt dat het verzoek van de raadsvrouw is gedaan in het kader van de strafoplegging.
Het hof stelt voorop dat de verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit 18 jaar en 6 maanden oud was, zodat in beginsel het reguliere (meerderjarigen)strafrecht van toepassing is.
Met de politierechter ziet het hof geen aanleiding om van het uitgangspunt dat de verdachte volgens het meerderjarigenstrafrecht wordt veroordeeld, af te wijken. Daarbij heeft het hof meegewogen dat de reclassering constateert dat men geen mogelijkheden ziet het gedrag van de verdachte te veranderen en dat de reclassering adviseert om een straf zonder bijzondere voorwaarde(n) op te leggen. Voorts heeft het hof meegewogen dat de verdachte niet bij enige terechtzitting in hoger beroep is verschenen, als gevolg waarvan hij het hof in hoger beroep geen (nader) inzicht heeft gegeven in zijn persoon.
Gelet daarop en op de sanctie die in hoger beroep door het hof zal worden opgelegd – alleen een taakstraf, terwijl de reclassering heeft ingeschat dat de verdachte in staat is een taakstraf uit te voeren – ziet het hof thans niet de noodzaak tot het doen opmaken van een nieuw reclasseringsrapport. Het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw wordt daarom afgewezen.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft, rekening houdend met schending van de redelijke termijn van berechting van ongeveer drie maanden, gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 144 uur, subsidiair 72 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft samen met anderen op straat, overdag en in een woonbuurt, geweld gepleegd tegen de aangever. Het slachtoffer is mishandeld, ook nog terwijl hij op de grond lag. Dergelijk gewelddadig gedrag in het openbaar leidt niet alleen tot letsel en andere gevolgen voor het betreffende slachtoffer, maar ook tot onrust en gevoelens van onveiligheid in de (directe) omgeving.
Het hof rekent de verdachte zijn grensoverschrijdend gedrag aan en acht in dit geval het opleggen van een substantiële taakstraf passend. Het hof zal een deel van de taakstraf voorwaardelijk opleggen, als een stok achter de deur. Het hof ziet geen aanleiding daarnaast nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 januari 2026 is hij eerder ter zake van openlijk geweld en andere aan geweld gerelateerde delicten onherroepelijk veroordeeld. Ten tijde van het bewezenverklaarde feit liep de verdachte in twee proeftijden.
Het hof heeft ook acht geslagen op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De verdachte is op 8 mei 2022 als verdachte gehoord en het vonnis dateert van 31 oktober 2023. Op die datum is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 3 februari 2026. Dat betekent dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden met ruim drie maanden. Het hof ziet daarin aanleiding, alles afwegende, om in plaats van een taakstraf van 184 uren, waarvan voorwaardelijk 40 uren, een taakstraf van 180 uren, waarvan voorwaardelijk 40 uren, op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 1.621,45. Deze bestaat uit materiële schade van € 521,45
(€ 444,30 aan eigen risico vanwege ambulancevervoer en € 77,15 aan tandartskosten vanwege de reparatie van een voortand; beide bedragen zijn met stukken onderbouwd) en immateriële schade van
€ 1.100,00.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.021,45, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toekenning van de wettelijke rente.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen zoals de politierechter heeft gedaan, met aanpassing van de duur van de maximaal toe te passen gijzeling.
De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat, gelet op het aandeel eigen schuld van de benadeelde, behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces zou zijn en meer subsidiair is zij van mening dat de tandartskosten onvoldoende zijn onderbouwd, als gevolg waarvan de benadeelde in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Met betrekking tot de immateriële schade heeft zij verzocht deze te matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 521,45. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Anders dan de raadsvrouw ziet het hof in de omstandigheid dat de benadeelde en één van de mededaders op afspraak waren samengekomen, geen aanleiding om te oordelen dat er sprake is van een component aan eigen schuld aan de zijde van de benadeelde en ook niet om vanwege die reden de benadeelde partij niet te ontvangen in de vordering.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen immateriële schade heeft geleden, bestaande uit een lichte hersenschudding, een gekneusde rechter elleboog, een wond aan zijn lip en diverse blauwe plekken. Van twee voortanden waren stukjes afgebroken. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, gezien de onderbouwing van de vordering, de benadeelde angstig is geweest, pijn en ongemak heeft ervaren in het dagelijks leven, dat hij enige tijd niet heeft kunnen werken als stratenmaker en dat hij nog steeds kampt met gevoelens van angst en onveiligheid.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106, aanhef en onder b BW naar billijkheid vaststellen op € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij is rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd, de aard en de ernst van de (op dit moment bekende) gevolgen van het feit voor de benadeelde partij en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toekennen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de toegewezen schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging (een taakstraf van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken met een proeftijd van twee jaren), de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.021,45 (duizend eenentwintig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 521,45 (vijfhonderdeenentwintig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en
€ 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.021,45 (duizend eenentwintig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 521,45 (vijfhonderdeenentwintig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
12 februari 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. J.L. Bruinsma en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
3 februari 2026.
Mr. N.R.A. Meerbeek en mr. J.H. van der Werff zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.