ECLI:NL:GHAMS:2026:543
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling na faillissement horecaonderneming
De rechtbank had het verzoek van schuldenaar tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van te goeder trouw zijn bij het ontstaan of onbetaald laten van schulden. In hoger beroep heeft het gerechtshof het alsnog overgelegde verslag van de curator beoordeeld, waaruit bleek dat de exploitatie van de vennootschap onder firma verlieslatend was en dat de verklaringen van schuldenaar en zijn medevennoot aannemelijk waren.
Het hof oordeelde dat schuldenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was ten aanzien van de schulden van de onderneming en de privé-schulden, die waren ontstaan door een terugval in inkomsten. Tevens was vastgesteld dat schuldenaar onvoldoende aflossingsmogelijkheden had om een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen, waardoor hij ontvankelijk was in zijn verzoek.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis en verklaarde de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing op schuldenaar, met ingang van de datum van het arrest. Een eerdere ingangsdatum werd niet vastgesteld wegens gebrek aan feiten die dit rechtvaardigen. De zaak werd verwezen naar de rechtbank Amsterdam voor verdere afhandeling.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toe en vernietigt het vonnis van de rechtbank.