ECLI:NL:GHAMS:2026:485

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
200.336.356/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:405 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over reparatie en stallingskosten van total loss verklaarde auto

De zaak betreft een geschil tussen een auto-eigenaar en een garagebedrijf over een reparatieopdracht van een Subaru Forester die technisch total loss werd verklaard. De auto-eigenaar verwijt het garagebedrijf dat het zonder toestemming onderdelen van de auto heeft verwijderd en vordert schadevergoeding. Het garagebedrijf vordert loon en stallingskosten.

De kantonrechter wees de schadevergoeding af en kende de loonvordering toe, met stallingskosten. In hoger beroep bevestigt het hof dat de auto in februari 2020 naar het garagebedrijf is gesleept en technisch total loss was. De stelling van de auto-eigenaar dat de auto rijdend was, wordt onvoldoende onderbouwd bevonden.

Het hof oordeelt dat de werkzaamheden van het garagebedrijf als beroepsmatig moeten worden gezien, waardoor loon verschuldigd is. Het verwijderen van enkele onderdelen door het garagebedrijf was met toestemming ter verrekening van loon en niet onrechtmatig. De stallingskosten worden gematigd vanwege de total loss status en het feit dat het garagebedrijf geen volledige zorgplicht had. Het vonnis in conventie wordt bekrachtigd, met aanpassing van stallingskosten en kostenveroordeling.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de schadevergoeding afwijst, wijzigt de stallingskosten tot €600 en bevestigt de loonvordering van het garagebedrijf.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.336.356/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 10119163/CV EXPL 22-3473
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 februari 2026
in de zaak van
[appellant]
wonende te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
appellant,
advocaat: mr. A.J.K. de Graaf te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [plaats 3] , gemeente [plaats 4] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren te Leusden.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Geschil over een opdracht tot reparatie van een auto. De auto wordt total loss verklaard. De auto-eigenaar laat de auto bij het garagebedrijf staan en komt tweeëneenhalf jaar later met het verwijt dat het garagebedrijf de auto zonder zijn toestemming heeft ‘gestript’ en vordert schadevergoeding. Het garagebedrijf heeft een tegenvordering tot betaling van loon en stallingskosten. De afwijzing door de kantonrechter van de vordering van de auto-eigenaar tot schadevergoeding houdt in hoger beroep stand. De toewijzing van de loonvordering van het garagebedrijf houdt ook stand en de stallingskosten worden gematigd.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 12 september 2023, hersteld bij exploot van 21 december 2023, in hoger beroep gekomen van een vonnis van 15 juni 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens houdende wijziging c.q. vermeerdering van eis, met producties;
- memorie van antwoord, met een productie.
Op 29 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad, waar partijen hun zaak door hun advocaten hebben laten toelichten, beide advocaten aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd, en waar partijen vragen van het hof hebben beantwoord. [appellant] heeft daarbij nog een akte overlegging nadere producties, met producties, ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Het hoger beroep van [appellant] strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis in conventie en in reconventie en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - toewijzing van zijn ter zitting in hoger beroep verminderde eis en afwijzing alsnog van de vordering van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten, met rente.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis in conventie en in reconventie en veroordeling van [appellant] in de kosten.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in 2.1 tot en met 2.4 van het bestreden vonnis een aantal feiten opgesomd die hij bij de beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover niet in geschil dienen die feiten ook het hof tot uitgangspunt. Het gaat daarbij, kort samengevat en aangevuld met enkele feiten die evenmin in geschil zijn, om de volgende feiten.
3.1.
[appellant] heeft in februari 2020 zijn Subaru Forester wegens een storing van het antidiefstalsysteem naar [geïntimeerde] gebracht.
3.2.
Tussen februari 2020 en 22 juli 2022 hebben beide partijen onderdelen van de auto gehaald.
3.3.
[appellant] heeft bij brief van zijn gemachtigde van 3 augustus 2022 [geïntimeerde] aangesproken tot schadevergoeding op grond van het verwijt dat hij zonder toestemming onderdelen van de auto heeft gehaald.
3.4.
Bij e-mail van 25 augustus 2022 heeft [geïntimeerde] geantwoord dat toen de auto na vele uren onderzoek niet te repareren bleek, [appellant] de auto als donorauto wilde gebruiken voor een andere Subaru Forester en dat partijen toen hebben afgesproken dat [appellant] de auto kon laten staan voor € 30 per maand en hij ( [geïntimeerde] ) zelf ook onderdelen van de auto mocht halen om zijn onkosten mee te verrekenen.
3.5.
[appellant] heeft op 30 juni 2023 de auto bij [geïntimeerde] laten ophalen.
3.6.
Op 5 september 2023 heeft hij de auto bij [bedrijf] door CED laten onderzoeken. Het rapport van CED van 13 september 2023 vermeldt dat meerdere onderdelen van de auto zijn gehaald en dat de restwaarde van de auto op € 150 inclusief btw wordt begroot.

4.Eerste aanleg

4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd - voor zover in hoger beroep nog van belang - dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 3.749 aan schadevergoeding op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen door zonder zijn toestemming de auto voor een groot deel te ‘strippen’.
4.2.
[geïntimeerde] heeft de vordering van [appellant] gemotiveerd bestreden en gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 390,83 voor haar werkzaamheden, verminderd met € 120 voor een voordeur en een stuurpomp van de auto en € 175 door haar geschatte restwaarde van de auto, en vermeerderd met € 30 per maand aan stallingskosten vanaf februari 2020. Aan de vordering zijn de in de e-mail aan de gemachtigde van [appellant] van 25 augustus 2022 gestelde afspraken ten grondslag gelegd.
4.3.
De kantonrechter is uitgegaan van de door [geïntimeerde] gestelde afspraken en heeft in conventie de vordering van [appellant] afgewezen en in reconventie die van [geïntimeerde] - uitvoerbaar bij voorraad - toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de conventie en de reconventie.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1.
[appellant] is met grieven genummerd I tot en met IV tegen het vonnis in conventie en in reconventie opgekomen. Hij vordert na vermindering van zijn eis ter zitting in hoger beroep nog € 3.599 aan schadevergoeding, opgebouwd uit het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 3.749 verminderd met de door CED begrote restwaarde van de auto van € 150.
5.2.
Met
grief Ikomt [appellant] op tegen de vaststelling van de kantonrechter dat [appellant] de auto
beginfebruari 2020 bij [geïntimeerde] heeft gebracht. De grief strekt - zo begrijpt het hof - ter betwisting van de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] de auto in februari 2020 naar [geïntimeerde] heeft
gesleepten in het verlengde daarvan dat de auto toen al technisch total loss was. De grief faalt. Dat wordt als volgt toegelicht.
5.3.
[geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de auto na vele uren onderzoek niet te repareren bleek een orderformulier overgelegd van 3 februari 2020 en een verklaring van [naam 1] , monteur bij [geïntimeerde] , die inhoudt dat de auto naar [geïntimeerde] is gesleept en ook na vervanging van enkele onderdelen niet wilde aanslaan. [geïntimeerde] heeft verder gewezen op het door [appellant] zelf overgelegde whats-app verkeer tussen [appellant] en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van 12 februari 2020, met een bericht van [appellant] aan [naam 2] dat de auto op de aanhanger moest omdat hij niet meer reed. [geïntimeerde] heeft verder betoogd dat het antidiefstalsysteem verbonden is met het startsysteem, zodat de auto door een storing van het antidiefstalsysteem niet kón starten, en het dus technisch onmogelijk is dat de auto rijdend is gebracht.
5.4.
[appellant] heeft daartegen ingebracht dat sprake was van slechts een sporadische storing van het antidiefstalsysteem die tijdelijk kon worden verholpen door de accu kort los te koppelen, waardoor de auto niet hoefde te worden gesleept. Die stelling is echter niet onderbouwd. Dat had wel van [appellant] mogen worden verwacht, want die stelling is niet te rijmen met zijn whats-appbericht aan [naam 2] dat de auto moest worden gesleept. Weliswaar heeft [appellant] een schriftelijke verklaring overgelegd van [naam 2] dat [appellant] probleemloos in de auto naar [geïntimeerde] is gereden, maar die verklaring vraagt om dezelfde reden om een toelichting, die ontbreekt.
5.5.
Het wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd betwist ervoor gehouden dat de auto naar [geïntimeerde] is gesleept; daarbij doet niet ter zake wanneer in februari 2020 dat precies is geweest. Dat de auto is gesleept biedt steun aan de stelling van [geïntimeerde] dat de auto total loss was. Die stelling vindt ook steun in het feit dat [appellant] zich tot de eerste brief van zijn gemachtigde van 3 augustus 2022 - dus gedurende ruim tweeëneenhalf jaar - niet om de auto heeft bekommerd, anders dan om onderdelen van de auto te halen. Dat tijdsverloop laat zich niet verklaren door de Corona-crisis; alleen al niet omdat [appellant] toen wel bij [geïntimeerde] is geweest voor onderdelen. Bovendien was [geïntimeerde] volgens haar niet weersproken stelling die tijd gewoon open en aan het werk. [appellant] heeft dus alle gelegenheid gehad om de auto bij [geïntimeerde] op te halen, hetgeen voor de hand had gelegen als de auto werkelijk met een eenvoudig te verhelpen sporadische storing verder probleemloos reed. [appellant] heeft zijn betwisting dat de auto technisch total loss was onvoldoende onderbouwd betwist, zodat aan bewijslevering door het horen van [naam 2] op dit punt niet wordt toegekomen. Het wordt verder ervoor gehouden dat de auto technisch total loss was. Dat zal hierna bij de beoordeling van de grieven III en IV worden meegewogen.
5.6.
Grief IIklaagt dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] haar werkzaamheden aan de auto in de vrije uren en hobbymatig zou uitvoeren. Deze grief heeft evenmin succes. Dat wordt als volgt toegelicht.
5.7.
Vaststaat dat [appellant] in februari 2020 zijn auto ter reparatie bij [geïntimeerde] heeft aangeboden. De daaruit voortvloeiende rechtsbetrekking tussen partijen kwalificeert als een overeenkomst van opdracht. Artikel 7:405 lid 1 BW Pro bepaalt dat indien de overeenkomst door de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan de opdrachtgever hem loon is verschuldigd. Niet is in geschil dat de rechtspersoon [geïntimeerde] (partij in dit geding) een garagebedrijf exploiteert. De stelling van [appellant] komt erop neer dat [geïntimeerde] bij monde van de persoon [geïntimeerde] heeft aangeboden om de werkzaamheden gratis en voor niets uit te voeren. Dat is niet waarschijnlijk; [geïntimeerde] exploiteert immers een garagebedrijf. Die stelling is bovendien betwist en door [appellant] niet onderbouwd of zelfs maar te bewijzen aangeboden. [appellant] heeft ter onderbouwing enkel zich beroepen op een rapport van de Omgevingsdienst IJmond van 27 september 2023. De bevindingen in dat rapport zien op een controlebezoek aan het bedrijf van [geïntimeerde] in september 2021. Die bevindingen zijn uiteraard niet redengevend voor wat partijen in februari 2020 met elkaar hebben afgesproken. Niet is in geschil dat [appellant] bij opdracht aan [geïntimeerde] heeft laten weten dat hij niet meer dan € 450 aan kosten wilde maken. Niet kan worden vastgesteld dat dit bedrag alleen voor materialen gold. [geïntimeerde] was [appellant] dus loon verschuldigd. Dat wordt hierna bij grief III meegewogen.
5.8.
Met
grief IIIwordt [geïntimeerde] aansprakelijk gehouden voor de staat waarin de auto zich volgens het rapport van CED op 5 september 2023 bevond. Ook deze grief faalt. Dat wordt als volgt toegelicht.
5.9.
[geïntimeerde] heeft erkend dat hij een voordeur en een stuurpomp van de auto heeft gehaald, maar stelt dat hij dat met toestemming van [appellant] heeft gedaan om zijn loon mee te verrekenen. Dat is een geloofwaardig verhaal omdat de auto total loss was en [appellant] niet anderszins aan [geïntimeerde] het haar toekomende loon heeft betaald. Bovendien heeft [appellant] zelf ook onderdelen van de auto gehaald, hetgeen - gelet ook op het feit dat hij zich verder niet meer om de auto heeft bekommerd - erop wijst dat hij de auto (anders dan als ‘donorauto’) had afgeschreven en het daarom goed vond dat [geïntimeerde] onderdelen van de auto haalde ter verrekening met haar loon. Voor het verwijderen van de twee genoemde onderdelen is [geïntimeerde] dus niet schadeplichtig jegens [appellant] ; niet is namelijk in geschil dat de waarde van de onderdelen de loonvordering van [geïntimeerde] niet overstijgt. Dat [geïntimeerde] nog andere onderdelen van de auto heeft gehaald, is niet onderbouwd. Dat volgt in elk geval niet uit het CED-rapport, nu [appellant] zelf ook onderdelen van de auto heeft gehaald en CED de auto pas op 5 september 2023 heeft onderzocht. Tot die tijd kan er van alles met de auto zijn gebeurd. Hier wreekt zich dat [appellant] niet onderbouwd heeft gesteld wat hij zelf aan onderdelen van de auto heeft gehaald en wat de toestand van de auto was toen die op 23 juli 2023 bij [geïntimeerde] werd opgehaald. De vordering van [appellant] is niet alsnog toewijsbaar.
5.10.
Met
grief IVkomt [appellant] op tegen - voor zover nog van belang - het toegewezen bedrag voor stallingskosten. Deze grief slaagt deels. Dat wordt als volg toegelicht.
5.11.
[geïntimeerde] heeft aan haar vordering tot betaling van stallingskosten ten grondslag gelegd dat partijen een bedrag van € 30 per maand zijn overeengekomen. Zij heeft dat bedrag onderbouwd door te verwijzen naar wat in de branche voor stallingskosten gebruikelijk is. [appellant] verzet zich tegen toewijzing van de vordering, althans vraagt om matiging, stellende dat de auto door Corona veel langer bij [geïntimeerde] heeft gestaan dan voorzien. Dat argument gaat niet op, gelet op het feit dat [appellant] wel onderdelen van de auto is komen afhalen; dan had hij ook gelijk de auto kunnen meenemen. Het wordt ervoor gehouden dat [appellant] de auto bij [geïntimeerde] heeft laten staan omdat hij de auto als total loss had afgeschreven. Dat is een omstandigheid die voor risico is van [appellant] . Het is echter wel een omstandigheid die reden is om de vordering van [geïntimeerde] te matigen. Omdat de auto total loss was, zal [geïntimeerde] niet de in de branche gebruikelijke zorgplicht van een goed bewaarnemer hebben vervuld. Dat vindt steun in het feit dat zij tot aan deze procedure geen kosten voor stalling aan [appellant] in rekening heeft gebracht, althans daarvan blijkt niet. De auto stond kennelijk ook niet in de weg, althans er zijn geen aanwijzingen dat [geïntimeerde] er bij [appellant] op heeft aangedrongen om de auto te komen halen. Aangenomen dat [geïntimeerde] een gematigde invulling heeft gegeven aan zijn zorgplicht van goed bewaarnemer, is het redelijk de stallingskosten die [appellant] daarvoor verschuldigd is te matigen. In de gegeven omstandigheden worden die kosten in redelijkheid begroot op per saldo € 600, hetgeen over de gehele periode van afgerond medio februari 2020 tot medio juni 2023 neerkomt op afgrond € 15 per maand. Het meer of anders gevorderde zal alsnog worden afgewezen.
5.12.
De slotsom is dat het vonnis in conventie wordt bekrachtigd en dat de rov. 6.3, 6.5. en 6.6. van het vonnis worden vernietigd en dat in de plaats daarvan het bedrag van € 600 voor stallingkosten zal worden toegewezen, met afwijzing van het voor stallingskosten meer of anders gevorderde. Bij die uitkomst zijn partijen in eerste aanleg in reconventie over en weer op punten in het ongelijk gesteld, reden om ook rov. 6.8. van het vonnis in reconventie en de daarop gebaseerde kostenveroordeling te vernietigen en om de kosten van de eerste aanleg in reconventie te compenseren. In hoger beroep geldt [appellant] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, hetgeen hem op na te melden veroordeling in de kosten van het hoger beroep komt te staan.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis in conventie;, behoudens de beslissingen met betrekking tot de stallingskosten en de kostenveroordeling, welke beide worden vernietigd;
vernietigt rov. 6.3, 6.5. en 6.6. van het vonnis in reconventie;
in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 600 voor stallingskosten;
wijst af het voor stallingskosten meer of anders gevorderde;
vernietigt rov. 6.8. van het vonnis in reconventie; en
in zoverre opnieuw rechtdoende;
compenseert de kosten van de eerste aanleg in reconventie, in dier voege dat elke partij de eigen kosten draagt;
bekrachtigt het vonnis in reconventie voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 783 aan vastrecht en € 1.824 voor salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, H.T. van der Meer en I.A. van der Burg, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.