ECLI:NL:GHAMS:2026:552

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
200.345.253/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:96 BWArt. 3:170 BWArt. 130 RvArt. 353 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over uitleg vaststellingsovereenkomst en verdeling gezamenlijke woning na beëindiging affectieve relatie

Partijen hadden een affectieve relatie die in 2020 definitief eindigde. Zij sloten een vaststellingsovereenkomst over de verdeling van gezamenlijke vermogensbestanddelen, waaronder een woning, inboedel en financiële posten. Er ontstond onenigheid over de uitleg van deze overeenkomst en de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning.

De vrouw vorderde in eerste aanleg een hoger bedrag uit de verkoopopbrengst en betaling van diverse posten, waaronder een bedrag voor auto’s en belastingaanslagen die zij had voorgeschoten. De rechtbank wees een deel van haar vorderingen af. Beide partijen gingen in hoger beroep met verschillende grieven.

Het hof oordeelde dat de vrouw redelijkerwijs mocht verwachten dat zij nog aanspraak kon maken op vergoeding voor de BMW M5 en BMW X5, en dat de man haar hiervoor nog € 21.000,- moest betalen. Ook werd geoordeeld dat de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst niet alle belastingvorderingen omvatte, zodat de man nog € 33.052,- aan de vrouw verschuldigd is. De verdeling van de verkoopopbrengst van de woning werd bevestigd zoals door de rechtbank vastgesteld, waarbij de vrouw recht heeft op vergoeding van haar aflossingen en kosten. De vorderingen over waardedaling woning en ontruimingskosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof wijst de vrouw aanvullende betalingen toe voor auto’s en belastingen, bevestigt de verdeling van de woning en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.345.253/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/342841 / HA ZA 23-438
arrest van de meervoudige familiekamer van 3 maart 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
appellante,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. M.G. van den Boogerd te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats B] ,
geïntimeerde,
tevens incidenteel appellant,
advocaat: mr. I.J. Pieters te Leiden.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, die in 2020 definitief is geëindigd. Met behulp van gezamenlijke kennissen hebben ze een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin zij afspraken hebben gemaakt over de verdeling van gezamenlijke vermogensbestanddelen en de financiële afwikkeling. Over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst bestaat verschil van mening. Ook zijn zij over en weer van mening dat de ander schadevergoeding moet betalen.
In deze procedure vorderen partijen over en weer bedragen van elkaar. De rechtbank heeft een beslissing genomen over de verdeling van de netto opbrengst van de woning die partijen in gezamenlijk eigendom hadden. In hoger beroep zijn beide partijen van mening dat de verdeling anders moet zijn en dat vorderingen ten onrechte zijn afgewezen. Het hof komt tot een andere uitleg van de vaststellingsovereenkomst dan de rechtbank en beslist dat de vrouw aanspraak kan maken op een hoger bedrag dan de rechtbank heeft bepaald.

2.Het geding in hoger beroep

De vrouw is bij dagvaarding van 23 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 29 mei 2024 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.
Op verzoek van het hof heeft de vrouw bij brief van 14 oktober 2025 het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg overgelegd. In haar brief heeft zij een inhoudelijke reactie op het proces-verbaal gegeven. De man heeft bij brief van 27 oktober 2025 een reactie gegeven.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

3.1
De rechtbank heeft in 3.1 tot en met 3.13 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat die feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.2
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Op 7 oktober 2008 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten.
3.3
De samenlevingsovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
(…)
Definities
Artikel 1
(…)
Inboedel
1. Onder “inboedel” verstaan partijen tot de tot huisraad en stoffering en meubilering van de door partijen gezamenlijk bewoonde woning dienende roerende zaken als bedoel in artikel 5 van Pro boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Onder inboedel wordt niet begrepen verzamelingen van boeken voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard.
(…)
Inboedel
Artikel 5
1. Partijen zijn overeengekomen dat de inboedelgoederen, zoals gedefinieerd in artikel 1 van Pro deze overeenkomst, die door partijen tot op heden zijn verkregen in verband met hun samenwoning en de daaruit voortvloeiende verzorgingsverplichting, ongeacht de herkomst van deze goederen of de wijze van financiering daarvan, aan hen gezamenlijk dienen toe te behoren. (…)
2. (…) In afwijking van het vorenstaande blijft ieder eigenaar van de kleding, sieraden en overige persoonlijke goederen, welke hij of zij in gebruik heeft of welke tot zijn of haar persoonlijk gebruik bestemd zijn, alsmede van alle goederen waarvan partijen hebben vastgelegd of zullen vastleggen, dat zij privé-eigendom blijven van één van hen.
3. De door ieder van partijen aangebrachte (inboedel)goederen, die ieder echter privé wenst te houden, zijn gespecificeerd vermeld op een door partijen getekende lijst (staat van aanbrengsten). Deze lijst zal aan deze akte worden gehecht.
Overeenkomst met betrekking tot het bewijs van eigendom van goederen
Artikel 6
(…)
2. Kleding en sieraden worden geacht eigendom te zijn van de partij die deze goederen gebruikt of tot gebruik van wie zij bestemd zijn.
3 Andere roerende zaken, dan bedoeld in de leden 1 en 2 en welke niet tot de gedefinieerde inboedelgoederen behoren, worden geacht eigendom te zijn van de partij die deze heeft verkregen. (…)
3.4
Partijen hebben in augustus 2008 een woning gekocht gelegen aan de [A-straat] te [plaats B] (hierna: de woning). Partijen waren ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning. De koopprijs bedroeg € 1.375.000,- exclusief kosten en is deels gefinancierd met behulp van een overbruggingskrediet van € 300.000,- en een aflossingsvrije hypothecaire geldlening bij Obvion met een oorspronkelijke hoofdsom van € 860.500,-. Ter financiering van de koopprijs heeft de man € 225.275,- uit privé middelen ingelegd. De vrouw heeft uit privé middelen de overbruggingshypotheek van € 300.000,- afgelost.
3.5
Vanaf de datum van levering van de woning in december 2008 zijn partijen een gemeenschappelijke huishouding gaan voeren.
3.6
Op 30 april 2016 hebben partijen met elkaar een overeenkomst gesloten die in de aanhef is aangeduid als ‘vaststellingsovereenkomst kosten huishouding / stand huis 440 – hypotheek’. In deze overeenkomst hebben partijen onder meer vastgesteld welke vordering de vrouw per 1 januari 2016 op de man had ter zake teveel betaalde kosten van de huishouding. Deze vordering bedroeg volgens de overeenkomst € 178.501,- inclusief rente tot en met 31 december 2015. Aan de overeenkomst is een bijlage gehecht waarin de man aangeeft dat hij zich het recht voorbehoudt ‘tot alsnog nagaan en vaststellen van het door [de vrouw] (hof: de vrouw) gestelde voor definitief akkoord in verrekening zoals hier gesteld’.
3.7
De vrouw heeft het samenlevingscontract opgezegd bij brief van 20 november 2018, maar daarna is de relatie hervat. Bij brief van 14 oktober 2020 heeft de vrouw opnieuw het samenlevingscontract opgezegd.
3.8
Partijen hebben vervolgens twee gezamenlijke kennissen, de heren [naam 1] en [naam 2] (hierna: de gemandateerden), gevraagd om hen te begeleiden bij de financiële en vermogensrechtelijke afwikkeling van hun samenleving.
3.9
Op 7 maart 2021 hebben partijen met behulp van de gemandateerden een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) gesloten met – voor zover van belang – de volgende inhoud:
(…)
Nemen het volgende in aanmerking:
1. Partijen vormen sinds najaar 2006 een affectieve relatie en hebben de betekenis hiervan vastgelegd in een samenlevingsovereenkomst dd. 07.10.2008. (…)
2. Partijen zijn van mening dat hun relatie duurzaam is ontwricht en zijn voornemens op die grond hun samenleving te ontbinden. Ze hebben met hulp van derden met elkaar overleg gepleegd omtrent:
3. De relevante gezamenlijke vermogensbestanddelen, omschreven in de zijnde:
- Onroerende zaak, het woonhuis, opstallen en tuinen met adres: [A-straat] , [plaats B] ; ieder der partijen voor een gelijkelijk belang van 50%. De totale aankoopkosten bedroegen € 1.450.000 inclusief stichtingskosten- en hypotheek kosten.
- Roerende zaken en inboedelgoederen bestaande uit onder andere meubelen, inventaris, auto’s en een kunstcollectie; gedeeltelijk beschreven in de bijlage ‘boedelbeschrijving’ en verder tussen partijen nader vast te stellen voor wat betreft deze niet zijn beschreven.
- Financiële overzichten conform [de vrouw] haar opstelling van door partijen gedane betalingen voor gezamenlijke rekening waaronder de post ‘zwevende ton’; welke feitelijk een bedrag van € 95.007 zegge vijf en negentigduizend en zeven euro bedraagt: hierna te noemen ‘zwevende ton’.
Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
-Onroerende zaak: het woonhuis, opstallen en tuinen zal worden verkocht aan een derde voor het beste bod in huidige staat.
Partijen spannen zich in om het woonhuis, opstallen en tuinen in optimale verkoopstaat te brengen zonder dat dit enig invloed heeft op de voortgang van het verkoopprocedure. Om de verkoopprocedure adequaat en efficiënt te laten verlopen zullen partijen de navolgende personen mandateren:
[naam 1] (…)
[naam 2] (…)
- Deze gemandateerden treden uitdrukkelijk op namens de verkopende partijen, opereren op basis van het ‘vier ogen principe’ en zullen in onderling overleg een lokale makelaar inschakelen om de verkoopprocedure uit te voeren.
(…)
- De gemandateerden zullen de makelaar vragen hoe het woonhuis op korte termijn ‘verkoop klaar’ te maken is en toezien op de uitvoering en voortgang door partijen en eventuele derden hiervan.
- Eventuele kosten verband houdend met het verkoop klaar maken van het woonhuis en onderhoud van de tuin zullen betaald worden door [de vrouw] op eerste verzoek van gemandateerden. Deze eventuele kosten maken onderdeel uit van de afrekening.
(…)
- De gemandateerden zullen uitdrukkelijk toezien op de afrekening van deze onroerende zaak verkoop, waarbij partijen onder verrekening van ieders ingelegde gelden, afdracht hypothecaire verplichtingen, persoonlijke verplichting van [de man] aan [de vrouw] zijnde de ‘zwevende ton’, makelaars- en notariskosten de verwachte meeropbrengst gelijkelijk op 50-50 basis krijgen toegekend.
(…)
- [de vrouw] zal gedurende de verkoopprocedure het woonhuis bewonen op een verkoopbevorderende wijze; dit op eventuele aanwijzing van gemandateerden.
- [de vrouw] zal, vanaf de datum van ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst, alle kosten zoals hypotheeklasten, GLW, verzekeringen, leges, aanschrijvingen etc. voor haar rekening nemen.
(…)
-Inboedelgoederen: [de man] is in hoofdlijnen akkoord met de door [de vrouw] opgestelde de boedelbeschrijving en toekenningen, maar partijen zullen, gezien de korte termijn, nog nader in overleg treden om tot een meer complete en definitieve toekenning te komen.
(…)
-Financiën: partijen verlenen elkaar over en weer 'finale kwijting' wat betreft alle financiële posten 'over en weer', behalve wat betreft 'de zwevende ton' en uitstaande inkomsten belasting.
- De 'zwevende ton' betreft een bedrag van € 95.007 welke op instructie van [de vrouw] destijds op de bankrekening van [de man] is gehouden en die abusievelijk nog niet is verrekend met [de vrouw] .
- [de man] hecht eraan om deze oude morele verplichting, zonder rente component, alsnog na te komen aan [de vrouw] en bevestigt dat deze onderdeel is van de afrekening van de nu nog gezamenlijke onroerend zaak.
(…)
- Inkomsten belastingteruggaves en schulden worden als gezamenlijke schuld afgedaan.
4. Partijen maken gebruik van hetzelfde accountantskantoor voor het doen van de individuele en gezamenlijke belastingaangiften. Partijen zullen er op toezien dat het individuele en gezamenlijke proces om hiertoe te komen, alsmede de communicatie met de vertegenwoordiger van het accountantskantoor en de aangiften zelf, tot en met het jaar 2021, correct op de gebruikelijke wijze en volgens planning verlopen. In deze lijn zullen partijen in overleg treden met de vertegenwoordiger van het accountantskantoor om in fiscale zin tot een correct en adequate beëindiging van de samenlevingsovereenkomst te komen.
5. (…).”
3.1
De gemandateerden hebben de vrouw op 13 februari 2022 als bijlage bij een e-mail een concept notariële volmacht gestuurd ter bespreking. Artikel 3 van Pro de concept notariële volmacht luidt als volgt:
Artikel 3 Verdeling Pro van de opbrengst van de onroerende zaak en financiële posten
De minimale bruto verkoopopbrengst van [A-straat] wordt bepaald op één miljoen achthonderdduizend euro (€ 1.800.000,00).
De verdeling van de opbrengst aan de volmachtgevers wordt in twee delen gesplitst.
Deel 1betreft de totale aankoopprijs van één miljoen vierhonderdvijftigduizend euro (€ 1.450.000,00) uit tweedduizendacht.
Hiermee zal de Obvion hypotheek moeten worden afgelost, thans een bedrag van vierhonderddrieënzeventigduizend zevenhonderdvijftig euro (€ 473.750,00).
Voorts zullen ieders ingelegde gelden worden terugbetaald.
De inleg van de heer [de man] bedroeg tweehonderdvijfentwintigduizend tweehonderdvijfenzeventig euro (€ 225.275,00).
[de vrouw] ontvangt haar inleg van driehonderdduizend euro (€ 300.000,00) vermeerderd met de stichtingskosten van éénentwintigduizend vijfhonderdvierendertig euro (€ 21.534,00), voorts de door haar verrichte aflossing op de Obvion hypotheek van driehonderdzesentachtigduizend zevenhonderdvijftig euro (€ 386.750,00), derhalve in totaal zevenhonderdachtduizend tweehonderdvierentachtig euro (€ 708.284,00).
Er resteert van deel 1 dan nog tweeënveertigduizend zeshonderdéénennegentig euro (€ 42.691,00). Dit bedrag wordt ook aan [de vrouw] uitbetaald ter schikking en finale kwijting van alle uitstaande financiële “over en weer” posten, waaronder auto’s, uitstaande inkomstenbelasting en inboedel.
De finale kwijting van partijen over en weer betreft dus zowel de partiële verdeling van de verkoopopbrengst van de woning en de afwikkeling van de inboedel verdeling.
Deel 2betreft de verwachte netto meeropbrengst na betaling van makelaars- en notariskosten boven één miljoen vierhonderdvijftigduizend euro (€ 1.450.000,00). Die wordt gelijkelijk op fifty-fifty basis verdeeld.
3.11
De vrouw heeft voormelde concept notariële volmacht niet getekend. Bij e-mail van 14 februari 2022 heeft de vrouw haar commentaar op de concept notariële volmacht weergegeven en haar volmacht aan de gemandateerden ingetrokken.
3.12
De vrouw heeft een woning in [plaats A] gekocht en op 1 juli 2022 geleverd gekregen. Voor de financiering van de aankoop van deze woning heeft de vrouw een overbruggingskrediet afgesloten ter hoogte van € 545.893,- met een geldigheidsduur van één jaar. Zij heeft op 5 juli 2022 de gezamenlijke woning in [plaats B] verlaten en is verhuisd naar de woning in [plaats A] .
3.13
Bij vonnis in kort geding van 19 augustus 2022 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland onder meer het volgende overwogen:
(…)
Verdeling van de verkoopopbrengst van de woning (…)
4.18.
De voorzieningenrechter constateert dat partijen het er over eens zijn (…) dat uit de verkoopopbrengst van de woning tenminste aan [de vrouw] moet worden uitgekeerd:
- de inleg van [de vrouw] (ter hoogte van € 300.000,-);
- de ‘zwevende ton’ (het bedrag van € 95.007,-);
- de helft van de verkoopopbrengst van de woning die resteert na aftrek van:
• de hypothecaire geldlening (€ 473.750,-),
• de makelaars- en notariskosten,
• de inleg van [de vrouw] (€ 300.000,-),
• de inleg van [de man] (€ 225.275,-) en
• de ‘zwevende ton’ (€ 95.007,-).
4.19.
Omdat [de man] de aanspraken van [de vrouw] op deze bedragen erkent, zal de voorzieningenrechter dit deel van de vorderingen van [de vrouw] toewijzen.
(…)
Gebruikers- en eigenaarslasten van de woning (…)
4.24. (…)
In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat [de vrouw] gedurende de verkoopprocedure de woning zal bewonen op een verkoop bevorderende wijze. Daaruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat het [de vrouw] verboden is de woning te verlaten. De voorzieningenrechter leest hierin dat [de vrouw] het recht heeft om in de woning te wonen en dat als zij daarvan gebruik maakt, zij dat moet doen op een wijze die de verkoop bevordert. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de vrouw] daarom niet de vaststellingsovereenkomst geschonden door te verhuizen naar de woning in [plaats A] .
4.25.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen rechtvaardiging voor het standpunt van [de man] dat [de vrouw] de gebruikerslasten van de woning volledig moet dragen. De bepaling in de vaststellingsovereenkomst die daarop betrekking heeft, gaat uit van de veronderstelling dat [de vrouw] de woning met uitsluiting van [de man] bewoont. Nu daarvan geen sprake meer is sinds 5 juli 2022, is de voorzieningenrechter van oordeel dat partijen de gebruikerslasten gezamenlijk moeten dragen met ingang van 5 juli 2022 tot en met de datum van levering van de woning aan een koper. De eigenaarslasten van de woning komen eveneens voor rekening van beide partijen (ieder voor de helft).
3.14
De woning is op 21 juli 2023 verkocht en geleverd voor een koopsom, na verrekening van verschillende posten, van in totaal € 1.501.656,49 (nota van afrekening van de notaris d.d. 21 juli 2023, productie 43 bij de dagvaarding).

4.Eerste aanleg

4.1
De vrouw heeft in eerste aanleg, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de vrouw per saldo van de gerealiseerde verkoopprijs van de woning toekomt een bedrag van € 960.455,- en de man een bedrag van € 46.935,-, waarvan ook laatstgenoemd bedrag de vrouw toekomt ter gedeeltelijke voldoening van haar hierna geformuleerde vorderingen;
- de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de volgende bedragen:
a. a) de zwevende ton € 95.007,-
b) de belastingen/hypotheekrente € 47.629,-
c) de waarde van de auto’s € 31.000,-
d) 50% van de (verkoop)kosten 2021 € 4.048,-
e) 50% van de (verkoop)kosten 2022 € 3.660,-
f) 50% van de (verkoop)kosten 2023 € 2.162,-
g) AF: verrekenposten [de man] - € 5.596,-
totaal € 177.910,-, te vermeerderen met de over voornoemde bedragen verschuldigde wettelijke rente vanaf primair 7 maart 2021, subsidiair vanaf 14 juni 2023 en meer subsidiair de dag van de dagvaarding;
- de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van (a) een bedrag van € 125.000,- ter zake van de aan de man toerekenbare waardedaling van de woning, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2023, althans vanaf 21 juli 2023, althans vanaf de datum van de dagvaarding, en (b) een bedrag van primair € 19.174,- en subsidiair € 5.603,- ter zake van de aan de man toerekenbare kosten en rente voor het door de vrouw afgesloten overbruggingskrediet, te vermeerderen met de wettelijke rente over het primair en subsidiair gevorderde bedrag voor wat betreft de betaalde rente vanaf de datum van betaling van iedere afzonderlijke rentetermijn en voor de overige kosten vanaf de datum dat de betreffende kosten zijn gemaakt, althans zowel voor het primair als subsidiair gevorderde bedrag vanaf de dag van de dagvaarding, en (c) een bedrag van € 7.500,- ter zake van de aan de man toerekenbare ontruimingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2023, althans vanaf de dag van de dagvaarding;
- de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 3.422,92;
- de man te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, de beslagkosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.
4.2
De man heeft in eerste aanleg, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- partijen te veroordelen tot verdeling van de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning, in die zin dat de man daarvan een bedrag van € 626.387,31 ontvangt en de vrouw een bedrag van € 381.488,47;
- de vrouw te veroordelen tot afgifte van de familiering [de man] aan de man, afgifte van de schilderijen van Van Deventer (Ruïne van Brederode) en de Jan en Aris Knikker-schilderijen;
een en ander met compensatie van de proceskosten.
4.3
De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de netto verkoopopbrengst van € 1.007.640,74 de vrouw in totaal € 868.804,91 toekomt en de man € 138.835,83. Bij de berekening van deze bedragen heeft de rechtbank een aantal (financiële) vorderingen aan zowel de zijde van de vrouw als de man afgewezen. Ook de vordering van de man tot afgifte van de ring en een aantal schilderijen is afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.

5.Beoordeling

5.1
De vrouw heeft in principaal hoger beroep acht grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis voor zover daarbij het door haar in eerste aanleg gevorderde is afgewezen en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen met veroordeling van de man in de kosten in beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.
5.2
De man heeft in incidenteel hoger beroep zes grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis voor zover daarin zijn vorderingen tot verdeling van de verkoopopbrengst en toedeling van de door hem verzochte inboedelgoederen zijn afgewezen en opnieuw rechtdoende (samengevat):
- partijen te veroordelen tot verdeling van de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning, in die zin dat de man daarvan een bedrag van € 626.365,31 ontvangt en de vrouw een bedrag van € 381.510,47, althans ieder een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van hetgeen de man te veel heeft betaald aan de vrouw op basis van dat vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van ontvangst;
- de vrouw te veroordelen tot afgifte van de familiering [de man] aan de man, afgifte van de schilderijen van Van Deventer (Ruïne van Brederode) en de Jan en Aris Knikker-schilderijen;
- de vrouw te veroordelen om binnen één week na betekening over te gaan tot opheffing van de door haar in het kader van deze procedure gelegde conservatoire en executoriale beslagen alsmede tot opheffing van de blokkade op de BMW M5 op straffe van een dwangsom;
met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente.
5.3
Het hof zal in het navolgende voor zoveel mogelijk de grieven gezamenlijk behandelen.
De uitleg van de kwijtingsbepaling in de vaststellingsovereenkomst
(grieven 1, 3 en 4 in principaal hoger beroep)
Vooropstellingen bij de uitleg
5.4
De grieven 1, 3 en 4 van de vrouw zijn alle gericht tegen de uitleg die de rechtbank in het bestreden vonnis aan de kwijtingsbepaling in de vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2021 heeft gegeven. Volgens de vrouw heeft de rechtbank een onjuiste uitleg aan de vaststellingsovereenkomst gegeven en daardoor ten onrechte geoordeeld dat (i) alleen de aanslagen inkomstenbelasting 2020 en 2021 niet onder de finale kwijting vallen en (ii) dat zij geen aanspraak meer kan maken op vergoeding voor de aan de man toegedeelde auto’s.
5.5
Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof voorop dat het bij de uitleg van de vaststellingsovereenkomst aankomt op de zin die partijen aan de bepalingen van deze overeenkomst – en dus ook het daarin opgenomen kwijtingsbeding - over en weer mochten toekennen in het licht van de omstandigheden van het geval en op hetgeen zij te dien aanzien over en weer van elkaar mochten verwachten. Indien voor (een van de) partijen een tussenpersoon optrad, zal daarbij moeten worden uitgegaan van hetgeen zich tussen deze en de andere partij heeft afgespeeld en zal in het bijzonder moeten worden gelet op hetgeen die andere partij uit de verklaringen en gedragingen van die tussenpersoon heeft afgeleid en heeft mogen afleiden.
5.6
De vrouw heeft in het kader van de uitleg van de vaststellingsovereenkomst onder meer gewezen op de inhoud van haar opzeggingsbrief met bijlagen van 14 oktober 2020. In die opzeggingsbrief en de daarbij gevoegde bijlage 3 heeft zij een uitvoerig en onderbouwd overzicht gegeven van de vorderingen die zij op de man meende te hebben. Uit het verslag dat de gemandateerden op 4 augustus 2022 hebben gemaakt, volgt dat de gemandateerden over dit overzicht beschikten. Op pagina 8 van hun verslag schrijven zij immers (onderstreping door het hof): “
De finale kwijting zoals geformuleerd en door partijen getekend in de vaststellingsovereenkomst per 07.03.’21, geldt tot het moment van tekening en dus de hiervoor genoemde datum.Het betreft de totale opstelling zoals toen vanuit [de vrouw] voorlag (bijlage 05) en uit en te na met de gemandateerden is besproken.” Als bijlage 5 is de onderbouwing van de vorderingen van de vrouw gevoegd zoals die door haar als bijlage 3 bij haar opzeggingsbrief d.d. 14 oktober 2020 was gevoegd. De vrouw heeft in het kader van de uitleg van de vaststellingsovereenkomst bovendien gewezen op haar e-mail van 7 maart 2021 aan de gemandateerden. Deze e-mail dateert dus van kort vóór het opstellen en ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst. In deze e-mail schrijft de vrouw onder meer (onderstrepingen en dikgedrukte passages in oorspronkelijke tekst):

Beste [naam 1] en [naam 2] ,
Bijgaande opmerkingen verzoek ik jullie nog bij de opstelling van het voorstel te betrekken:
(…)
- De aanslagen IB zijn ook beslist eigen schulden: de IB is onder meer berekend over het eigen vermogen (dat op papier best aanzienlijk is) en de Voorlopige Aanslag IB 20218 ad€ 5.231dieikvoor hem heb betaald heefthijnota bene van de fiscus bij definitieve aanslagteruggekregen!
- er is teveel aan Voorlopige Teruggave ontvangen omdat de belastingadviseur altijd pas veel te laat en na heel veel uitstel de aangifte van [de man] kan indienen. Terugbetaling van€ 19.991is beslist eengezamenlijke schuld.
(…)
- Als de schulden voor de auto’s niet erkend worden, dan hebben de auto’s, als gezamenlijk eigendom, in deboedelscheidingmee te tellen.
De M5 is gezamenlijk eigendom, en door [de man] (volgens [naam 3] ) voor € 45.000 aan hem verkocht – te naam stelling vindt plaats, zodra [naam 3] alle deelbetalingen zal hebben verricht;
De grijze X5 is ingeruild voor (volgens [de man] ) € 2.000 en er is van de gezamenlijke rekening € 1.200 aan service/reparatie besteed, zodat er 3.200 in de nieuwe auto van A gezamenlijk is.
Ergo: gezamenlijk blik bezit: 48.200 en dus in het kader van de boedelscheiding mij toekomend: € 24.000.
5.7
Op grond van het voorgaande neem het hof als uitgangspunt dat de gemandateerden bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst wisten welke vorderingen de vrouw op de man stelde te hebben. In de e-mail van 7 maart 2021 heeft de vrouw bovendien duidelijk gemaakt dat zij – naast een vergoeding voor de door haar betaalde huishoudkosten zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst van 30 april 2016 – ook nog steeds vergoed wilde worden voor de door haar reeds betaalde belastingaanslagen en voor de toedeling van de auto’s aan de man. Volgens de vrouw heeft zij dit in de gesprekken met de gemandateerden ook telkens als haar standpunt naar voren gebracht. Dit heeft de man als zodanig ook niet bestreden. Zijn stelling is dat partijen met de afspraken in de vaststellingsovereenkomst en de daarin opgenomen kwijtingsbepaling een alomvattende regeling hebben willen treffen, waarbij de vrouw – tegenover haar hogere aanspraak op de overwaarde van de woning – aan de man finale kwijting verleende voor alle aanspraken die zij op de man pretendeerde te hebben, dus ook voor de door haar betaalde belastingaanslagen en de verdeling van de auto’s. Dit is ook de uitleg die de gemandateerden verdedigen. Vast staat bovendien dat de vrouw en de man bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst geen direct overleg met elkaar hebben gehad. De vrouw had alleen contact met de gemandateerden en de gemandateerden hadden op hun beurt contact met de man.
5.8
De vraag is vervolgens hoe, gegeven de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, de afspraken in de vaststellingsovereenkomst begrepen moeten worden; mocht de vrouw redelijkerwijs erop vertrouwen dat de man aan haar nog een bedrag zou betalen in het kader van de toedeling van de auto’s en de afwikkeling van de belastingen, of mocht de man redelijkerwijs erop vertrouwen dat hij uit dien hoofde geen bedrag aan de vrouw verschuldigd was en dat zij hem ook voor deze vorderingen finale kwijting verleende? Het hof zal deze vraag hierna eerst voor de auto’s beoordelen en daarna voor de belastingen.
Uitleg ten aanzien van de auto’s
5.9
Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de auto’s grotendeels de uitleg van de vrouw gevolgd dient te worden. Hiervoor acht het hof het volgende van belang.
De vrouw vindt dat zij nog recht heeft op verrekening/betaling van de waarde van een drietal auto’s. Het betreft een BMW M5, een BMW X5, en een BMW Z3 Cabrio. De eerste twee auto’s waren gezamenlijk eigendom van partijen, en de derde auto was eigendom van de vrouw. Volgens de vrouw dient de man uit hoofde van toedeling van de BMW M5 een bedrag van € 19.000,- te betalen, uit hoofde van toedeling van de BMW X5 een bedrag van € 2.000,- en uit hoofde van overdracht van de BMW Z3 Cabrio een bedrag van € 10.000,-. In totaal zou de man aan de vrouw dus een bedrag van € 31.000,- verschuldigd zijn. Daarbij heeft de vrouw mede verwezen naar de afspraken die partijen in april 2019 over de auto’s hebben gemaakt.
5.1
Zoals hiervoor reeds aangegeven, heeft de vrouw in haar opzeggingsbrief van 14 oktober 2020, de daarbij gevoegde bijlage 3, en in haar e-mailbericht aan de gemandateerden van 7 maart 2021 duidelijk gemaakt welke vorderingen zij op de man meende te hebben. Daarbij heeft zij ook telkens de BMW M5 en de BMW X5 genoemd. In de opzeggingsbrief van 14 oktober 2020 heeft de vrouw over de BMW M5 en BMW X5 het volgende geschreven:

Inboedel / gezamenlijke goederen
(…)
NB:
(…)
- Over de in gezamenlijke eigendom behorende BMW M5 is tussen ons begin 2019 een afspraak gemaakt en er is door jou al deels uitvoering aan die afspraak gegeven. De waarde is bepaald op 38.000 euro en voor dat bedrag is de M5 door jou van mij overgenomen. Door jou is de M5 vervolgens ter beschikking gesteld aan [naam 3] . De betaling van het verschuldigde bedrag ad 19.000 euro aan mij heeft evenwel nog steeds niet plaatsgehad (zie ook: bijlage 3 vorderingen).
- De in gezamenlijke eigendom behorende BMW X5 had deze zomer volgens jou een waarde van circa 6.000 euro. Gelet op de recente schade zal nu circa 4.000 Euro reëel zijn. Jij wilt die auto graag blijven rijden en hij kan voor dat bedrag aan jou worden toegescheiden, zodat aan mij toekomt: 2.000 euro (zie ook: bijlage 3 vorderingen).”
In bijlage 3 van de opzeggingsbrief is het volgende over de auto’s vermeld (dikgedrukte en onderstreepte passages in oorspronkelijke tekst, met M wordt de vrouw bedoeld, met A de man):

VorderingenBijlage 3.
Vorderingen van M op A:
(…)10.767
(…)178.104
BMW M5 (cfm overeengekomen)19
BMW X5 (huidige waarde 4.000)2
(…)95.007
(…)26.001
(…)9.995
(…)2.758 + PM+
TOTAAL: 343.632 + PM
Toelichting:
(…)
CBMW M519
In het kader van de mediation hebben we overleg gehad over de waarde van de M5 en deze is in onderling overleg bepaald op (ten minste) 38.000 euro, en A heeft toegezegd19aan M te betalen. A gaat de auto doorverkopen; M maakt geen aanspraak op een daarbij te realiseren meeropbrengst.”
DBMW X52
A wil de auto blijven gebruiken. Uitgaande van de recente vrijblijvende taxaties en de nadien nog opgelopen schade, in redelijkheid bepaald op 4.000 euro, zodat M toekomt:2.”
In haar e-mailbericht van 7 maart 2021 aan de gemandateerden heeft de vrouw over de auto’s het volgende geschreven (zie ook rechtsoverweging 5.6 hiervoor):

- Als de schulden voor de auto’s niet erkend worden, dan hebben de auto’s, als gezamenlijk eigendom, in deboedelscheidingmee te tellen.
De M5 is gezamenlijk eigendom, en door [de man] (volgens [naam 3] ) voor € 45.000 aan hem verkocht – te naam stelling vindt plaats, zodra [naam 3] alle deelbetalingen zal hebben verricht;
De grijze X5 is ingeruild voor (volgens [de man] ) € 2.000 en er is van de gezamenlijke rekening € 1.200 aan service/reparatie besteed, zodat er 3.200 in de nieuwe auto van A gezamenlijk is.
Ergo: gezamenlijk blik bezit: 48.200 en dus in het kader van de boedelscheiding mij toekomend: € 24.000.”
5.11
In haar opzeggingsbrief van 14 oktober 2020, de bijgevoegde bijlage 3 (toelichting vorderingen) en het e-mailbericht aan de gemandateerden van 7 maart 2021 wordt de BMW Z3 Cabrio
nietdoor de vrouw genoemd. Deze komt wel terug op de inboedellijst die de vrouw als bijlage 2 bij haar opzeggingsbrief heeft gevoegd. Daar wordt deze als eigendom van de vrouw gekwalificeerd en wordt er geen bedrag/waarde aan gekoppeld. Dat is anders voor de BMW M5 en de BMW X5. Deze worden ook op de inboedellijst genoemd, maar worden door de vrouw als mede-eigendom gekwalificeerd. Daarbij heeft de vrouw ook de eerder genoemde waarden van deze auto’s genoemd (een bedrag van € 38.000,- respectievelijk € 4.000,-).
5.12
In de vaststellingsovereenkomst zijn onder punt 3 de relevante gezamenlijke vermogensbestanddelen opgesomd. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen (i) de onroerende zaak (de woning), (ii) roerende zaken en inboedelgoederen ‘bestaande uit onder andere meubelen, inventaris, auto’s en een kunstcollectie’ en (iii) financiële overzichten ‘conform [de vrouw] haar opstelling van door partijen gedane betalingen voor gezamenlijke rekening, waaronder de post ‘zwevende ton’’. Deze driedeling in onderwerpen komt ook terug in hetgeen vervolgens in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen vanaf “
Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:”. Ieder onderwerp wordt daarbij geïntroduceerd met vetgedrukte tekst, te weten: ‘
onroerende zaak’, ‘
inboedelgoederen’ en ‘
financiën’, waarna onder verschillende gedachtestreepjes de afspraken volgen die op dat onderdeel zijn gemaakt. Bij het onderwerp ‘inboedel’ is het volgende openomen (dikgedrukte passage in oorspronkelijke tekst):

-Inboedelgoederen: [de man] is in hoofdlijnen akkoord met de door [de vrouw] opgestelde de boedelbeschrijving en toekenningen, maar partijen zullen, gezien de korte termijn, nog nader in overleg treden om tot een meer complete en definitieve toekenning te komen.
- (…)”
Aan de vaststellingsovereenkomst is vervolgens de inboedellijst gehecht die de vrouw als bijlage 2 bij haar opzeggingsbrief dd. 14 oktober 2020 had gevoegd.
5.13
De finale kwijting waar de man zich (ook ten aanzien van de auto’s) op beroept, is opgenomen bij het deelonderwerp ‘
Financiën’. Letterlijk is hierover in de vaststellingsovereenkomst opgenomen, voor zover in dit verband relevant (dikgedrukte passage in oorspronkelijke tekst):
“-Financiën: partijen verlenen elkaar over en weer ‘finale kwijting’ wat betreft alle financiële posten ‘over en weer’, behalve wat betreft ‘de zwevende ton’ en uitstaande inkomstenbelasting.”
5.14
Op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat de vrouw redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat de man aan de vrouw nog haar aandeel in de eerder overeengekomen waarde van de BMW M5 en BMW X5 zou betalen. De vrouw heeft deze auto’s expliciet genoemd in haar opzeggingsbrief d.d. 14 oktober 2020, het daarbij als bijlage 3 gevoegde overzicht van vorderingen én in haar e-mail aan de gemandateerden van 7 maart 2021. Bovendien zijn deze auto’s - met daarbij de eerder overeengekomen waarde - opgenomen in de inboedellijst waaraan in de vaststellingsovereenkomst wordt gerefereerd, en die als bijlage aan die overeenkomst is gehecht. Anders dan de man heeft gesteld, heeft de vrouw hem voor de door hem voor de BMX M5 en BMW X5 verschuldigde bedragen geen finale kwijting verleend en mocht hij daar ook niet redelijkerwijs van uitgaan. De bepaling over de finale kwijting is immers opgenomen bij het deelonderwerp ‘
Financiën’, terwijl in de vaststellingsovereenkomst de deelonderwerpen woning, roerende zaken en financiën duidelijk van elkaar zijn onderscheiden. Daarin zijn de auto’s niet onder de post ‘Financiën’ genoemd, maar onder de post ‘Roerende zaken en inboedelgoederen’ (zie rechtsoverweging 5.12 hiervoor). Daarnaast is van belang dat de vrouw direct voorafgaand aan het opmaken van de vaststellingsovereenkomst richting de gemandateerden nog duidelijk aanspraak maakte op vergoeding van haar aandeel in de waarde van de BMW M5 en BMW X5. Ook daarom mocht de man niet ervan uitgaan dat de vrouw redelijkerwijs moest begrijpen dat de finale kwijting ook op de financiële afwikkeling van deze beide auto’s betrekking had. Daaraan doet niet af dat partijen met de regeling in de vaststellingsovereenkomst een alomvattende regeling wilden treffen, zoals de man heeft gesteld. Dat partijen een alomvattende regeling wilden treffen, staat niet ter discussie. Waar het in dit geval echter om gaat, is wat die algehele regeling precies inhield. Tegenover de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, heeft de man onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat de vrouw redelijkerwijs moest begrijpen dat de finale kwijting ook op nog niet betaalde bedragen voor de BMW M5 en BMW X5 betrekking had. Om die reden zal ook het bewijsaanbod van de man worden gepasseerd, waarbij bovendien niet duidelijk is of dat bewijsaanbod ook is gericht op de wijze van totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst en de uitleg daarvan. Verder heeft de man niet toegelicht wat de gemandateerden als getuigen zouden kunnen toevoegen aan hetgeen zij schriftelijk (mede daarover) reeds hebben verklaard.
5.15
Hetgeen hiervoor is overwogen, geldt evenwel niet voor de BMW Z3 Cabrio. Deze heeft de vrouw immers noch in haar opzeggingsbrief van 14 oktober 2020, noch in bijlage 3 bij die opzeggingsbrief genoemd (overzicht vorderingen). Evenmin heeft zij deze auto genoemd in haar e-mailbericht aan de gemandateerden van 7 maart 2021. Tot slot is de BMW Z3 Cabrio weliswaar in de door vrouw gemaakte inboedellijst genoemd, maar is deze – anders dan de BMW M5 en BMW X5 – op die lijst als enig eigendom van de vrouw aangeduid en is daaraan geen waarde gekoppeld. Blijkbaar waren partijen het wel erover eens dat de man de eigendom van deze auto zou krijgen. De vrouw heeft immers geen afgifte van de auto gevorderd. Gelet op de hiervoor gestelde omstandigheden, mocht de man redelijkerwijs ervan uitgaan dat de vrouw in het kader van een algehele regeling geen aanspraak meer maakte op betaling van een bedrag voor de overname van de BMW Z3 Cabrio.
5.16
Het voorgaande betekent dat de vordering van de vrouw ten aanzien van de auto’s alsnog gedeeltelijk zal worden toegewezen, en dat de man uit hoofde van de in de vaststellingsovereenkomst neergelegde afspraken aan de vrouw nog een bedrag van € 21.000,- ter zake de verdeling van de auto’s dient te betalen. Grief 1 en grief 4 slagen in zoverre.
Uitleg ten aanzien van de belastingen
5.17
Met betrekking tot de uitleg van de vaststellingsovereenkomst ten aanzien van de belastingen, oordeelt het hof als volgt. In de opzeggingsbrief van 14 oktober 2020, de daarbij gevoegde bijlage 3, alsmede de e-mail aan de gemandateerden van 7 maart 2021 heeft de vrouw ook op deze posten gewezen. In haar opzeggingsbrief van 14 oktober 2020 heeft de vrouw over de belastingen geschreven (dikgedrukte en onderstreepte passages in oorspronkelijke tekst):

Vorderingen
Jij hebt geen vorderingen op mij.
Ik heb zoals bekend wel een aantal vorderingen op jou. Deze zijn in de afgelopen jaren vele malen aan je (schriftelijk) voorgehouden en met je besproken, o.a. bij het overeenkomen van de Vaststellingsovereenkomst en bijvoorbeeld op 08.04.19. Jij hebt telkens betaling op (lange) termijn toegezegd. Ik vorder nu formeel betaling van het mij opeisbaar toekomende.
Het totaal van mijn vorderingen op jou beloopt op dit moment:343.632 + PM
Voor specificatie en toelichting verwijs ik naarbijlage 3.
Ik behoud mij het recht voor mijn vorderingen aan te passen cq uit te breiden.
Betaling middels verrekening cq. in termijnen is bespreekbaar.”
In bijlage 3 bij haar opzeggingsbrief (overzicht van vorderingen) heeft de vrouw het volgende over de belastingen vermeld (dikgedrukte en onderstreepte passages in oorspronkelijke tekst) :

VorderingenBijlage 3.
Vorderingen van M op A:
(…)10.767
(…)178.104
(…)19
(…)2
(…)95.007
Voor [de man] voorgeschoten IB aanslagen 2015, 2016, 201826.001
50% van te veel ontvangen voorlopige teruggaven hyp 2018-20209.995
(…)2.758 +PM
+
TOTAAL: 343.632 + PM
Toelichting:
(…)
FDe voorgeschoten belasting-aanslagen A26
Over de jaren 2009 t/m 2014 zijn er alleen belasting teruggaven geweest.
Die belastingteruggaven over al die jaren zijn ten goede gekomen aan de e/o rekening en derhalve aan de gezamenlijke huishouding,
Dit, m.u.v. de teruggave IB 2009: op verzoek van A is 2.600 euro i.v.m. zijn operatie in België (aftrek ziektekosten) op privé-rek. A gestort (27.03.17).
M.i.v. 2015 zijn er aanslagen IB opgelegd aan M en aan A.
Alle aanslagen ten name van A zijn door M privé betaald/voorgeschoten voor A.
M maakt aanspraak op terugbetaling door A van deze opeisbare bedragen.
Aanslagen IB tnv [de man]
IB 2015 (30.11.16) 13.472
IB 2016 (15.11.17) 7.298
VA 2018 (28.02.18) 5.231
+
26.001
GTe veel ontvangen voorlopige teruggave Hypotheek 2018-20209.995
M heeft privé aan de fiscus terugbetaald/voorgeschoten voor A de op
de e/o/ rekening gezamenlijk te veel ontvangen voorlopige teruggave hypotheek aftrek.
M maakt aanspraak op terugbetaling door A van 50% en heeft daarom opeisbaar te vorderen:
2018 (24.02.20) 9.762
2019 (29.03.20) 9.229
2020 (31.03.20) 1.000
+
19.991 (:2=
9.995,50
5.18
In haar e-mailbericht van 7 maart 2021 aan de gemandateerden heeft de vrouw over de belastingen het volgende aangegeven (zie ook rechtsoverweging 5.6 hiervoor):
“(…)
- De aanslagen IB zijn ook beslist eigen schulden: de IB is onder meer berekend over het eigen vermogen (dat op papier best aanzienlijk is) en de Voorlopige Aanslag IB 2018 ad€ 5.231dieikvoor hem heb betaald heefthijnota bene van de fiscus bij definitieve aanslagteruggekregen!
- er is teveel aan Voorlopige Teruggave ontvangen omdat de belastingadviseur altijd pas veel te laat en na heel veel uitstel de aangifte van [de man] kan indienen. Terugbetaling van€ 19.991is beslist eengezamenlijkeschuld.
(…).
5.19
In de vaststellingsovereenkomst is onder het kopje ‘
Financiën’ het volgende opgenomen:
“(…)
-Financiën: partijen verlenen elkaar over en weer ‘finale kwijting’ wat betreft alle financiële posten ‘over en weer’, behalve wat betreft ‘de zwevende ton’ en uitstaande inkomstenbelasting.
- de ‘zwevende ton’ betreft een bedrag van € 95.007 welke op instructie van [de vrouw] destijds op de bankrekening van [de man] is gehouden en die abusievelijk nog niet is verrekend met [de vrouw] .
[de man] hecht eraan om deze oude morele verplichting, zonder rente component, alsnog na te komen aan [de vrouw] en bevestigt dat deze onderdeel is van de afrekening van de nu nog gezamenlijke onroerende zaak.
- (…)
- Inkomsten belastingteruggaven en schulden worden als gezamenlijke schuld afgedaan.
4. Partijen maken gebruik van hetzelfde accountantskantoor voor het doen van de individuele en gezamenlijke belastingaangiften. Partijen zullen er op toezien dat het individuele en gezamenlijke proces om hiertoe te komen, alsmede de communicatie met de vertegenwoordiger van het accountantskantoor en de aangiften zelf, tot en met het jaar 2021, correct op de gebruikelijke wijze en volgens planning verlopen. In deze lijn zullen partijen in overleg treden met de vertegenwoordiger van het accountantskantoor om in fiscale zin tot een correct en adequate beëindiging van de samenlevingsovereenkomst te komen.”
5.2
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en de man heeft gesteld, is het hof van oordeel dat uit deze tekst van de vaststellingsovereenkomst niet zonder meer volgt dat partijen elkaar (ook) finale kwijting hebben verleend ter zake de belastingen voor zover het niet de op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog te betalen belastingaanslagen over de jaren 2020 en 2021 betreft. Deze tekst moet immers worden bezien in het licht van hetgeen partijen rondom de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst over en weer hebben verklaard en hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten (zie r.o. 5.5. hiervoor). Daarbij zijn de hiervoor geciteerde inhoud van de opzeggingsbrief van 14 oktober 2020, de daarbij gevoegde bijlage 3 (overzicht vorderingen) en de e-mail aan de gemandateerden van 7 maart 2021 van belang. Daaruit volgt dat de vrouw tot aan het moment van opstellen van de vaststellingsovereenkomst vasthield aan al haar vorderingen op de man ter zake de belastingen. Daarbij heeft zij de door haar reeds betaalde aanslagen in verband met teveel ontvangen voorlopige teruggave (post G in bijlage 3 van de vrouw) in haar e- mailbericht van 7 maart 2021 aangeduid als ‘gezamenlijke schuld’ (zie rechtsoverweging 5.18 hiervoor). De term ‘gezamenlijke schuld’ komt ook terug in de vaststellingsovereenkomst, waarin is opgenomen: “
- Inkomsten belastingteruggaven en schulden worden als gezamenlijke schuld afgedaan.” (zie rechtsoverweging 5.19 hiervoor).
5.21
Naar het oordeel van het hof is verder relevant dat de vrouw heeft gesteld dat in de gesprekken met de gemandateerden (alleen) haar vordering uit hoofde van de huishoudkosten en de vordering(en) die de man daartegenover stelden als ‘vorderingen over en weer’ werden aangeduid. Dit is door de man niet (voldoende) betwist. Dat in de tekst van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen: “partijen verlenen elkaar over en weer ‘finale kwijting’ wat betreft alle financiële posten ‘over en weer’, betekent in dat licht bezien dus nog niet dat de vrouw redelijkerwijs moest begrijpen dat de finale kwijting ook op alle andere vorderingen zag die zij op de man stelde te hebben en die zij in haar e-mailbericht van 7 maart 2021 nog eens expliciet onder de aandacht van de gemandateerden had gebracht. Onder deze omstandigheden hebben ook de woorden ‘uitstaande inkomstenbelastingen’ die in de vaststellingsovereenkomst worden gebruikt geen doorslaggevende betekenis ten faveure van de uitleg die de man aan de afspraken in de vaststellingsovereenkomst geeft. Het woord ‘uitstaande’ kan in dat verband immers ook zo worden begrepen dat het tussen partijen nog niet verrekende belastingenaanslagen en -teruggaven betrof (en in die zin tussen partijen dus nog ‘uitstaand’). De vrouw heeft ook op deze uitleg van de woorden ‘uitstaand’ gewezen. Het hof weegt in zijn beoordeling ten slotte nog mee dat ook uit de tekst van punt 4 van de vaststellingsovereenkomst niet zonder meer de door de man voorgestane uitleg volgt. De vrouw heeft daarbij terecht erop gewezen dat in punt 4 niet alleen wordt gesproken over de aangiften 2020 en 2021, maar over de aangiften
tot en methet jaar 2021 (en dus mogelijk ook over de jaren voor 2020 en 2021). Daarnaast is in de laatste zin van punt 4 opgenomen dat partijen in overleg zullen treden met de vertegenwoordiging van het accountantskantoor om in fiscale zin tot een correcte en adequate beëindiging van de samenlevingsovereenkomst te komen. Ook dit kan zo worden begrepen, dat er nog een afwikkeling over alle door de vrouw gestelde jaren moest komen.
5.22
Op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat de vrouw redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat de regeling en finale kwijting die partijen overeenkwamen, niet inhield dat er geen verrekening van belastingaanslagen en belastingteruggaven van vóór 2020 meer zou hoeven plaats te vinden. De vrouw heeft tot kort voor het opstellen/ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst aan deze vorderingen vastgehouden en de tekst van de vaststellingsovereenkomst biedt onvoldoende aanknopingspunten om ervan te kunnen uitgaan dat de vrouw redelijkerwijs moest begrijpen dat zij met de finale kwijting desondanks toch haar aanspraken jegens de man prijsgaf. Daarbij komt dat de man geen andere feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de vrouw redelijkerwijs moest begrijpen dat de finale kwijting ook betrekking had op de belastingen vóór 2020. Dat dit wel de bedoeling was van de man en de gemandateerden, die in hun verslag van 4 augustus 2022 op pagina 8 vermelden dat de finale kwijting tot het moment van tekening geldt en de totale opstelling van de vrouw betreft, is daarvoor onvoldoende. Waar het immers om gaat, is dat de vrouw dit ook redelijkerwijs heeft moeten begrijpen. Dat het daadwerkelijk de bedoeling was van de gemandateerden strookt overigens ook niet met de a-mail van [naam 1] van 24 juni 2021 waarin hij schrijft:
“Over financiën gesproken: belastingen, auto’s en verkoopkosten (…) moeten we bij verkoop verrekenen.”Tegenover alle feiten en omstandigheden die de vrouw heeft aangevoerd, heeft de man onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat de finale kwijting ook betrekking had op de belastingen vóór 2020. Om die reden zal ook zijn bewijsaanbod worden gepasseerd. Daarbij is bovendien niet duidelijk of dat bewijsaanbod ook is gericht op de wijze van totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst en de daarmee verband houdende uitleg daarvan. Voorts heeft de man niet toegelicht wat de gemandateerden als getuigen zouden kunnen toevoegen aan hetgeen zij schriftelijk reeds hebben verklaard.
5.23
Het voorgaande betekent dat de man aan de vrouw nog een bedrag verschuldigd is ter zake belastingen. Daarbij is dan nog wel de vraag of het volledige bedrag kan worden toegewezen dat de vrouw in dat kader van de man heeft gevorderd. De vrouw heeft in totaal een bedrag van € 47.629,- van de man gevorderd. Dat bedrag heeft zij gebaseerd op een berekening die de heer [naam 4] in december 2021 heeft gemaakt. Deze berekening heeft zij als productie 34 in geding gebracht. De heer [naam 4] is de (voormalig) fiscalist van partijen. Hij heeft berekend dat de man uit hoofde van belastingaanslagen en -teruggaven over de periode vanaf 2016 tot en met 2020 aan de vrouw per saldo een bedrag van € 33.052,- dient te betalen om tot een gelijke verdeling te komen. De man heeft tegen deze berekening inhoudelijk geen verweer gevoerd (hij heeft slechts betwist dat heer [naam 4] in opdracht van de gemandateerden zou hebben gehandeld en gesteld dat de heer [naam 4] jegens hem onrechtmatig gehandeld heeft). Het hof zal daarom uitgaan van het bedrag van € 33.052,- dat de vrouw op basis van de berekeningen van de heer [naam 4] heeft genoemd. In de berekening van de heer [naam 4] is echter ook een bedrag van € 14.577,- genoemd dat de man aan de vrouw verschuldigd zou zijn omdat hij niet de helft van de hypotheekrente zou hebben gedragen. Ook dit bedrag vordert de vrouw thans van de man. Het hof zal dit deel van de vordering van de vrouw afwijzen. In haar opzeggingsbrief van 14 oktober 2020, het daarbij als bijlage 3 gevoegde overzicht van vorderingen, en in haar e-mailbericht van 7 maart 2021 aan de gemandateerden heeft de vrouw deze verrekenpost niet genoemd. Aldus mocht de man er redelijkerwijs van uitgaan dat dit bedrag (zo al terecht door de vrouw opgevoerd) zou vallen onder de finale kwijting die in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen. Dit bedrag kan de vrouw dus niet meer van de man vorderen.
5.24
Het voorgaande betekent dat de vordering van de vrouw ten aanzien van belastingen gedeeltelijk zal worden toegewezen en dat de man ter zake de verrekening van de belastingen aan de vrouw nog een bedrag van € 33.052,- dient te betalen. In zoverre slagen grief 1 en grief 3 van de vrouw. De vrouw heeft in haar grief 3 ook nog aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte haar vordering heeft afgewezen tot veroordeling van de man om de helft van de kosten van de heer [naam 4] aan haar te betalen. Volgens de vrouw heeft de heer [naam 4] voor zijn berekeningen een bedrag van € 1.228,15 gefactureerd, welk bedrag de vrouw volledig heeft voldaan. Omdat de werkzaamheden van de heer [naam 4] voortvloeien uit de afspraken die partijen in de samenlevingsovereenkomst met elkaar hebben gemaakt, vindt de vrouw dat de man de helft van deze kosten dient te dragen. Het hof zal dit deel van de derde grief van de vrouw afwijzen. Zoals hiervoor geoordeeld, kan een deel van de berekening en werkzaamheden die de heer [naam 4] heeft uitgevoerd niet worden herleid tot de afspraken die partijen in het kader van de vaststellingsovereenkomst met elkaar hebben gemaakt. Dat deel van de gefactureerde werkzaamheden hoeft de man dus niet bij helfte te dragen. Uit de factuur van de heer [naam 4] is echter niet af te leiden welk deel van het door hem gefactureerde bedragen op dat deel van zijn werkzaamheden ziet. Het had op de weg van de vrouw gelegen om de heer [naam 4] te vragen zijn werkzaamheden te specificeren. Dat heeft zij nagelaten. Bij die stand van zaken zal de vordering van de vrouw om de man te veroordelen de helft van de kosten van de heer [naam 4] aan haar te vergoeden ook in hoger beroep worden afgewezen.
De verdeling van de verkoopopbrengst van de woning
(grief 2 van de vrouw en grief 1 en 2 van de man)
5.25
Grief 2 van de vrouw is gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de verdeling van de verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning van partijen, mede in het licht van de afspraken die partijen daarover in de vaststellingsovereenkomst hebben gemaakt. De grief van de vrouw is daarbij met name gericht tegen de beslissing van de rechtbank in rechtsoverweging 5.6 dat het restant van de hypothecaire geldlening bij Obvion op de verkoopopbrengst in mindering moet worden gebracht, waarna het restant (rekening houdend met een aantal andere verrekenposten) bij helfte tussen partijen dient te worden gedeeld. Volgens de vrouw heeft de rechtbank daarmee miskend dat door de aflossing van € 387.285,- die zij eerder uit eigen middelen op de hypothecaire geldlening heeft gedaan, zij in de onderlinge verhouding met de man nog maar een gedeelte van € 42.965,- van de op dat moment openstaande hypothecaire geldlening van € 473.215,- diende te dragen en de man het restant, zijnde € 430.250,-.
5.26
De man heeft in zijn eerste en tweede incidentele grief ook bezwaren aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank over de wijze van verdeling van de verkoopopbrengst. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de vrouw recht heeft op vergoeding van een bedrag van € 387.285,- uit hoofde van aflossing op de hypothecaire geldlening. De man heeft daartoe aangevoerd dat deze aflossing valt onder de finale kwijting die in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen en dat hij dit bedrag dus niet aan de vrouw verschuldigd is. Datzelfde geldt volgens de man voor de Stichtings- en hypotheekkosten van € 21.534,- respectievelijk € 42.691,-. Ook deze is de man niet aan de vrouw verschuldigd, omdat zij hem in de vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2021 daarvoor finale kwijting heeft verleend. De man heeft verder een beroep gedaan op verjaring en op de vervaltermijn in artikel 2 lid 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst.
5.27
Bij beoordeling van deze grieven van partijen stelt het hof het volgende voorop. In de vaststellingsovereenkomst die partijen op 7 maart 2021 hebben gesloten, is niet een duidelijke cijfermatige uitwerking opgenomen waaruit volgt op welke wijze de verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning verdeeld moet worden. Wel is in de vaststellingsovereenkomst onder ‘
Onroerende zaak’ het volgende opgenomen (dikgedrukte passage in oorspronkelijke tekst):
“(…)
3.
3. De relevante gezamenlijke vermogensbestanddelen in de zijnde:
-Onroerende zaak:, het woonhuis, opstallen en tuinen met het adres: [A-straat] , [plaats B] , ieder der partijen voor een gelijkelijk belang van 50%. De totale aankoopkosten bedroegen € 1.450.000 inclusief Stichtings- en hypotheekkosten
Voorts is onder ‘Verklaren te zijn overeengekomen als volgt’ het volgende opgenomen:
“(…)
- De gemandateerden zullen uitdrukkelijk toezien op de afrekening van deze onroerende zaak verkoop, waarbij partijen onder verrekening van ieders ingelegde gelden, afdracht hypothecaire verplichtingen, persoonlijke verplichting van [de man] aan [de vrouw] zijnde de ‘zwevende ton’, makelaars- en notariskosten de verwachte meeropbrengst gelijkelijk op 50-50 basis krijgen toegekend.”
5.28
Tussen partijen staat in hoger beroep niet ter discussie dat het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag van € 1.450.000,- als volgt is opgebouwd (zie rechtsoverweging 5.4 van het bestreden vonnis):
Inleg vrouw (afgelost overbruggingskrediet) € 300.000
Stichtingskosten (betaald door de vrouw) € 21.534
Huishoud-/hypotheekkosten (betaald door de vrouw) € 42.691
Aflossing hypotheek (door de vrouw) € 387.285
Inleg man € 225.275
Restant hypotheek Obvion
€ 473.215
Totaal € 1.450.000
Deze opbouw sluit aan bij het concept van de notariële volmacht die op 13 februari 2022 door de gemandateerden aan de vrouw is toegestuurd (zie rechtsoverweging 3.10).
5.29
Uit het voorgaande volgt dat in het bedrag van € 1.450.000,- besloten ligt dat partijen, althans de gemandateerden, ervan zijn uitgegaan dat de vrouw recht heeft op betaling ten laste van de verkoopopbrengst van de woning (en dus voor de helft ten laste van de man) van een bedrag van € 21.534,- aan stichtingskosten. Bovendien ligt in dit bedrag besloten dat, na aftrek van alle andere posten, van het restant van de (veronderstelde) verkoopopbrengst aan de vrouw toekomt de door haar betaalde hypotheek- en huishoudkosten tot een bedrag van € 42.691,-. Bij de totstandkoming van het bedrag van € 1.450.000,- is daarnaast rekening gehouden met het bedrag van € 387.285,- dat de vrouw op de gezamenlijke hypothecaire geldlening had afgelost, welk bedrag zij ook uit de verkoopopbrengst zou mogen terugnemen. Dit alles wordt bevestigd door de bijlage/berekening die de gemandateerden bij e-mailbericht van 1 november 2021 aan de vrouw hebben toegestuurd, waarin zij berekenen waartoe de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst volgens hen cijfermatig zouden leiden (zie productie 20 van de zijde van de vrouw in eerste aanleg). In die berekening gaan de gemandateerden ervan uit dat de stichtingskosten en aflossing van € 386.750,- aan de vrouw worden vergoed, en dat zij bij een verkoopopbrengst van de woning tot een bedrag van € 1.450.000,-, na verrekening van de (overige) inleg van de man en de vrouw, het volledige restant van deze verkoopopbrengst krijgt uitgekeerd. Pas bij een verkoopopbrengst boven een bedrag van € 1.450.000,- wordt het surplus bij helfte tussen partijen gedeeld. Daaraan doet niet af dat de gemandateerden in hun begeleidende mail bij hun berekening hebben aangegeven dat de opname van de stichtingskosten een omissie van hun zijde zou zijn en dat deze (wel) onder de finale kwijting zouden vallen. De stichtingskosten zijn immers letterlijk genoemd in de vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2021 (zie onder 3., eerste gedachtestreepje: “
De totale aankoopkosten bedroegen € 1.450.000 inclusief stichtings- en hypotheek kosten”) en worden ook in de notariële volmacht expliciet benoemd als bedrag dat de vrouw ten laste van de verkoopopbrengst van de woning vergoed krijgt.
5.3
Naar het oordeel van het hof heeft de man, gegeven de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, onvoldoende gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de finale kwijtingsbepaling in de vaststellingsovereenkomst zo zou moeten worden begrepen dat deze zich ook uitstrekt over de stichtingskosten, het bedrag van € 42.961,-, en de aflossing van € 387.285,- waarop de vrouw bij de afwikkeling thans aanspraak maakt. Uit de vaststellingsovereenkomst vloeit juist voort dat de vrouw wel aanspraak heeft op vergoeding van deze door haar betaalde bedragen. Bij die stand van zaken is ook niet meer relevant dat de man thans stelt dat niet meer zou zijn na te gaan of de aflossingen wel uit het vermogen van de vrouw zijn voldaan en dat het vorderingsrecht van de vrouw zou zijn verjaard. Datzelfde geldt voor de stelling van de man dat het recht van de vrouw om de stichtingskosten en hypotheekkosten te vorderen zou zijn vervallen. In de vaststellingsovereenkomst ligt immers besloten dat de vrouw recht heeft op vergoeding van deze bedragen, waarmee de rechtsgeldigheid van deze aanspraken is vastgesteld. De man kan het bestaan van deze vorderingen nu dus niet meer betwisten en ook niet meer met succes stellen dat deze vorderingen van de vrouw zouden zijn verjaard of vervallen. De grieven 1 en 2 van de man falen dan ook.
5.31
Wat betreft de tweede grief van de vrouw in het principaal hoger beroep, oordeelt het hof als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij voor de verwerving van de gemeenschappelijke woning een hypothecaire geldlening zijn aangegaan van in hoofdsom € 860.500,- en dat zij deze in hun onderlinge verhouding ieder bij helfte dienden te dragen. Dat betekent dat zij ieder voor een gedeelte van € 430.250,- draagplichtig waren. In hoger beroep dient voorts ervan uitgegaan te worden dat de vrouw voor een bedrag van € 387.285,- op deze hypothecaire geldlening heeft afgelost, en dat dit bedrag uitsluitend aan haar toegerekend dient te worden (zie rechtsoverweging 5.29 hiervoor). In haar tweede grief betoogt de vrouw dat de rechtbank het verschil tussen de externe aansprakelijkheid en de interne aansprakelijkheid van schuldenaren heeft miskend. Volgens de vrouw had de rechtbank bij de verdeling van de verkoopopbrengst een bedrag van € 42.965,- van de restant hypothecaire geldlening aan haar moeten toerekenen en een bedrag van € 430.250,- aan de man. De aflossing van € 387.285,- dient volgens de vrouw immers volledig aan haar helft van de hypothecaire geldlening toegerekend te worden, zodat bij de verdeling van de woning zij in de onderlinge verhouding met de man nog maar een gedeelte van € 42.965,- van de restant hypothecaire geldlening diende te dragen.
5.32
Indien deze wijze van afwikkeling zou zijn gevolgd, is er naar het oordeel van het hof géén grond meer om de vrouw daarnaast ook nog een bedrag van € 387.285,- uit de verkoopopbrengst van de woning terug te betalen alvorens deze bij helfte wordt verdeeld. Een dergelijke betaling is immers gegrond op de gedachte dat het bedrag dat de vrouw heeft afgelost voor de helft moet worden toegerekend aan het aandeel van de man in de hypothecaire geldlening. Daarmee is vermogen van de vrouw in het vermogen van de man gevloeid, hetgeen reden is voor vergoeding van die vermogensverschuiving. Als daarvan wordt uitgegaan, hebben partijen in hun onderlinge verhouding ieder een gelijk bedrag op hun aandeel in de hypothecaire geldlening afgelost. De man heeft zijn deel van de aflossing dan alsnog voldaan door de vrouw het bedrag te vergoeden dat zij voor hem heeft afgelost. Het gevolg hiervan is dat het restant van de hypothecaire geldlening na deze aflossing weer bij helfte tussen partijen dient te worden gedragen (zij hebben immers daarvóór een gelijk deel op de hypothecaire geldlening afgelost).
5.33
Uit hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.29 is overwogen, volgt dat partijen in de vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2021 voor de tweede benadering hebben gekozen (vergoeding door terugbetaling). Bij de vaststelling van het bedrag van € 1.450.000,- is immers ervan uitgegaan dat de vrouw ten laste van de verkoopopbrengst van de woning haar aflossing op de hypothecaire geldlening van € 387.285,- vergoed krijgt. Daaruit vloeit voort dat het restant van de hypothecaire geldlening van € 473.750,- vervolgens tussen partijen bij helfte gedragen dient te worden. De rechtbank heeft dit dan ook terecht als uitgangspunt genomen.
Cijfermatig kan het voorgaande als volgt worden weergegeven. Uit de verkoopopbrengst van € 1.501.656,49 ontvangt de vrouw volgens de berekening van de rechtbank (21.534 + 42.691+ 387.285 + 300.000 + 15.427,87 =) € 766.937,87.
Als de vrouw géén aflossing zou hebben gedaan op de hypothecaire geldlening, zou deze nu nog € 860.500,- bedragen. Uit de verkoopopbrengst van € 1.501.656,49 zou deze moeten worden afgelost, evenals de makelaarskosten ad € 19.500,- en de notariskosten ad € 1.300,75 die voor rekening van partijen gezamenlijk komen (vgl. rechtsoverweging 5.7 van het bestreden vonnis). Verder zou aan de vrouw de stichtingskosten ad € 21.534,-, de huishoud-/hypotheekkosten ad € 42.691,- en haar inleg ad € 300.000,- toekomen en aan de man zijn inleg van € 225.275,-. De resterende verkoopopbrengst komt aan ieder van partijen voor de helft toe, dat wil zeggen ieder ontvangt nog € 15.427,87. De vrouw zou derhalve (21.534 + 42.691 + 300.000 + 15.427,87 =) € 379.652,87 uit de verkoopopbrengst ontvangen. Daarnaast zou zij echter nog € 387.285,- op haar bankrekening hebben staan, omdat ze die niet zou hebben gebruikt voor de aflossing van de hypothecaire geldlening. Ook in deze situatie heeft zij dus in totaal een bedrag van € 766.937,87 tot haar beschikking.
Dit betekent dat de tweede grief van de vrouw faalt.
Verkoopkosten en gebruikers-/eigenaarslasten
(
grief 3 van de man)
5.34
In zijn derde grief in het incidenteel hoger beroep stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verkoopkosten en gebruikers- en eigenaarslasten van de voormalig gemeenschappelijke woning niet enkel en alleen voor rekening van de vrouw zijn. De man verwijst in dit verband naar de tekst van de vaststellingsovereenkomst d.d. 7 maart 2021. De vrouw zou in de gemeenschappelijke woning blijven wonen tot het moment van overdracht. De vrouw heeft in weerwil van deze afspraak de keuze gemaakt om de woning te verlaten. Volgens de man dient de vrouw hier de financiële gevolgen van te dragen. Dat betekent dat zij onverminderd gehouden was om alle lasten van de woning te blijven voldoen. Dit geldt volgens de man te meer nu hij ook geen aanspraak heeft gemaakt op een gebruiksvergoeding voor het uitsluitend gebruik door de vrouw van de gemeenschappelijke woning.
5.35
De vrouw voert verweer. Zij is het eens met de beslissing van de rechtbank. Ten aanzien van de verkoopkosten is de vaststellingsovereenkomst volgens de vrouw duidelijk. In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat de vrouw deze kosten zal voorschieten, maar dat deze wel onderdeel uitmaken van de uiteindelijke afrekening. Ten aanzien van de gebruikers- en eigenaarslasten wijst de vrouw erop dat zij deze niet meer bij uitsluiting van de man verschuldigd was vanaf het moment dat zij de woning verliet. In de vaststellingsovereenkomst werd uitgegaan van een efficiënte verkoop van de woning, hetgeen overeenkomt met de termijnen voor gebruik en verkoop van de woning die partijen in hun samenlevingsovereenkomst hadden opgenomen. De vrouw ging ervan uit dat zij de gemeenschappelijke woning niet te lang zou bewonen. Toen een spoedige verkoop van de woning uitbleef is, zij naar een andere woning op zoek gegaan. Dat heeft zij met medeweten van de gemandateerden gedaan. De vrouw is daarom van mening dat de gebruikers- en eigenaarslasten niet meer uitsluitend door haar gedragen hoefden te worden vanaf het moment dat zij de gemeenschappelijke woning verliet.
5.36
Het hof oordeelt als volgt. Voor het hof is niet voldoende kenbaar of de grief van de man ook is gericht tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de verkoopkosten van de woning. Met de vrouw is het hof evenwel van oordeel dat partijen in de vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2021 duidelijke afspraken hebben gemaakt over de draagplicht voor deze kosten. In de vaststellingsovereenkomst is hierover afgesproken:

- Eventuele kosten verband houdend met het verkoop klaar maken van het woonhuis en onderhoud van de tuin zullen betaald worden door [de vrouw] op eerste verzoek van gemandateerden. Deze eventuele kosten maken onderdeel uit van de afrekening.
Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat de vrouw de verkoopkosten zou voorschieten, maar dat deze kosten na verkoop van de woning alsnog bij helfte door de man gedragen zouden worden. De man heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een andere uitleg van deze afspraak kunnen leiden.
5.37
Wat betreft de gebruikers- en eigenaarslasten voor de gemeenschappelijke woning oordeelt het hof als volgt. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen:
“- [de vrouw] zal gedurende de verkoopprocedure het woonhuis bewonen op een verkoopbevorderende wijze; dit op eventuele aanwijzing van gemandateerden.
- [de vrouw] zal, vanaf de datum van ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst, alle kosten zoals hypotheeklasten, GLW, verzekeringen, leges, aanschrijvingen etc. voor haar rekening nemen.”
Het hof leidt uit deze bepalingen af dat de vrouw het recht heeft gedurende de periode dat de woning te koop staat de woning te bewonen, maar dat zij dan wel de gebruikers- en eigenaarslasten van de woning bij uitsluiting van de man voor haar rekening dient te nemen. Partijen hebben geen duidelijke afspraken gemaakt over wat er met deze lasten dient te gebeuren wanneer de vrouw de woning (toch) verlaat. Naar het oordeel brengt een redelijke uitleg van de gemaakte afspraken met zich mee dat in dat geval de gebruikers- en eigenaarslasten bij helfte door partijen dienen te worden gedragen. Partijen waren immers ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning. Als geen van partijen het uitsluitend gebruik heeft van de woning, dienen zij de aan de woning verbonden lasten ook bij helfte te dragen. De man heeft ook hier geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een andere uitleg aanleiding kunnen geven. Dit alles betekent dat de derde grief van de man niet slaagt.
Waardedaling woning
(grief 5 vrouw, grief 6 man)
5.38
Partijen zijn over en weer van mening dat de ander het verkoopproces van de woning heeft vertraagd en dat als gevolg daarvan de woning in waarde is gedaald. Over en weer vorderen zij schadevergoeding. De rechtbank heeft de door ieder van partijen ingestelde vorderingen als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
5.39
De vrouw heeft haar vordering voorwaardelijk ingesteld, indien en voor zover mocht blijken dat de man incidenteel hoger beroep instelt en in dat kader grieven richt tegen de afwijzing van zijn reconventionele vordering met betrekking tot de waardedaling van de woning. Aan deze voorwaarde is voldaan, gelet op grief 6 in incidenteel hoger beroep, zodat het hof zowel de grief van de vrouw als die van de man zal behandelen.
5.4
De vrouw stelt dat het aan de man is te wijten dat het verkoopproces is vertraagd en de woning in waarde is gedaald. Zij wijst erop dat het verkoopklaar maken van de woning door toedoen van de man onnodig lang heeft geduurd, dat de man ervoor heeft gezorgd dat de eerste makelaar ( [naam 5] ) de verkoopopdracht heeft teruggegeven en dat de gemandateerden daarna, ondanks veelvuldige verzoeken van de vrouw, niet hebben doorgepakt met het inschakelen van een nieuwe makelaar en zich daarbij hebben gevoegd naar de volstrekt onrealistische wensen van de man. Voor zover de rechtbank heeft overwogen dat de vertraging in het verkoopproces in belangrijke mate te wijten zou zijn geweest aan discussie over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst, wijst de vrouw erop dat dit van elkaar losstaande trajecten zijn. De vrouw meent dat het handelen van de gemandateerden volledig aan de man kan en moet worden toegerekend.
Wat betreft de verwijten die de man haar maakt in het incidenteel hoger beroep, merkt zij op dat zij net als de man belang had bij een zo hoog mogelijke opbrengst, maar wel een meer realistische kijk op de marktsituatie had. Zij heeft zich ingespannen om de woning zo aantrekkelijk mogelijk te houden. Omdat de gemandateerden geen opdracht gaven aan een makelaar, heeft zij in verband met het te voeren kort geding enkele makelaars benaderd, maar zij betwist dat dit marktverstorend zou hebben gewerkt. De door de voorzieningenrechter aangewezen makelaar is door de vrouw verzocht een opdracht tot dienstverlening op te stellen, omdat de man naliet dat in gezamenlijkheid te doen. Deze makelaar heeft steeds beide partijen geïnformeerd, maar kreeg van de man niet of niet tijdig een reactie, als gevolg waarvan het vonnis in kort geding in de plaats kwam van zijn medewerking of toestemming. Zij betwist dat de woning door haar is verwaarloosd en in de door de man geschetste (slechte) staat in de markt is gezet.
5.41
Volgens de man heeft de vrouw het verkoopproces en daarmee de verkoopopbrengst zeer negatief beïnvloed. Als zij had meegewerkt, had met zekerheid een veel hogere verkoopprijs verkregen kunnen worden. Dat blijkt uit de (meerwaarde presentatie) waardebepalingen van de makelaars, die aanzienlijk hoger lagen alsmede uit de verkoopstatistieken in die periode. De man stelt dat de vrouw door haar onrechtmatig handelen en nalaten een aanzienlijk lagere verkoopopbrengst tot stand heeft laten komen. Zij is haar eigen belang, gelegen in een snelle verkoop, gaan nastreven. De verkopende makelaar [naam 6] heeft zijn werk niet goed gedaan en de woning niet goed (want in slechte staat) in de markt gezet.
De man betwist dat de vertraging in het verkoopproces aan hem te wijten viel. [naam 5] had het verkoop- en presentatieplan niet voorbereid en heeft de opdracht laten versloffen. De veel betere professionele foto’s en wervende verkoopteksten van de man zijn niet gebruikt. De gemandateerden hebben besloten niet verder met deze makelaar in zee te gaan. Tijdens het proces van verkoop liepen de gemandateerden aan tegen het feit dat de vrouw bleef terugkomen op bepaalde afgedane zaken. Ook nam zij bijvoorbeeld in het najaar van 2021 achter de rug van de gemandateerden en de man om contact op met lokale makelaars voor een spoedige verkoop tegen elke prijs, hoewel de voorzieningenrechter duidelijk had overwogen dat geen van partijen bemoeienis mocht hebben met het verkoopproces. De man heeft daarentegen gedaan wat hem is opgedragen. Hij heeft de woning verlaten, de tuin en de monumentale locatie steeds goed onderhouden en getracht via foto’s en multimedia presentaties de woning zou goed mogelijk in de markt te zetten.
5.42
De vrouw heeft in eerste aanleg aan haar vordering tot schadevergoeding primair het tekortschieten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst door de man ten grondslag gelegd, subsidiair onrechtmatig handelen door de man. De man heeft zich beroepen op onrechtmatig handelen door de vrouw.
Het hof begrijpt het standpunt van de vrouw aldus, dat zij van mening is dat de man tekort geschoten is in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, omdat daarin is opgenomen dat partijen hun medewerking zullen verlenen aan een adequaat en efficiënt verloop van de verkoopprocedure, wat de man volgens de vrouw niet heeft gedaan. Het hof is van oordeel dat de vrouw, mede gelet op de betwisting door de man, daartoe onvoldoende heeft gesteld. Gesteld noch gebleken is dat partijen een bepaalde termijn zijn overeengekomen voor het verkoopklaar maken van de woning, waaraan de man zich vervolgens niet zou hebben gehouden. Verder blijkt weliswaar uit de e-mails van de heer [naam 5] (overgelegd als productie 31 bij de dagvaarding) dat hij had besloten de opdracht terug te geven als gevolg van de mail van de man van 6 augustus 2021, maar hier staat tegenover dat de man heeft betoogd dat [naam 5] zich juist te weinig heeft ingespannen voor de verkoop van de woning en dat dit de reden was om te stoppen met deze makelaar. Wie hier gelijk heeft, kan het hof niet vaststellen. Zelfs echter wanneer de vrouw gelijk zou hebben, kan dat niet leiden tot toewijzing van haar vordering. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw het causaal verband tussen de aan de man verweten gedragingen en de gestelde schade onvoldoende onderbouwd. De vrouw baseert haar schade op een taxatie van de woning in april 2022. Dat [naam 5] , wanneer zij de opdracht wel zou hebben uitgevoerd, de woning voor het door de vrouw genoemde bedrag van € 1.750.000,- had kunnen verkopen, is echter gesteld noch gebleken. Om deze reden komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van de vrouw om de heer [naam 5] te horen over de gang van zaken rond de aan zijn kantoor verstrekte (en volgens de vrouw door hem teruggeven) verkoopopdracht: ook wanneer zij slaagt in het aangeboden bewijs, kan dit niet leiden tot toewijzing van de vordering. Tot slot beroept de vrouw zich op de handelwijze van de gemandateerden, die hun taak niet op de juiste wijze zouden hebben uitgevoerd. Ook als dit het geval zou zijn – dit ligt niet aan het hof voor – is het hof van oordeel dat dit niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, aan de man kan worden toegerekend.
Aan de subsidiaire grondslag van onrechtmatig handelen heeft de vrouw dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd. Ook hier is het hof van oordeel dat zij onvoldoende heeft gesteld, terwijl ook in deze situatie geldt dat het causaal verband tussen het handelen van de man en de door de vrouw gestelde schade ontbreekt op dezelfde gronden als het hof hiervoor heeft overwogen bij de behandeling van de primaire grondslag van de vrouw.
De grief van de vrouw faalt.
5.43
Ook de grief van de man faalt. Enerzijds maakt hij de vrouw het verwijt dat zij andere belangen kreeg na de aankoop van haar nieuwe woning, namelijk een vlotte verkoop van de woning in [plaats B] , en anderzijds dat zij door het starten van een kort gedingprocedure vertragend heeft gehandeld. Daargelaten dat deze verwijten elkaar tegenspreken, heeft de vrouw een en ander betwist. Niet weersproken is bovendien dat de vrouw de makelaar eenzijdig heeft verzocht een verkoopopdracht op te stellen omdat de man naliet dit samen met de vrouw te doen. De man maakt verder vooral de makelaar verwijten, maar legt niet uit waarom de gedragingen van de makelaar aan de vrouw moeten worden toegerekend. Dat de woning door nalaten van de vrouw in een slechte staat verkeerde, heeft de vrouw betwist en de man niet onderbouwd. Tot slot geldt ook voor de man dat voor zover het verweten handelen van de vrouw al zou komen vast te staan, het causaal verband tussen haar handelen en de door de man gestelde schade ontbreekt. De omstandigheid dat makelaars een bepaalde vraagprijs hebben geadviseerd, wil niet zeggen dat de woning voor dit bedrag had kunnen worden verkocht of dat een koper was gevonden die bereid was de vraagprijs te betalen. Dat dit wel het geval was, heeft de man onvoldoende onderbouwd. Hij doet weliswaar een bewijsaanbod, onder andere inhoudend dat hij makelaars [X] en [Y] Makelaars wil horen, “die staan voor de afgegeven verkoopwaarde van zo’n € 1.975.000,-“, maar de man heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit dit volgt. Het hof komt dan ook niet toe aan dit bewijsaanbod.
Overbruggingskrediet
(grief 6 vrouw)
5.44
De vrouw heeft in verband met de aankoop van haar woning in [plaats A] een overbruggingskrediet afgesloten. Primair is zij van mening dat de man alle kosten die zij in dat kader heeft moeten maken, moet vergoeden, omdat de vertraging in het verkoopproces van de woning in [plaats B] aan hem is te wijten. Subsidiair vordert zij vergoeding van alleen de hogere rentelasten over de periode van 1 juli 2022 tot en met 24 juli 2023. Zij heeft meteen na aankoop van haar woning op 21 december 2021 de noodzaak van een overbruggingskrediet met de gemandateerden besproken en de medewerking van de man aan het verkrijgen daarvan gevraagd. Dit verzoek heeft zij enkele malen herhaald. De eerste keer dat de man volgens de gemandateerden bereid was zijn medewerking te verlenen, in april 2022, stelde hij voorwaarden die voor de vrouw zo ongunstig waren, dat zij daarmee niet kon instemmen. Vervolgens werd alsnog voorafgaand aan het kort geding in mei 2022 zonder nadere voorwaarden medewerking aan een overbruggingskrediet toegezegd. Uit deze gang van zaken blijkt dat de man het afsluiten van een overbruggingskrediet van december 2021 tot in mei 2022 heeft gefrustreerd, zodat de vrouw pas in juni 2022 een overbruggingskrediet (tegen een hogere rente) kon verkrijgen.
5.45
De man wijst erop dat hij altijd bereid is geweest zijn medewerking aan een overbruggingskrediet te verlenen. Hij betwist dat hij vertragend heeft opgetreden. Evenmin heeft de vrouw een juridische of wettelijke grondslag gesteld waarom de man de kosten van het overbruggingskrediet zou moeten dragen.
5.46
De vrouw heeft haar primaire vordering ingesteld onder de voorwaarde dat de man incidenteel hoger beroep instelt tegen de afwijzing van zijn vordering wegens de waardedaling van de woning. Aan deze voorwaarde is voldaan, zodat het hof de grief volledig zal behandelen.
Voor de primaire vordering neemt de vrouw als uitgangspunt dat de man verantwoordelijk is voor de vertraging in het verkoopproces. Als gevolg daarvan kon zij niet over haar eigen vermogen beschikking en moest zij een overbruggingskrediet aangaan. Zoals het hof bij de behandeling van grief 5 van de vrouw en grief 6 van de man heeft overwogen, is niet komen vast te staan dat de vertraging aan één van partijen te wijten is, zodat de grief voor wat betreft de primaire vordering faalt.
Wat betreft de subsidiaire vordering heeft de man naar het oordeel van het hof terecht erop gewezen dat de vrouw geen grondslag heeft gesteld op grond waarvan de man gehouden was mee te werken aan het afsluiten van een overbruggingskrediet. Bij gebreke aan een rechtsgrond, faalt de grief. Hetgeen de vrouw verder heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar grief, behoeft geen behandeling.
Ontruimingskosten
(grief 7 vrouw)
5.47
Grief 7 van de vrouw ziet op de afwijzing van haar vordering tot betaling van de ontruimingskosten door de man. Anders dan de rechtbank is de vrouw van mening dat het (alleen) aan de man te wijten is dat ontruimingskosten zijn gemaakt. Volgens haar heeft de man zich niet gehouden aan de afspraak die de makelaar met medeweten van de man heeft gemaakt met de kopers. Deze afspraak kwam neer op een levering van de woning ‘leeg of alles laten staan’. De man heeft echter alles wat hij van waarde achtte afgevoerd en geweigerd zaken terug te plaatsen, ondanks een verzoek daartoe van de kopers. De vrouw stelt dat sprake is van wanprestatie jegens de kopers, die de man valt toe te rekenen. De man is vervolgens stilzwijgend akkoord gegaan met de vergoeding die de vrouw met de kopers bij de notaris is overeengekomen.
5.48
De man wijst op zijn verweer in eerste aanleg, inhoudend dat hij heeft voldaan aan de verplichtingen die hem zijn opgelegd door de voorzieningenrechter en de makelaar. Hij heeft zijn eigen goederen opgeruimd, de rest mocht volgens de makelaar achterblijven. Het is de eigen keuze van de vrouw geweest om € 7.500,- aan de kopers te betalen.
5.49
De vrouw beroept zich op een afspraak die de makelaar met medeweten van de man met de kopers heeft gemaakt, op grond waarvan de woning leeg opgeleverd moest worden of alles in de woning had moeten blijven staan. Omdat de vrouw zich beroept op de rechtsgevolgen van deze afspraak, rust op haar de plicht om voldoende feiten en omstandigheden te stellen van het bestaan van deze afspraak.
Het hof is van oordeel dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Zij heeft enkel betoogd dat met medeweten van de man door de makelaar een afspraak met de kopers is gemaakt over de wijze waarop de woning moest worden opgeleverd. Gelet op de betwisting door de man dat een afspraak met de door de vrouw gestelde inhoud zou zijn gemaakt, had het op haar weg gelegen haar stelling meer handen en voeten te geven, door uiteen te zetten wanneer de afspraak is gemaakt, wat de omvang was van de afspraak en op welke wijze de man op de hoogte is geraakt van deze afspraak. Dit betekent dat alleen al om deze reden de grief faalt. Omdat de vrouw niet heeft voldaan aan haar stelplicht, komt het hof niet aan bewijslevering toe.
Vordering ad € 5.935,-
(grief 4 van de man)
5.5
Met grief 4 stelt de man de afwijzing van zijn vordering tot vergoeding van de door de gemandateerden voorgeschoten kosten aan Conduct aan de orde, alsmede de vergoeding van de door hem gemaakte reiskosten en – naar het hof begrijpt – enkele andere kosten voor de tuin. De man heeft deze vordering ingesteld onder de voorwaarde dat het hof van oordeel is dat de vaststellingsovereenkomst geen alomvattende regeling inhield en de grieven 1 tot en met 4 van de vrouw slagen.
Omdat de grieven van de vrouw die op de vaststellingsovereenkomst zien, deels slagen, zal het hof grief 4 van de man behandelen.
De rechtbank heeft de hiervoor genoemde gevorderde kosten afgewezen omdat gesteld noch gebleken was dat de man de door de gemandateerden voldane kosten aan de gemandateerden had betaald en daarnaast de kosten voor het tuinonderhoud onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd had.
5.51
Ter onderbouwing van zijn grief voert de man aan dat partijen de morele verplichting hebben het door de gemandateerden voorgeschoten bedrag van € 1.815,- te voldoen, hetgeen ook in overeenstemming is met de beginselen van de redelijkheid en billijkheid. De man acht het bovendien niet meer dan redelijk en billijk dat de vrouw de door hem voorgeschoten kosten voor [X] , reiskosten en overige kosten zoals die blijken uit productie 55 bij de inleidende dagvaarding volledig vergoedt.
5.52
De vrouw verwijst allereerst naar haar verweer in eerste aanleg, inhoudend dat er geen rechtsgrond bestaat voor een vergoeding van het tuinonderhoud dat de man heeft verricht (met uitzondering van een door haar erkend en door de rechtbank toegewezen bedrag van € 360,-), net zomin als zij een vergoeding heeft gekregen voor het onderhoud voor de woning. Ook de redelijkheid en billijkheid bieden daarvoor geen aanknopingspunt. Wat betreft de kosten van Conduct heeft zij in eerste aanleg (samengevat) betoogd dat zij niet gehouden is deze uit wanprestatie van de gemandateerden voortvloeiende kosten (deels) te voldoen. In aanvulling daarop betoogt de vrouw dat niet duidelijk is wie de betaling heeft verricht. Voor zover de gemandateerden de betaling hebben verricht, kan de man daarvan geen vergoeding vorderen en de gemandateerden zijn geen partij in deze procedure. Voor het geval de man aantoont dat hij de kosten heeft voldaan aan de gemandateerden of de makelaar, handhaaft de vrouw dat er geen rechtsgrond bestaat voor een verdeling daarvan bij helfte. De vrouw gaat hierbij ervan uit dat de vordering van de man ziet op zowel de factuur van [naam 5] als die van Conduct.
De vrouw merkt daarnaast op dat het slot van de toelichting van de man op de grief verwarring oproept. Hoewel het “kopje” van de grief lijkt te verwijzen naar de tuinkosten en de helft van de kosten van makelaars [naam 5] en Conduct, wordt door de verwijzing naar productie 55 bij de inleidende dagvaarding de indruk gewekt dat een vergoeding van alle daar genoemde posten wordt gevorderd. Dit wordt bevestigd door de toelichting op de incidentele grief 6, waarbij de vrouw het vervolgens opvallend vindt dat daar alleen de kosten van Conduct en niet die van [naam 5] worden genoemd, welke kosten vervolgens volledig voor rekening van de vrouw worden gebracht. De vrouw acht deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde, die tot niet-ontvankelijkheid, althans afwijzing van het gevorderde moet leiden.
5.53
Het hof zal de grief beoordelen op de wijze zoals de vrouw hem heeft begrepen, dat wil zeggen voor zover deze ziet op de afgewezen vergoeding voor de tuinkosten en de kosten van de makelaars. Voor zover de grief van de man de strekking heeft op meer posten te zien, is het hof van oordeel dat de man daarvoor de gronden niet behoorlijk naar voren heeft gebracht, hetgeen wel van de man verwacht kan worden. De gronden moeten immers voldoende kenbaar zijn voor de rechter en de wederpartij. Deze laatste moet kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren (vgl. HR 5 april 2019, ECLI:HR:NL:2019:505). Dit brengt ook mee dat het hof ervan uitgaat dat de grief alleen ziet op de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de kosten van Conduct en niet ook van [naam 5] . De man noemt immers [naam 5] niet meer in zijn grief.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering in verband met het tuinonderhoud, voor zover niet door de vrouw erkend, als onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd moet worden afgewezen. In hoger beroep heeft de man niets aangevoerd dat tot een ander oordeel moet leiden. De enkele verwijzing naar de redelijkheid en billijkheid of artikel 3:170 BW Pro is hiertoe onvoldoende. Artikel 3:170 BW Pro geeft een regeling voor het onderhoud, behoud en beheer van een gemeenschappelijk goed. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof geen reden waarom de man op grond van dit artikel aanspraak kan maken op de door hem gestelde kosten. Wat betreft de kosten van Conduct is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat de man deze kosten aan de gemandateerden heeft betaald en aldus een mogelijk regresrecht op de vrouw heeft.
De grief faalt.
Afgifte familiering, schilderij Van Deventer en diverse Jan en Aris Knikker-schilderijen(grief 5 man)
5.54
De rechtbank heeft de afgifte aan de man van het schilderij van Van Deventer en diverse schilderijen van Jan en Aris Knikker afgewezen, omdat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij eigenaar van deze schilderijen is. Ook de afgifte van de ring is afgewezen, omdat de man niet voldoende heeft weersproken dat de ring aan de vrouw toebehoort en dat zij deze ook zelf heeft betaald. De rechtbank heeft daarbij gewezen op artikel 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst, dat bepaalt dat sieraden worden geacht eigendom te zijn van de partij die de goederen gebruikt of tot gebruik van wie zij bestemd zijn. Grief 5 van de man houdt in dat de rechtbank ten onrechte de afgifte van deze zaken heeft afgewezen. Volgens de man maakt het niet uit wie van partijen welk inboedelgoed heeft betaald, omdat de kosten van aanschaf van inboedelgoederen op grond van de samenlevingsovereenkomst tot de kosten van de huishouding behoren (artikel 2 lid 2 van Pro de samenlevingsovereenkomst). De man ging bovendien ervan uit dat de gemandateerden nog een complete en definitieve inboedellijst en de verdeling ervan zouden geven, gelet op de bepaling in de vaststellingsovereenkomst dat wanneer partijen niet tot overeenstemming komen wat betreft de toekenning van één of meerdere inboedelgoederen één maand voor de transportdatum, de gemandateerden tot toekenning zullen overgaan. De Knikker-schilderijen zijn door hem betaald en de facturen staan op zijn naam, zodat de beslissing van de rechtbank om de schilderijen bij de vrouw te laten op de grond dat zij eigenaar is, onjuist is. Het schilderij van Van Deventer is wel gezamenlijk betaald, maar de man heeft met dit schilderij een bijzondere band.
5.55
De vrouw kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank. Zij wijst erop dat artikel 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst “voorwerpen van kunst” uitsluit van het begrip inboedel. Zelfs als van belang zou zijn of de aanschafkosten van inboedelgoederen kosten van de huishouding zijn, geldt dat niet voor de schilderijen. Ook de sieraden vallen niet onder de in artikel 2 lid 2 van Pro de samenlevingsovereenkomst genoemde inboedelgoederen. Verder is onjuist dat de betreffende schilderijen door de man zijn betaald. De vrouw heeft de facturen betaald. De vrouw begrijpt uit de grief van de man dat de man in hoger beroep ook afgifte van het schilderij “rietsnijders in Hollands landschap” vordert. Zij maakt tegen deze eisvermeerdering bezwaar vanwege strijd met de goede procesorde.
De vrouw betwist dat de vaststellingsovereenkomst de gemandateerden bevoegdheden toekent ter zake van de inboedelgoederen. De gemandateerden hadden slechts de bevoegdheid tot toekenning van goederen over te gaan als partijen daarover één maand voor de transportdatum van de woning geen overeenstemming zouden hebben bereikt. Op dat moment had de vrouw de volmacht al ingetrokken, zodat de gemandateerden geen enkele bevoegdheid meer toekwam. Bovendien heeft de advocaat van de man op 6 juli 2023 bevestigd dat de man alle aan hem toebehorende goederen uit de woning had verwijderd, zonder daarbij enig voorbehoud te maken. Volgens de vrouw zijn de schilderijen waarvan de man afgifte vordert, door haar betaald en aan haar geleverd, zijn ze in haar bezit en als haar eigendom aangemerkt op de boedellijst die is gehecht aan de opzegging van de samenlevingsovereenkomst. De man kan geen aanspraak op afgifte daarvan maken, mede gelet op artikel 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst.
5.56
Het hof overweegt dat de vordering van de man ziet op
afgifte(cursivering hof) van de schilderijen en de ring. De formulering van zijn vordering wekt de indruk dat de man meent dat hij eigenaar van deze zaken is. Anderzijds verwijst hij in de toelichting van zijn grief naar de werkzaamheden die de gemandateerden nog zouden verrichten, waaronder het tot stand brengen van een verdeling, hetgeen erop wijst dat hij van mening is dat de zaken nog niet zijn eigendom zijn.
In beide situaties is er wat betreft de ring geen aanleiding een andere beslissing dan de rechtbank te nemen. Op grond van artikel 6 lid 2 van Pro de samenlevingsovereenkomst worden sieraden geacht eigendom te zijn van de partij die deze goederen gebruikt. De man heeft niet betwist dat de vrouw de ring droeg, zodat het hof evenals de rechtbank ervan uitgaat dat de ring de vrouw in eigendom toebehoort.
Wat betreft de schilderijen stelt het hof voorop dat, gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep, het is toegestaan een eis in hoger beroep te vermeerderen (artikel 130 juncto Pro artikel 353 Wetboek Pro van Rechtsvordering). Deze bevoegdheid in hoger beroep is in die zin beperkt dat de eiswijziging (behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen) niet later dan bij memorie van grieven of antwoord dient plaats te vinden. Dat is in dit geval gebeurd en de vrouw heeft kunnen reageren op de eiswijziging. Het hof zal de eiswijziging dan ook toestaan. Van strijd met de goede procesorde is onvoldoende gebleken.
Evenals de vrouw is het hof van oordeel dat de schilderijen als “voorwerpen van kunst” moeten worden gezien en om die reden niet onder “inboedel” in de zin van artikel 1 of Pro 5 van de samenlevingsovereenkomst vallen. Uit artikel 6 lid 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst volgt dat de schilderijen worden geacht eigendom te zijn van de partij die deze heeft verkregen. Ook is een partij eigenaar van de roerende goederen waarvan partijen hebben vastgelegd of zullen vastleggen dat zij privé-eigendom blijven, maar dat partijen daartoe zijn overgegaan, is het hof niet gebleken.
De vrouw heeft bij de opzegging van de samenlevingsovereenkomst in 2018 een boedellijst gevoegd, waarin zij onderscheid heeft gemaakt tussen goederen die volgens haar eigendom van één van partijen zijn en gezamenlijke goederen. Op deze lijst staan de schilderijen van Van Brederode en de drie door de man genoemde schilderijen van Jan en Aris Knikker als privé-eigendom van de vrouw vermeld. Dezelfde lijst heeft zij ook bij de opzeggingsbrief in 2020 gevoegd. De vrouw heeft daarnaast in hoger beroep betaalbewijzen overgelegd, waaruit blijkt dat zij deze schilderijen heeft betaald. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat ervan uitgegaan moet worden dat de schilderijen door de vrouw zijn verkregen, als bedoeld in artikel 6 lid 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst. Daarbij komt dat in de vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2021 staat dat de man in grote lijnen akkoord is met de door de vrouw opgestelde boedelbeschrijving en toekenningen. Weliswaar is ook opgenomen dat partijen nog nader in overleg zullen treden om tot een meer complete en definitieve toekenning te komen, maar dat de man op enig moment voorafgaand aan de onderhavige procedure heeft aangegeven het niet eens te zijn met de vermelding van de vrouw als eigenaar van de nu gevorderde schilderijen, is gesteld noch gebleken. Voor de gemandateerden was dan ook geen rol weggelegd om “tot toekenning” over te gaan. Of zij daartoe nog bevoegd waren geweest, kan dan ook in het midden blijven.
De grief van de man faalt.
Rente en de buitengerechtelijke en proceskosten
(grief 8 van de vrouw)
5.57
Met haar laatste grief komt de vrouw op tegen de afwijzing van de gevorderde rente. Zij is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aangehaalde jurisprudentie, op grond waarvan de rechtbank de vordering heeft afgewezen, ook van toepassing is op een vordering tot verdeling van de verkoopopbrengst van de woning. Bovendien ziet die jurisprudentie in ieder geval niet op de door haar gevorderde bedragen genoemd in de paragrafen 3.2.2 en 3.2.3 van de dagvaarding. Slechts twee van de auto’s zijn op enig moment gemeenschappelijk eigendom geweest, maar de verdeling daarvan had reeds in april 2019 plaatsgevonden, zij het dat de man de verplichting tot vergoeding van de overwaarde aan de vrouw nog niet is nagekomen. Daarbij komt dat de rechtbank de vorderingen op grond van de vaststellingsovereenkomst en de schadevorderingen ten onrechte heeft beschouwd als betrekking hebbend op de verdeling en verrekening van (de opbrengst van) de gezamenlijke woning.
De vrouw komt eveneens op tegen afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Zij stelt dat de man tegen deze vordering geen verweer heeft gevoerd.
5.58
De man betoogt dat als de verdeling van een verkoopopbrengst nog niet vaststaat, van verzuim geen sprake kan zijn. Ook heeft hij wel verweer gevoerd tegen de buitengerechtelijke incassokosten. Hij wijst er tot slot op dat hij een beperkte gezondheidssituatie heeft en in een aanmerkelijk financieel slechtere positie verkeert dan de vrouw.
5.59
Artikel 6:119 lid 1 BW Pro bepaalt dat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan, zolang de verdeling van tot de gemeenschap behorende baten niet definitief is vastgesteld, een daarop gebaseerde vordering niet worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de debiteur in verzuim is. Anders dan de vrouw betoogt, geldt deze jurisprudentie ook wanneer de verdelingsvordering ziet op de verdeling van de verkoopopbrengst van een woning (vgl. HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0387, r.o. 3.2.2).
De vrouw heeft in de inleidende dagvaarding voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente een onderscheid gemaakt tussen drie soorten vorderingen, opgenomen in de paragrafen 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.3. Niet in geschil is dat de vorderingen, opgenomen in paragraaf 3.2.1, vorderingen zijn die zien op de verdeling van de verkoopopbrengst. De rechtbank heeft over de verdeling een oordeel gegeven, waartegen beide partijen hoger beroep hebben ingesteld. Dat betekent dat deze verdeling nog niet definitief is, zodat de gevorderde wettelijke rente over deze vorderingen afgewezen dient te worden.
Wat betreft de vorderingen onder 3.2.2 heeft de rechtbank de vorderingen aangemerkt als vorderingen tot verrekening met de verkoopopbrengst van de woning, die daarom in de verdeling van de (opbrengst van de) woning kunnen worden betrokken. De vrouw verzet zich hiertegen. Zij noemt in 3.2.2 allereerst de “zwevende ton”. In de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat de gemandateerden uitdrukkelijk zullen toezien op de afrekening van de (naar het hof begrijpt) verkoopopbrengst van de woning, waarbij partijen onder verrekening van een aantal posten, waaronder de “zwevende ton”, de verwachte meeropbrengst gelijkelijk krijgen toegekend. Het hof is van oordeel dat hieruit volgt dat partijen zijn overeenkomen dat de vrouw niet eerder dan bij de verdeling van de verkoopopbrengst aanspraak kan maken op de “zwevende ton”. Uit de afrekening van de notaris blijkt dat zij dit bedrag toen ook heeft ontvangen, zodat geen sprake is van verzuim aan de kant van de man en hij geen wettelijke rente is verschuldigd.
De vrouw heeft in de inleidende dagvaarding zelf het standpunt ingenomen dat ook wat betreft de voorgeschoten (verkoop)kosten en gebruikers- en eigenaarslasten een afrekening bij verkoop van de woning zou plaatsvinden. Dit betekent dat de man niet eerder dan 24 juli 2023, de datum waarop de notaris tot uitkering van de verkoopopbrengst is overgegaan, betaling verschuldigd zou kunnen zijn. De vrouw heeft drie data in de inleidende dagvaarding genoemd, waarvan de eerste twee data voor 24 juli 2023 liggen. Het hof zal de wettelijke rente over de toegewezen voorgeschoten kosten ad € 9.087,- (zie r.o. 5.32 van het bestreden vonnis) om die reden met ingang van de derde door de vrouw genoemde datum, namelijk de datum dagvaarding (4 augustus 2023), toewijzen.
Wat betreft de auto’s kan uit de vaststellingsovereenkomst niet worden opgemaakt wanneer het bedrag in verband met de overbedeling door de man verschuldigd is. Dit geldt ook voor de bedragen die zijn verschuldigd in verband met de verrekening van de belastingaanslagen. Dat betekent dat de vrouw de man eerst in gebreke dient te stellen voordat sprake kan zijn van verzuim en verschuldigdheid van wettelijke rente. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij de rente vanaf 14 juni 2023 heeft aangezegd. Het hof zal daarom bepalen dat de man met ingang van die datum de wettelijke rente verschuldigd is.
De overige vorderingen die de vrouw in paragraaf 3.2.2 noemt, zijn afgewezen, hetgeen ook geldt voor de vorderingen in paragraaf 3.2.3, zodat wettelijke rente niet aan de orde is.
5.6
Wat betreft de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten overweegt het hof dat de vrouw haar vordering heeft gebaseerd op artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder b en c BW. Op de voet van dit artikel komen buitengerechtelijke incassokosten als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens artikel 241 Rv Pro de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn.
De vorderingen, gebaseerd op artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder b BW zijn door de rechtbank afgewezen en de grieven daartegen falen. Voor het overige heeft de vrouw niet, althans onvoldoende onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (herhaalde) aanmaning. De kosten waarvan de vrouw vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten – in de regel – een vergoeding inhouden.
5.61
De slotsom is dat de grieven 1, 3, 4 en 8 van de vrouw deels slagen. Het vonnis waarvan beroep zal in zoverre worden vernietigd.
Beide partijen hebben gevorderd dat de ander in de proceskosten in beide instanties wordt veroordeeld. Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en zal de proceskosten, omdat de procedure een familierechtelijk karakter heeft, ook in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

6.Beslissing

Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de vorderingen van de vrouw ten aanzien van de BMW M5 en BMW X5, de belastingen en de wettelijke rente volledig zijn afgewezen
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 21.000,- voor de verdeling van de BMW M5 en BMW X5, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 14 juni 2023 tot de dag van voldoening;
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 33.052,- voor de verrekening van belastingenaanslagen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 14 juni 2023 tot de dag van voldoening;
veroordeelt de man tot betaling van de wettelijke rente over het door de rechtbank toegewezen bedrag van de voorgeschoten verkoop- en onderhoudskosten, zijnde een bedrag van € 9.087,-, met ingang van de dag van de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Schenkeveld, mr. J.F. Miedema en mr. T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.