Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het hoger beroep (200.364.442/01)
5.De motivering van de beslissing (200.354.442/01)
.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft de uithuisplaatsing van twee jonge kinderen bij hun moeder, waarbij de vader in hoger beroep is gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die de uithuisplaatsing heeft verlengd. De vader betwist de noodzaak van de uithuisplaatsing en stelt dat hij openstaat voor hulpverlening en dat de kinderen bij hem moeten terugkeren, al dan niet onder voorwaarden.
De raad en de moeder stellen dat er ernstige zorgen zijn over de veiligheid en verzorging van de kinderen bij de vader, mede gebaseerd op meldingen van mishandeling door de oudste minderjarige en het gebrek aan medewerking van de vader aan hulpverlening en onderzoek. De gecertificeerde instelling bevestigt de problematiek en benadrukt het belang van de uithuisplaatsing.
Het hof overweegt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Gezien de ernstige zorgen, het patroon van weigering van hulpverlening door de vader en de zorgelijke verklaringen van de kinderen, is de uithuisplaatsing noodzakelijk en proportioneel. Het hof wijst het hoger beroep van de vader af en bekrachtigt de beschikking. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de vader dit heeft ingetrokken.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder en wijst het hoger beroep van de vader af.