ECLI:NL:GHAMS:2026:531

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.361.158/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1.1 JeugdwetArt. 7 lid 1 Verordening Brussel II-ter (EU 2019/1111)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige kinderen bij vader

De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij hun vader, waarbij de moeder in hoger beroep is gekomen tegen de beslissing van de kinderrechter die deze verlenging had toegestaan.

De kinderen staan sinds september 2022 onder toezicht van de gecertificeerde instelling (GI) en zijn in december 2024 met spoed uit huis geplaatst bij de vader vanwege zorgen over mishandeling en onveilige thuissituatie bij de moeder. De moeder betwist de noodzaak van de verlenging en stelt dat zij haar opvoedvaardigheden heeft verbeterd en dat de uithuisplaatsing niet in het belang van de kinderen is.

De GI en de vader steunen de verlenging, waarbij de GI benadrukt dat de veiligheid van de kinderen bij de moeder niet kan worden gegarandeerd en dat de kinderen traumatherapie volgen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert eveneens de verlenging te bekrachtigen.

Het hof concludeert dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijft vanwege blijvende zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder en het belang van de traumabehandeling van de kinderen. De moeder heeft onvoldoende inzicht in de impact van haar gedrag op de kinderen, waardoor het contact geblokkeerd blijft. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en benadrukt het belang van wekelijkse informatievoorziening door de vader aan de moeder.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader tot 8 maart 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.158/01
zaaknummer rechtbank: C/15/360900 / JU RK 25-44
beschikking van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
en
De gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd in [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] , en
- [de vader] , hierna: de vader.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (9 jaar) en [minderjarige 2] (7 jaar) (hierna gezamenlijk: de kinderen) bij de vader met gezag.
De kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter) heeft in een beschikking van 25 augustus 2025 onder meer de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader tot 8 maart 2026 verlengd. De moeder is het niet eens met de beslissing over de uithuisplaatsing en zij wil dat het verzoek van de GI tot verlenging van de uithuisplaatsing alsnog wordt afgewezen. De GI en ook de vader zijn het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. Het hof is het met de kinderrechter eens dat de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd moet worden.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 7 november 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de bestreden beschikking.
2.2
De GI heeft op 4 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- twee berichten van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen, en
- een ter zitting overgelegd stuk van de zijde van de moeder (evaluatieverslag van Levvel over de module Parallel Solo Ouderschap).
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De partijen hebben daarop kunnen reageren.
2.5
De zitting heeft op 4 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. J. Koenen, advocaat te Rotterdam, waarnemend voor
mr. R.W. de Gruijl, en door D.A. Ochieng, tolk in de taal Swahili,
- de vader,
- de GI, vertegenwoordigd door de jeugdbeschermer,
- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2016 in [plaats C] (België) , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018 in [plaats A] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
3.2
De kinderen staan sinds 8 september 2022 onder toezicht van de GI. Deze maatregel is telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 4 maart 2025 tot 8 maart 2026.
3.3
Bij beschikking van de kinderrechter van 9 december 2024 zijn de kinderen met spoed uit huis geplaatst bij de vader. Bij beschikking van 4 maart 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader verlengd tot 8 september 2025 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij de bestreden beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 8 maart 2026. In deze beschikking is ook de afspraak vastgelegd dat er wekelijks een belmoment tussen de moeder en de kinderen zal plaatsvinden en dat de vader de moeder wekelijks een e-mailbericht zal sturen om haar te informeren over de kinderen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de gezaghebbende vader tot 8 maart 2026 wordt verlengd. Deze verlenging ziet op de periode 8 september 2025 tot 8 maart 2026.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.
4.3
De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De moeder heeft de Keniaanse nationaliteit. De zaak heeft daardoor een internationaal karakter. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en zij hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland . Op grond van art. 7, lid 1 Verordening Brussel II-ter (Verordening EU 2019/1111) is de Nederlandse rechter bevoegd. De kinderrechter heeft het verzoek van de GI beoordeeld naar Nederlands recht. Daartegen is niet gegriefd, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.
De standpunten
5.3
De moeder vindt dat de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader niet in het belang van de kinderen is. Door de uithuisplaatsing wordt de moeder uit het leven van de kinderen gehouden waardoor de band tussen haar en de kinderen onherstelbaar beschadigd raakt.
De moeder heeft de kinderen al ruim een jaar niet gezien en de huidige belmomenten verlopen moeizaam omdat de moeder onvoldoende wordt begeleid door de GI en doordat zij door de vader nauwelijks over de kinderen wordt geïnformeerd.
Volgens de moeder is het in het belang van de kinderen dat zij weer bij haar komen wonen. Dat is volgens de moeder ook goed mogelijk omdat zij hard heeft gewerkt aan haar opvoedvaardigheden en meewerkt aan elke vorm van hulpverlening. De gezinscoach van 10 voor Toekomst en Levvell zijn positief over de leerbaarheid van de moeder. De moeder ziet nu in dat het geven van een corrigerende tik aan de kinderen niet past bij een voor de kinderen juiste opvoedstijl. Het geven van een corrigerende tik betekent volgens de moeder overigens niet dat er bij haar ooit sprake is geweest van een onveilige thuissituatie. De verlenging van de uithuisplaatsing is gebaseerd op zorgen uit het verleden over de veiligheid van de kinderen bij de moeder. De GI heeft onvoldoende onderbouwd dat die zorgen nog steeds bestaan. Daarnaast houdt de GI onvoldoende rekening met de culturele achtergrond van de moeder en werkt de GI onvoldoende samen met andere betrokken hulpverlening. Door de machtiging te verlengen heeft de kinderrechter de recente positieve ontwikkeling van de moeder onvoldoende meegewogen.
5.4
De GI wil dat de uithuisplaatsing wordt verlengd. De kinderen zijn uithuisgeplaatst omdat de GI de veiligheid van de kinderen bij de moeder thuis niet kon waarborgen. De kinderen hebben aangegeven dat zij over een langere periode fysiek en emotioneel werden mishandeld bij de moeder.
De kinderen staan nu niet open voor contact met de moeder en de belmomenten verlopen daardoor ook moeizaam. Het lukt de moeder tijdens de belmomenten niet altijd om goed bij de kinderen aan te sluiten. Op dit moment onderzoekt de GI de mogelijkheid van begeleiding van de moeder rondom de belmomenten. De GI geeft aan dat zij rekening wil houden met de culturele achtergrond van de moeder. Voor wat betreft de fysieke omgang tussen de moeder en de kinderen sluit de GI aan bij het tempo en de gevoelens van de kinderen. Op dit moment kunnen de kinderen het niet opbrengen om te moeder te zien. Voor een verandering in deze situatie is het van belang dat de moeder erkent wat de kinderen in de thuissituatie bij de moeder hebben meegemaakt. Verder is het belangrijk dat zicht komt op de vraag in hoeverre de moeder leerbaar is om herhaling van fysieke en verbale mishandeling van de kinderen in de toekomst te voorkomen. Recent heeft de moeder op aanraden van de GI besloten mee te werken aan een diagnostische onderzoek. Mede op basis van de resultaten van dit onderzoek verwacht de GI meer duidelijkheid te krijgen over wat er van de moeder kan worden verwacht en hoe de omgang tussen de moeder en de kinderen het beste kan worden vormgegeven. De kinderen zijn recent begonnen met traumatherapie. Het doel hiervan is dat de kinderen de gebeurtenissen bij de moeder thuis kunnen verwerken en dat er ruimte bij de kinderen kan komen voor positieve ervaringen met de moeder. Op dit moment is het voor de kinderen van belang dat de situatie blijft zoals het is, zodat zij zoveel mogelijk kunnen profiteren van de traumabehandeling.
5.5
De vader heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij het eens is met de bestreden beschikking. Hij vindt dat de door de moeder gevoerde procedures niet in het belang zijn van de kinderen. Op dit moment ziet hij geen positieve veranderingen bij de moeder. Het klopt dat hij de afspraak over het sturen van een e-mail aan de moeder met informatie over de kinderen niet goed is nagekomen en hij zal dit in het vervolg wel gaan doen.
Advies van de raad
5.6
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Thuisplaatsing bij de moeder is op dit moment niet aan de orde. De veiligheid van de kinderen bij de moeder kan op dit moment niet gewaarborgd worden. De kinderen hebben in de opvoedsituatie bij de moeder traumatische ervaringen opgedaan en worden hiervoor inmiddels behandeld. Deze therapie is belangrijk voor de ontwikkeling van de kinderen en mag niet worden stopgezet. De uitkomsten van het diagnostisch onderzoek van de moeder kunnen ervoor zorgen dat zij geholpen kan worden in het beter aansluiten bij de emoties en gemoedstoestand van de kinderen. In het kader van de ondertoezichtstelling behoort te worden gewerkt aan het weer normaliseren van de contacten tussen de moeder en de kinderen waarbij de kinderen positieve ervaringen met de moeder kunnen gaan opdoen. Dat behoort wel onder voor de kinderen veilige omstandigheden te gebeuren.
De beoordeling door het hof
5.7
Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De kinderen staan sinds 8 september 2022 onder toezicht. In de periode tot de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader, per 9 december 2024, waren er al langere tijd zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder thuis. In gesprekken met de GI gaven de kinderen aan dat zij fysiek werden mishandeld. Ook vertelden zij dat de moeder tegen hen schreeuwt, met spullen gooit en dat zij soms alleen thuis worden gelaten. De kinderen mochten hier niets over vertellen tegen anderen. Uit de stukken blijkt dat de moeder op verschillende momenten door de GI is aangesproken op haar opvoedstijl en dat haar opvoedondersteuning is geboden. De moeder werkte wel mee met de hulpverlening maar de situatie bij de moeder veranderde niet. De moeder gaf toe dat zij wel eens corrigerende tikken gaf maar zij ontkende dat zij de kinderen mishandelde.
In november 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden op de school van de kinderen omdat zij op school aangaven dat zij thuis werden geslagen. De GI ging daarover opnieuw met de moeder in gesprek en maakte afspraken om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. Er werden afspraken met de moeder gemaakt en er volgde een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing. Een week na het gesprek vertelden de kinderen dat er opnieuw mishandeling had plaatsgevonden bij de moeder. De moeder hield zich niet aan de afspraken en ondanks de geboden hulp lukte het de moeder niet haar niet haar opvoedstijl te wijzigen. Zij leek onvoldoende in te zien wat voor effect haar gedrag op de kinderen had. De kinderen werden daarop met spoed bij de vader geplaatst.
5.8
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Er bestaan nog te veel zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder en er is nog onvoldoende zicht op de leerbaarheid van de moeder. De moeder lijkt onvoldoende inzicht te hebben in de impact die haar opvoedstijl op de kinderen heeft gehad. De kinderen hebben last van gevoelens van onveiligheid en onzekerheid en zij voelen zich mogelijk gekwetst. Omdat het de moeder momenteel niet lukt om deze gevoelens van de kinderen te erkennen is er een blokkade in het contact tussen de moeder en de kinderen. Het hof vindt het positief dat de moeder heeft meegewerkt aan het diagnostisch onderzoek en het hof hoopt dat de uitkomst van dit onderzoek de moeder kan helpen bij het ontwikkelen van een voor de kinderen veilige en positieve opvoedstijl. Tezamen met de resultaten van de traumabehandeling voor de kinderen kan dit hopelijk leiden tot een verandering in de situatie waarbij de huidige blokkade in de contacten tussen de moeder en de kinderen op een voor de kinderen veilige wijze wordt opgeheven.
5.9
De machtiging tot uithuisplaatsing is nog noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
5.1
Het hof merkt tot slot nog het volgende op. De GI heeft aangegeven dat het belangrijk is dat de vader de moeder informeert over de kinderen. In de bestreden beschikking is daarover onder punt 4.8 ook een afspraak vastgelegd. Ter zitting in hoger beroep heeft ook het hof opnieuw het belang van het verstrekken van informatie over de kinderen door de vader aan de moeder aan de orde gesteld. De vader heeft toegezegd dat hij conform de afspraak de moeder een keer per week zal informeren over het welzijn van de kinderen. Het hof gaat er van uit dat de vader zich aan deze afspraak zal houden. Dit kan het contact tussen de moeder en de kinderen ten goede gaan komen.
5.11
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 25 augustus 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. F. Kleefmann en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.