ECLI:NL:GHAMS:2026:505

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
200.351.702
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.4 GerechtsdeurwaardersverordeningArt. 3.6 GerechtsdeurwaardersverordeningArt. 3:276 BWArt. 435 RvArt. 11 Gerechtsdeurwaarderswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht ongegrond over executoriale verkoop auto door gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder legde executoriaal beslag op de auto van klager wegens een openstaande zorgverzekeringspremie en verkocht deze openbaar voor €10.900, terwijl de geschatte waarde aanzienlijk hoger lag. Klager stelde dat de gerechtsdeurwaarder onzorgvuldig en onevenredig had gehandeld, in strijd met de artikelen 3.4 en 3.6 van de Gerechtsdeurwaardersverordening.

In hoger beroep stelde de gerechtsdeurwaarder dat de verkoopprijs gerechtvaardigd was gezien de onbekende technische staat, ontbrekende papieren en sleutels, en dat de executieverkoop conform de wettelijke regels was verlopen, inclusief publicatie en aanbieding aan een professionele partij. Verder had de gerechtsdeurwaarder alternatieve executiemaatregelen onderzocht zonder resultaat.

Het hof oordeelde dat de gerechtsdeurwaarder zorgvuldig had gehandeld, de belangen van klager had meegewogen en dat de klacht ongegrond was. De eerdere maatregel van berisping en kostenveroordeling werden vernietigd. Klager droeg de kosten van het hoger beroep zelf.

De uitspraak benadrukt de ministerieplicht van de gerechtsdeurwaarder en diens zorgvuldigheid en evenredigheid bij executoriale verkopen, waarbij de civiele rechter bevoegd is voor de rechtmatigheid van het beslag zelf.

Uitkomst: De klacht tegen de gerechtsdeurwaarder is ongegrond verklaard en de eerdere berisping en kostenveroordeling zijn vernietigd.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.351.702/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/755317 / DW RK 24/288
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 3 maart 2026
inzake
[appellant],
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats 1] ,
appellant,
gemachtigden: R.T. Kijvekamp en mr. M.J. van Rooij,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. H. Yuce, advocaat te Den Haag.
Partijen worden hierna de gerechtsdeurwaarder en klager genoemd.

1.De zaak in het kort

De gerechtsdeurwaarder heeft executoriaal beslag gelegd op de auto van klager en is vervolgens overgegaan tot openbare verkoop daarvan. De auto is verkocht voor de helft van de veilingwaarde terwijl de vordering op klager een tiende van dat bedrag bedroeg. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij te lichtvaardig is overgegaan tot verkoop van de auto voor het betreffende bedrag. Het hof verklaart de klacht ongegrond.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 28 februari 2025 een beroepschrift, met bijlagen, bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 31 januari 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:14).
2.2.
Klager heeft op 18 april 2025 een verweerschrift, met bijlagen, bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
Klager heeft op 9 en 17 december 2025 aanvullende stukken bij het hof ingediend.
2.5.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 18 december 2025. De gemachtigden van de gerechtsdeurwaarder en klager, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigden van de gerechtsdeurwaarder aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

3.Feiten

Het hof verwijst naar de feiten die de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling daarvan geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, zijn deze als volgt.
3.1.
Klager heeft een bedrag aan zorgverzekeringspremie van € 180,50 niet betaald. De zorgverzekeraar heeft de inning van deze openstaande premieschuld uit handen gegeven aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarder.
3.2.
Het gerechtsdeurwaarderskantoor heeft klager op 19 september 2023 gedagvaard. Op 5 oktober 2023 is klager bij verstekvonnis van de kantonrechter te [plaats 2] veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 232,36 en € 297,49 aan proceskosten aan de zorgverzekeraar.
3.3.
Op 17 oktober 2023 heeft een collega van de gerechtsdeurwaarder voornoemd vonnis bij exploot aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
3.4.
Op 30 oktober 2023 heeft een collega van de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag gelegd op twee motorvoertuigen van klager, te weten een [merk 1] en een [merk 2] , een [merk 3] van bouwjaar 2021 (hierna: de [merk 2] ). Dit beslag is op 1 november 2023 aan klager betekend.
3.5.
Op 21 november 2023 heeft een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor klager een e-mail gestuurd met een waarschuwing over de op handen zijnde executieverkoop. In deze e-mail is aan klager de mogelijkheid geboden tot betaling over te gaan.
3.6.
Op 23 november 2023 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor tevergeefs geprobeerd telefonisch contact op te nemen met klager. Vervolgens heeft op 27 november 2023 een huisbezoek plaatsgevonden, waarbij klager niet werd aangetroffen. De gerechtsdeurwaarder heeft daarom een brief achtergelaten.
3.7.
Op 5 december 2023 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor wederom tevergeefs geprobeerd telefonisch contact op te nemen met klager en klager een e-mail gestuurd met een waarschuwing over de op handen zijnde executieverkoop. Ook in deze e-mail is aan klager de mogelijkheid geboden alsnog tot betaling over te gaan.
3.8.
Op 7 december 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder de [merk 2] openbaar verkocht voor een bedrag van € 10.900,00.

4.De klacht

4.1.
De voorzitter van de kamer heeft de klacht van klager als volgt samengevat:
a. a) de gerechtsdeurwaarder heeft geen of onvoldoende onderzoek gedaan naar alternatieven voor executoriaal beslag;
b) de gerechtsdeurwaarder heeft onvoldoende inspanningen verricht naar de waarde van de auto voor de openbare verkoop.
4.2.
De kamer heeft in de bestreden beslissing vastgesteld dat klager in zijn klaagschrift meer klachten heeft geformuleerd dan de hierboven weergegeven “kern van de klachten”. Klager heeft in hoger beroep toegelicht dat hij klaagt over het onzorgvuldig en onevenredig handelen van de gerechtsdeurwaarder bij het uitvoeren van het executoriaal beslag op de [merk 2] van klager. De auto heeft een nieuwprijs van € 53.179,00. Tweedehands was de auto (destijds) te koop voor gemiddeld € 40.000,00. De ANWB heeft de waarde van de auto bij de executieverkoop geschat op € 22.800,00. Het voertuig is tijdens de executieverkoop op 7 december 2023 verkocht voor slechts € 10.900,00. De gerechtsdeurwaarder heeft volgens klager in strijd gehandeld met artikel 3.4 (zorgvuldigheidsbeginsel) en 3.6 (evenredigheidsbeginsel) van de Gerechtsdeurwaardersverordening (Gdv).

5.Beoordeling

5.1.
Klager heeft op 11 april 2024 bij de kamer een klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ingediend. Bij beslissing van 30 juli 2024 heeft de voorzitter van de kamer de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beslissing heeft klager verzet ingesteld.
De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klager tegen de hiervoor genoemde beslissing van de voorzitter van de kamer gedeeltelijk gegrond verklaard en die beslissing gedeeltelijk vernietigd. De kamer heeft geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder de belangen van klager onvoldoende heeft meegewogen en in strijd heeft gehandeld met artikel 3.4 en 3.6 van de Gdv. De kamer heeft de klacht van klager daarom gedeeltelijk gegrond verklaard en de maatregel van berisping opgelegd. Daarnaast heeft de kamer de gerechtsdeurwaarder veroordeeld in de kosten van klager en tot betaling van € 1.500,- aan de kamer in verband met de kosten van de behandeling van de klacht, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Ministerieplicht, zorgvuldigheid en evenredigheid
5.2.
Het hof stelt voorop dat een schuldenaar (zoals klager) op grond van artikel 3:276 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) met zijn hele vermogen instaat voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klager, dus ook zijn motorvoertuigen. Het is niet aan de tuchtrechter om een oordeel te geven over de rechtmatigheid van een beslag, maar aan de civiele rechter (in een executieprocedure).
5.3.
De in artikel 11 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) vastgelegde ministerieplicht bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder te allen tijde verplicht is in het gehele arrondissement waarin zijn plaats van vestiging is gelegen de ambtshandelingen waartoe hij bevoegd is, te verrichten wanneer hierom wordt verzocht. Daar staat tegenover dat een gerechtsdeurwaarder als zelfstandig openbaar ambtenaar bij de uitvoering van zijn opdrachten een eigen verantwoordelijkheid heeft, waarbij hij zowel met de belangen van zijn opdrachtgever als met die van de wederpartij rekening dient te houden. Uit de Gdw (en uit de regels die krachtens die wet bij verordeningen worden gesteld) en uit hetgeen een zorgvuldig handelend gerechtsdeurwaarder betaamt volgen diverse plichten, die met elkaar kunnen concurreren. Zo is in de artikelen 3.4 en 3.6 Gdv het volgende bepaald:

Artikel 3.4
De gerechtsdeurwaarder is zorgvuldig en nauwgezet in de uitoefening van het ambt.
Artikel 3.6
1.De gerechtsdeurwaarder verricht ambtshandelingen voor zover de wet, een titel of het met de maatregel beoogde doel dit, mede gelet op de daaraan verbonden gevolgen, rechtvaardigt.
2.De gerechtsdeurwaarder oefent geen druk uit door maatregelen aan te kondigen die voor het beoogde doel in redelijkheid niet worden getroffen.
De gerechtsdeurwaarder heeft niet onzorgvuldig gehandeld
5.4.
De gerechtsdeurwaarder heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kamer ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in strijd heeft gehandeld met de hiervoor genoemde artikelen 3.4 en 3.6 Gdv. Volgens de gerechtsdeurwaarder heeft de kamer ten onrechte aangenomen dat een veilingwaarde zoals door de ANWB Koerslijst is opgegeven daadwerkelijk als richtsnoer kan worden gebruikt. Immers, de veilingprijs uit de ANWB Koerslijst gaat uit van een voertuig dat technisch in orde is, waarvan de kilometerstand bekend is en waar sleutels en papieren bij aanwezig zijn. In dit geval waren al deze gegevens niet bekend en waren geen papieren en autosleutels voorhanden. Daarnaast heeft de kamer geen oog gehad voor het feit dat het hier een import dieselauto betrof, waarvan de schadehistorie en de daadwerkelijke kilometerstand niet (op een betrouwbare wijze) konden worden vastgesteld.
5.5.
Voorts is de kamer volgens de gerechtsdeurwaarder eraan voorbijgegaan dat de executieverkoop geheel conform de wettelijke regelgeving is verlopen en dat de gerechtsdeurwaarder daarbij de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van hem mag worden verwacht. De executieverkoop is online gepubliceerd en ten tijde van de openbare verkoop is deze tevens rechtstreeks onder de aandacht gebracht van een grote professionele partij, te weten BCA Autoveiling te Barneveld. Van een dergelijke professionele partij mag worden verwacht dat zij een reëel en realistisch bod zal doen. Het bod van BCA bedroeg € 10.875,-. Voor de gerechtsdeurwaarder bestond geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dat startbod. Uit het taxatierapport van BCA is verder nog gebleken dat het voertuig een onlogische NAP kilometerstand had en dat de APK bijna verliep.
5.6.
De gerechtsdeurwaarder heeft bij de uitvoering van zijn opdracht ook andere executiemaatregelen onderzocht. De gerechtsdeurwaarder heeft onderzocht of klager een geregistreerde inkomstenbron (loondienst of uitkering) had en of hij een bankrekening aanhield bij een van de banken met het meeste aantal rekeninghouders. De uitkomsten van dit verhaalsonderzoek waren negatief. Hiermee resteerde het voertuig als enige verhaalsobject voor de openstaande vordering, aldus de gerechtsdeurwaarder.
5.7.
Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat de hiervoor geschetste handelwijze van de gerechtsdeurwaarder niet tuchtrechtelijk laakbaar is. De gerechtsdeurwaarder heeft conform de wettelijke regelgeving gehandeld. De juiste formaliteiten, zoals de (over)betekening van (beslag)exploten en de daarvoor geldende termijnen zijn in acht genomen. Klager betwist weliswaar de stelling van de gerechtsdeurwaarder dat de executieverkoop online is geadverteerd, maar het hof ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen, mede gelet op het feit dat een koper is verschenen op de openbare verkoop.
5.8.
Voorts neemt het hof in aanmerking dat de gerechtsdeurwaarder zich heeft ingespannen om met klager in contact te komen zodat de executoriale verkoop kon worden voorkomen. Dat klager nergens op heeft gereageerd en de auto uiteindelijk is verkocht, komt voor zijn rekening en risico. Wellicht zijn er inderdaad aanwijzingen dat de auto voor een laag bedrag is verkocht, maar dat betekent niet dat de gerechtsdeurwaarder de executie had moeten staken. Te minder omdat is gebleken dat er geen alternatieve beslagmogelijkheden waren en klager niet reageerde op eerdere pogingen van de gerechtsdeurwaarder om met hem in contact te komen. Klager heeft in dat verband nog aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder had kunnen vermoeden dat klager als ondernemer een bankrekening bij de KNAB-bank aanhoudt. Klager heeft echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan van de gerechtsdeurwaarder had mogen worden verwacht dat hij beslag had gelegd onder KNAB. Het enkele feit dat klager ondernemer is, is hiervoor onvoldoende.
Slotsom
5.9.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond is. Voor de in eerste aanleg uitgesproken maatregel en kostenveroordeling bestaat geen grond. Het hof zal de bestreden beslissing daarom vernietigen. Gelet op die uitkomst blijven de kosten van klager in dit hoger beroep voor haar eigen rekening.

6.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing;
en, opnieuw beslissende:
- verklaart de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 door de rolraadsheer.