ECLI:NL:GHAMS:2026:530

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.364.442/01 en 200.364.442/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 223 RvArtikel 8 EVRMJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging uithuisplaatsing kinderen bij moeder met gezag ondanks bezwaar vader

De zaak betreft de uithuisplaatsing van twee jonge kinderen bij hun moeder, waarbij de vader in hoger beroep is gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die de uithuisplaatsing heeft verlengd. De vader betwist de noodzaak van de uithuisplaatsing en stelt dat hij openstaat voor hulpverlening en dat de kinderen bij hem moeten terugkeren, al dan niet onder voorwaarden.

De raad en de moeder stellen dat er ernstige zorgen zijn over de veiligheid en verzorging van de kinderen bij de vader, mede gebaseerd op meldingen van mishandeling door de oudste minderjarige en het gebrek aan medewerking van de vader aan hulpverlening en onderzoek. De gecertificeerde instelling bevestigt de problematiek en benadrukt het belang van de uithuisplaatsing.

Het hof overweegt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Gezien de ernstige zorgen, het patroon van weigering van hulpverlening door de vader en de zorgelijke verklaringen van de kinderen, is de uithuisplaatsing noodzakelijk en proportioneel. Het hof wijst het hoger beroep van de vader af en bekrachtigt de beschikking. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de vader dit heeft ingetrokken.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder en wijst het hoger beroep van de vader af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.364.442/01 en 200.364.442/02
zaaknummer rechtbank: C/15/372767/ JU RK 25-1781
beschikking van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
tevens verzoeker in het incident,
hierna: de vader,
advocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam,
en
Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
tevens verweerder in het incident,
hierna: de raad,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [de moeder] , hierna: de moeder, bijgestaan door mr. J. Werner, advocaat te Amsterdam;
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2020 te [plaats B] , hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2021 te [plaats B] , hierna: [minderjarige 2] ;
- de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering hierna: de GI.

1.De zaak in het kort

1.1.
De zaak gaat over de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder. De vader is het hier niet mee eens. Hij wil dat het verzoek van de raad om de kinderen bij de moeder te plaatsen alsnog wordt afgewezen en dat de kinderen bij hem worden teruggeplaatst, desnoods onder voorwaarden.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
De vader is op 2 februari 2026 in hoger beroep gekomen (zaaknummer: 200.364.442/01) van een beschikking van 22 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter). De vader heeft daarnaast verzocht op grond van artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering een voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het gedeelte van de bestreden beschikking dat ziet op de machtiging uithuisplaatsing (zaaknummer: 200.364.442/02).
2.2.
De raad heeft op 12 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De moeder heeft op 17 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.4.
Het hof heeft op 17 februari 2026 een brief met bijlage van de GI ontvangen.
2.5.
De zitting heeft op 18 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door de heer M.J. Ankomah, tolk in de taal Twi,
- de moeder (via videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat en mevrouw K. Mensah, tolk in de taal Twi,
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw M. Eijpe.
- een vertegenwoordiger van de GI.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen woonden na het uiteengaan van de ouders aanvankelijk bij de vader en hadden een zorgregeling met de moeder. Sinds 15 december 2025 verblijven de kinderen bij de moeder.
3.2.
De moeder heeft de Ghanese nationaliteit. De vader en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.3.
Tussen de ouders is sinds oktober 2023 een procedure aanhangig bij de rechtbank Noord-Holland over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het gezag over hen. Daarin is bij beschikking van 6 november 2025 een (nader) raadsonderzoek gelast naar de hoofdverblijfplaats, het gezag en de omgang. De zaak is pro forma aangehouden tot 6 maart 2026, in afwachting van het raadsonderzoek.
3.4.
Op 15 december 2025 heeft de raad de kinderrechter met spoed verzocht de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen van de GI en de GI te machtigen de kinderen uit huis te plaatsen bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder, alles voor een periode van drie maanden.
3.5.
Bij beschikking van 15 december 2025 zijn de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden, met ingang van 15 december 2025 tot 15 maart 2026. Daarnaast is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder verleend met ingang van 15 december 2025 tot 12 januari 2026. Het verzoek tot uithuisplaatsing is voor het overige aangehouden tot de zitting van 22 december 2025 om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.

4.De omvang van het hoger beroep (200.364.442/01)

4.1.
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking de beslissing in de beschikking van 15 december 2025 gehandhaafd en de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder met gezag verlengd tot 15 maart 2026.
4.2.
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
- primair: het inleidend verzoek van de raad tot uithuisplaatsing van de kinderen alsnog af te wijzen;
- subsidiair te bepalen dat de kinderen per direct worden teruggeplaatst bij de vader onder handhaving dan wel oplegging van een ondertoezichtstelling, al dan niet met concrete voorwaarden en hulpverlening.
4.3.
De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4.
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing (200.354.442/01)

5.1.
In hoger beroep is aan de orde de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder met gezag tot 15 maart 2026.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.2.
De kinderrechter heeft in de beschikking van 15 december 2025 op goede gronden geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om over het verzoek van de raad te oordelen. Het oordeel dat op het verzoek Nederlands recht van toepassing is niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Het wettelijk kader
5.3.
Uit artikel 1:265b, eerste en tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek of op verzoek van de raad kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De rechtbank heeft de bij beschikking van 15 december 2025 gegeven spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ‘verlengd’, maar dit komt in dit geval neer op een toewijzing van het resterende deel van het inleidend verzoek van de raad. Van een verlenging in de zin van artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek is dus geen sprake.
Standpunten
5.4.
De vader is het niet eens met de bestreden beschikking. Hij stelt dat hij volledig werd overvallen door de uithuisplaatsing van de kinderen. Hij begrijpt niet hoe zo’n ingrijpende beslissing zo abrupt tot stand is gekomen. Volgens de vader is sprake van een misverstand. Bij de voorbereiding van het spoedverzoek tot uithuisplaatsing is geen sprake geweest van deugdelijke hoor en wederhoor. Hij is voorafgaand aan de spoeduithuisplaatsing niet inhoudelijk gehoord over de vermeende zorgen en heeft geen gelegenheid gekregen deze te weerleggen of alternatieven aan te dragen. Hij is steeds bereikbaar geweest via bekende contactgegevens en heeft nooit bewust contact met de hulpverlening geweigerd.
De vader is het verder niet eens met de overweging van de kinderrechter dat hij de omgang tussen de moeder en de kinderen moedwillig zou hebben tegengehouden. De ouders hebben afspraken gemaakt over de omgang toen de moeder nog in [plaats B] woonde. Nadat de moeder naar [plaats C] (Ov) was verhuisd, waren deze afspraken gezien de reistijd niet meer haalbaar. De vader heeft de omgang dan ook niet moedwillig tegengehouden maar gezocht naar een haalbare oplossing in het belang van de kinderen. Verder wijst de vader erop dat [minderjarige 1] onderwijs volgt en een logopedische behandeling, waar zij haar sociale netwerk en vaste begeleiders heeft. Door de uithuisplaatsing is deze continuïteit abrupt doorbroken. De kinderen zijn bovendien meerdere weken niet naar school gegaan, hetgeen strijdig is met hun recht op ontwikkeling en stabiliteit.
De vader is het niet eens met het oordeel van de kinderrechter dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Volgens de vader is het verzoek tot de uithuisplaatsing van de kinderen alleen gebaseerd op vermoedens en zijn er geen feiten bekend waaruit blijkt dat sprake is van mishandeling. De enkele omstandigheid dat nader onderzoek wenselijk wordt geacht, kan niet dienen als zelfstandige grondslag voor een uithuisplaatsing. Vooral omdat er geen objectieve signalen, medische bevindingen of verklaringen van derden zijn die de vermoedens van mishandeling ondersteunen. De bestreden beslissing vormt een ernstige inmenging in het door artikel 8 EVRM Pro beschermde recht op eerbiediging van het gezinsleven. De vader benadrukt dat hij volledig open staat voor vrijwillige hulpverlening, een ondertoezichtstelling en opvoedondersteuning. De kinderen hebben hun hele leven bij de vader gewoond, zij hebben daar hun vertrouwde omgeving en school. Onder deze omstandigheden is de uithuisplaatsing niet noodzakelijk en niet proportioneel. De ondertoezichtstelling, gecombineerd met eventuele hulpverlening bij de vader, biedt voldoende waarborgen voor de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen. De kinderrechter heeft volgens de vader onvoldoende gemotiveerd waarom minder ingrijpende alternatieven ontoereikend zouden zijn.
De vader heeft hier ter zitting in hoger beroep aan toegevoegd dat de situatie heel ingrijpend is voor hem en dat sprake is van communicatieproblemen, onder andere door de taalbarrière. Hij staat wel open voor hulpverlening. Hij heeft dat geprobeerd uit te leggen, maar de heftige beschuldigingen hebben bij hem paniek en verwarring veroorzaakt. De uitlatingen van [minderjarige 1] zijn zorgelijk en er is onderzoek nodig, maar mishandeling is niet objectief vastgesteld. De vader herhaalt dat hij mee wil werken aan hulpverlening, gelet daarop is voortduring van de uithuisplaatsing bij de moeder niet nodig.
5.5.
De raad is van mening dat de kinderrechter terecht en op goede gronden de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder voor drie maanden heeft verleend. Volgens de raad waren er ernstige zorgen over de kinderen in de thuissituatie bij de vader en is er sprake van een patroon waarbij de vader iedere bemoeienis en contact vanuit betrokken (hulpverlenende) instanties afhoudt.
Veilig Thuis ontving op 30 september 2025 een melding vanuit de school. [minderjarige 1] had op school aangegeven dat zij en haar broertje thuis geslagen werden. De school wilde dit met de vader bespreken, maar hij is erg boos geworden, hij kwam dreigend en verward over. De crisisdienst van Veilig Thuis is op school met de vader in gesprek gegaan en heeft aangegeven Ambulante Hulpverlening in te willen zetten. De vader zei hierover na te willen denken. De vader was vervolgens niet meer bereikbaar voor Veilig Thuis. Ook een onaangekondigd huisbezoek was zonder resultaat. Veilig Thuis heeft geen zicht op de opvoedsituatie bij de vader omdat hij het contact afhoudt. Hierdoor was het inzetten van hulpverlening in het vrijwillige kader niet meer mogelijk. Veilig Thuis heeft een melding gedaan bij de raad en de raad heeft het (al lopende) gezags- en omgangsonderzoek uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. De vader heeft de raad laten weten niet mee te willen werken met het onderzoek en hij heeft een klacht ingediend tegen de raad. Omdat de klachtenbemiddelaar geen contact kreeg met de vader is deze klacht afgesloten.
De raad heeft in het kader van het onderzoek contact gehad met de school en daaruit is naar voren gekomen dat [minderjarige 1] op 25 september 2025 aan haar taalcoach heeft verteld dat de vader haar en haar broertje slaat. Als zij roept dat hij moet stoppen, stopt hij niet. In de periode van 3 oktober 2025 tot 24 november 2025 heeft [minderjarige 1] op school meerdere zorgelijke uitlatingen gedaan over de situatie thuis bij de vader.
Daarnaast hadden de ouders een zorgregeling afgesproken, maar was het de moeder al een tijd niet gelukt om de kinderen te zien. Volgens de moeder is zij maandenlang iedere twee weken samen met haar jongste kind naar de vader in [plaats A] gereisd om de kinderen te kunnen zien. De vader heeft dit systematisch gefrustreerd doordat hij niet thuis was of de deur niet open deed.
Vanwege de grote zorgen over de veiligheid van de kinderen heeft de raad besloten om over te gaan tot een verzoek voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De kinderen zijn nu bij de moeder in [plaats C] (Ov) geplaatst. De vader benoemt als zorg dat de kinderen op dit moment niet naar school gaan, maar hij heeft zelf geweigerd de moeder toestemming te geven om de kinderen op een school in [plaats C] in te schrijven. Hoewel de vader bij de kinderrechter op de zitting van 22 december 2025 heeft aangegeven dat hij de toestemming alsnog zou verlenen, heeft hij dat niet gedaan. De advocaat van de moeder heeft uiteindelijk namens de moeder een verzoekschrift tot vervangende toestemming voor inschrijving op een school ingediend bij de rechtbank. De vader heeft nu alsnog toestemming gegeven, maar alleen tijdelijk tot 15 maart 2026.
De raad is van mening dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder noodzakelijk en proportioneel was en dat nog steeds is. De stelling van de vader dat hij open zou staan voor vrijwillige hulpverlening en dat een uithuisplaatsing onder die omstandigheden niet noodzakelijk zou zijn, is niet geloofwaardig en onjuist.
De raad merkt hierbij nog op dat de zorgen over het gedrag, de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de vader niet zijn weggenomen. Een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing bij de moeder voor de duur van een jaar zal dan ook worden verzocht.
5.6.
De moeder is het eens met de uithuisplaatsing van de kinderen bij haar. Er is sprake van een duidelijk patroon, waarbij de vader volstrekt niet bereid is om met verschillende instanties in overleg te treden terwijl er sprake is van ernstige en urgente zorgen over de kinderen. Ook bij een eerdere ondertoezichtstelling heeft de vader zich afwerend opgesteld ten opzichte van de instanties. De moeder is op enig moment naar [plaats C] verhuisd omdat zij een woning zocht met voldoende ruimte voor de kinderen. Na haar verhuizing verliep de omgang nog enige tijd relatief goed, maar toen de moeder opnieuw zwanger raakte van de vader is er een conflict tussen de ouders ontstaan wat ertoe heeft geleid dat de vader weigerde medewerking te verlenen aan de omgang.
De vader weigert toestemming te geven om de kinderen op een school in [plaats C] in te schrijven. Verder betwist de moeder dat de vader [minderjarige 1] altijd naar logopedie heeft gebracht. De vader heeft ook lange tijd toestemming geweigerd om [minderjarige 1] naar de noodzakelijke logopedie te laten gaan.
De uithuisplaatsing bij de moeder is in het belang van de kinderen. Er zijn ernstige en onderbouwde redenen om te vermoeden dat de kinderen niet meer veilig waren bij de vader en niet goed door hem werden verzorgd. De moeder acht het zorgelijk dat de vader niet inhoudelijk ingaat op het feit dat [minderjarige 1] bij herhaling heeft verklaard dat zij en haar broertje te maken hebben met huiselijk geweld. De moeder wijst er verder op dat al in het raadsrapport van 25 juni 2024 staat vermeld dat [minderjarige 1] aan haar leerkracht heeft laten weten dat zij door haar vader is geslagen en dat zij niet naar huis wilde. Ook is relevant dat de moeder eerder aangifte heeft gedaan tegen de vader vanwege een incident tussen de ouders op 19 augustus 2023. Er zijn dus al langere tijd ernstige signalen over het gedrag van de vader tegenover de moeder en de kinderen.
De moeder betwist verder de stelling van de vader dat de kinderen hun hele leven bij hem hebben gewoond. Volgens de moeder is zij altijd de primaire verzorger van de kinderen geweest, zij had alleen geen woning en verbleef daarom in een noodopvang. Omdat ze geen perspectief had op een eigen woning is ze bij de vader gaan wonen. Ze is daar vertrokken naar aanleiding van de gebeurtenis die tot de aangifte heeft geleid, pas vanaf toen had de vader de zorg voor de kinderen
.
De moeder heeft hier ter zitting in hoger beroep aan toegevoegd dat het goed gaat met de kinderen bij haar. Zij heeft nu, samen met het jongere zusje van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , drie kinderen thuis. [minderjarige 1] gaat naar school, daar is zij blij mee. Er wordt gekeken welk onderwijs passend is voor [minderjarige 2] . De moeder benadrukt dat het belangrijk is dat [minderjarige 1] serieus wordt genomen in haar uitlatingen waarin zij aangeeft te zijn geslagen door de vader. De moeder is zelf ook geslagen door de vader toen zij nog samen waren.
5.7.
De GI heeft in de onder 2.4 genoemde brief het hof geïnformeerd over de stand van zaken en een rapport overgelegd. De kinderen wonen nu bij de moeder. Elke woensdag om 15.00 uur vindt een onbegeleid videogesprek tussen de vader en de kinderen plaats.
Bij de kinderen speelt de volgende problematiek. [minderjarige 2] zit nog niet op school. Hij kan niet praten en er moet onderzoek gedaan worden om te kijken welk soort onderwijs passend is voor hem. Hij is aangemeld bij het Expertisecentrum Jonge Kind. [minderjarige 1] heeft (ook) op haar nieuwe school uitlatingen gedaan over de onveiligheid bij haar vader. De GI ziet een liefdevolle moeder die graag voor de kinderen wil zorgen en zich inzet voor hen. Zij krijgt hulp via Wijkracht [plaats C] . De GI vindt het positief dat de moeder hulp aanvaardt en dat er zicht is op de moeder en de kinderen. De GI maakt zich zorgen om de thuissituatie bij de vader. De vader werkt niet mee aan de voorlopige ondertoezichtstelling. Ondanks een eerdere toezegging heeft de vader geweigerd toestemming te verlenen om de kinderen in te schrijven op de school in [plaats C] . Uiteindelijk heeft de vader een tijdelijke toestemming gegeven. De vader ziet geen zorgen en begrijpt niet waarom de kinderen met spoed bij de moeder zijn geplaatst. De GI vindt dat erg zorgelijk. De GI is van mening dat duidelijkheid moet komen over het gedrag van de vader, het effect op de kinderen en of het in het belang van de kinderen is om contact met de vader te hebben.
De GI heeft ter zitting in hoger beroep hieraan toegevoegd dat het goed gaat met de kinderen bij de moeder. Er is contact geweest met de huidige school van [minderjarige 1] , er zijn zorgen over wat [minderjarige 1] vertelt. Ze heeft verteld dat het bij haar vader niet fijn was, dat hij schreeuwde en vocht en dat hij de moeder pijn heeft gedaan. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat ze de vader niet wil zien en dat ze absoluut niet terug wil naar de vader. Er zal verder onderzoek worden gedaan naar deze verklaringen van [minderjarige 1] . Het is moeilijk om de vader te betrekken bij de ondertoezichtstelling. Er is geen zicht op de thuissituatie bij hem. De jeugdbeschermer wil graag met de vader overleggen, maar kan geen contact met hem krijgen.
5.8.
Het hof overweegt als volgt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn twee jonge kinderen, respectievelijk zes en vier jaar oud. Zij hebben al veel wisselingen en onrust in hun opvoedsituatie meegemaakt. Na een incident tussen de ouders in 2023 is de moeder vertrokken en zijn de kinderen bij de vader blijven wonen. De moeder is in oktober 2023 een procedure gestart bij de rechtbank over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het gezag over hen. Deze procedure is door de rechtbank pro forma aangehouden tot begin maart 2026 in verband met een (tweede) raadsonderzoek.
In september 2025 is door de school van [minderjarige 1] een melding gedaan bij Veilig Thuis omdat zij op school zeer zorgelijke uitspraken heeft gedaan over de thuissituatie bij de vader. Zij heeft onder andere tegen haar taalcoach gezegd dat zij en haar broertje werden geslagen en dat zij niet meer naar huis wilde. De school wilde deze zorgen met de vader bespreken, maar de vader werd erg boos. De crisisdienst van Veilig Thuis heeft met de vader het inzetten van ambulante hulpverlening besproken. Het is vervolgens niet mogelijk gebleken contact te krijgen met de vader zodat deze hulpverlening niet kon worden ingezet. Er was geen enkel zicht op de thuissituatie bij de vader. Veilig Thuis heeft een melding bij de raad gedaan. De vader heeft vervolgens bij de raad aangegeven dat hij niet mee wilde werken aan een raadsonderzoek en dat hij niet wilde dat de raad informanten benaderde. Een andere zorg met betrekking tot de kinderen was dat zij al een paar maanden geen contact met hun moeder hadden omdat de vader hier niet aan meewerkte.
Het hof is met de raad van oordeel dat de uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder noodzakelijk was, gelet op de ernstige zorgen over de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader en het gebrek aan medewerking van de vader om zicht in de thuissituatie te geven.
De kinderen verblijven sinds 15 december 2025 bij de moeder. De moeder werkt mee met de hulpverlening en zij geeft inzicht in haar situatie. Voor de kinderen wordt de hulp georganiseerd die zij nodig hebben. Ten aanzien van [minderjarige 2] wordt onderzocht welk onderwijs passend is voor hem en [minderjarige 1] krijgt deskundige hulp op het gebied van taalontwikkeling. De GI heeft geen zorgen over de thuissituatie bij de moeder.
Hiertegenover staat dat de zorgen over de thuissituatie bij de vader onveranderd zijn. Het lukt ook de GI niet om contact te krijgen met de vader en afspraken te maken. [minderjarige 1] heeft recent op haar huidige school in [plaats C] opnieuw zorgelijke uitspraken gedaan over de veiligheid bij de vader. De vader lijkt zich de ernst van deze uitspraken niet te realiseren.
De vader heeft subsidiair verzocht dat de kinderen worden teruggeplaatst bij hem al dan niet in combinatie met concrete voorwaarden en hulpverlening. Hij ontkent dat hij de kinderen heeft mishandeld. Hij stelt dat hij mee wil werken aan de ondertoezichtstelling en dat hij hulpverlening wil accepteren. Het hof overweegt dat de vader tot nu toe niet heeft laten zien mee te willen werken aan de geboden hulpverlening. Uit het raadsrapport van 25 juni 2024 (in de procedure met betrekking tot het gezag en de hoofdverblijfplaats) blijkt dat er destijds al zorgen waren vanwege uitspraken die [minderjarige 1] heeft gedaan over de veiligheid bij de vader thuis en dat de vader zich ook toen afwijzend heeft opgesteld waardoor de raad geen zicht kreeg op de opvoedsituatie bij de vader. Naar het oordeel van het hof is dan ook aannemelijk dat er een langdurig patroon is waarbij de vader geen hulpverlening accepteert en instanties niet toelaat, ondanks ernstige zorgen over de kinderen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder ook nu nog noodzakelijk is. Dit betekent dat het hof de verzoeken van de vader zal afwijzen en de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

6.Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (200.364.442/02)

De advocaat van de vader heeft dit verzoek ter zitting in hoger beroep ingetrokken. De vader zal in dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

7.De beslissing

Het hof:
In de zaak met zaaknummer 200.364.442/01:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
In de zaak met zaaknummer 200.364.442/02:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.F. Miedema in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.