Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant] ,
2.ORTHOCYL B.V.,
1.[geïntimeerde 1] ,
2.[geïntimeerde 2] ,
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
daar patiënte [naam 4] een lastercampagne heeft opgestart’.[geïntimeerde 1] heeft op dat bericht niet gereageerd.
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
:
:
“Inmiddels hoor je nu van andere mensen dat de werkwijze van dhr. [appellant] inderdaad niet goed is maar er gebeurd niets. Hier willen wij graag verandering in brengen.”blijkt dat evenmin.
recente ontwikkelingenwordt gedoeld op het feit dat [appellant] was ingetrokken bij TCV. Die overstap leidde ertoe dat de mededeling op de website van [naam 1] meebracht dat zij haar patiënten doorverwees naar haar directe concurrent TCV. [appellanten] hebben dit op zichzelf niet weersproken, maar stellen dat dit bericht in samenhang met de andere uitingen wijst op een patroon van negatieve
framing. Het hof is van oordeel dat die negatieve
framingniet kan worden afgeleid uit bovenstaand citaat. Bovendien blijkt uit de getuigenverklaring van [naam 1] dat ook zij dit bericht niet op die manier heeft begrepen. Zij verklaart immers:
Ik heb niet direct iets gemerkt van negatieve publiciteit of uitingen door [geïntimeerde 1] over [appellant] , behalve dan de zojuist genoemde informatie van het familielid van de [familie] .