Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:576

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
23-002554-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep medeplegen poging tot diefstal met geweld bij strandpaviljoen

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor poging tot diefstal met geweld bij een strandpaviljoen, gepleegd samen met een medeverdachte. In hoger beroep stelde het hof vast dat sprake was van medeplegen, waarbij de verdachte opzettelijk geweld gebruikte om de vlucht van de daders mogelijk te maken.

Het hof baseerde zich op camerabeelden, getuigenverklaringen en het gedrag van de verdachte tijdens het incident. De verdachte hield een koevoet dreigend omhoog terwijl de medeverdachte de benadeelde sloeg. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een taakstraf en deels voorwaardelijke jeugddetentie, welke het hof bevestigde met aanpassingen.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. Het hof kende €1.126,04 aan materiële schade en €1.500,00 aan immateriële schade toe, waarbij het hogere bedrag voor immateriële schade werd afgewezen wegens gebrek aan medisch bewijs. De verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten en verbeurdverklaring van in beslag genomen voorwerpen.

Het hof legde bijzondere voorwaarden op waaronder de verdachte moet meewerken aan begeleiding en dagbesteding, met dadelijke uitvoerbaarheid om recidive te voorkomen. De straf en voorwaarden zijn mede gebaseerd op rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming die een hoog recidiverisico signaleren.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 150 uur met deels voorwaardelijke jeugddetentie en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding aan benadeelde partij.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002554-25
datum uitspraak: 5 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 oktober 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-242942-24 en 15-325241-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2026 en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Namens de verdachte is beperkt hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld, te weten tegen de veroordeling voor feit 1 van 15-242942-24. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is in eerste aanleg gedeeltelijk toegewezen en de benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.
Het voorgaande betekent dat feit 2 van 15-242942-24 (schuldheling snorfiets) en 15-325241-24 (schuldheling bromfiets) niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Voor deze feiten heeft de rechtbank een bewezenverklaring uitgesproken. Het hof zal, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, toepassing geven aan artikel 423, vierde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv).

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde – in de zaak met parketnummer 15-242942-24 tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 juli 2024 te Callantsoog, gemeente Schagen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
- voorzien van gezichtsbedekkende kleding naar [bedrijf] is gegaan en/of
- met een koevoet, althans een langwerpig en/of hard voorwerp, tegen de deur van dat pand heeft geslagen en/of
- een koevoet in de sluitnaad van een deur van dat strandpaviljoen heeft geplaatst en daarmee wrikkende bewegingen heeft gemaakt en/of (daarbij) tegen deze deur heeft geduwd en/of
- met een koevoet een ruit van deze deur kapot heeft geslagen en/of
- door de kapotte ruit het strandpaviljoen binnen is gegaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [benadeelde partij] een of meermalen met een koevoet op/tegen zijn hand, althans zijn lichaam, te slaan en/of
- een koevoet dreigend/intimiderend in de richting van die [benadeelde partij] in de lucht te houden (daarmee suggererend dat hij met die koevoet zou uithalen/slaan).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, alleen al omdat het hof tot een (deels) andere bewezenverklaring komt.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft bekend dat hij samen met een ander heeft geprobeerd om in te breken bij het strandpaviljoen, maar hij betwist dat hij daarbij geweld heeft gebruikt. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder de laatste twee gedachtenstreepjes opgenomen geweldshandelingen, omdat de verdachte geen opzet had op de daar tenlastegelegde geweldscomponent.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
De verdachte en de medeverdachte hadden een vooropgezet plan om bij het strandpaviljoen in te breken. Zij droegen daartoe een bivakmuts en hadden ieder een breekijzer in handen. Verbalisanten hebben de camerabeelden van de poging tot inbraak bekeken en beschreven. Uit deze beschrijving blijkt dat de twee verdachten gezamenlijk proberen een deur te forceren. De aangever hoort het alarm afgaan en ziet op dat moment via de beveiligingscamera dat beide verdachten wegrennen. Vervolgens keren beiden weer terug nadat het alarm is uitgezet. Opnieuw wordt geprobeerd de deur open te krijgen en uiteindelijk wordt het raam kapot geslagen. De aangever ziet op de camerabeelden dat de medeverdachte door het kapotte raam naar binnen stapt. Aangever rent daarop schreeuwend naar buiten, pakt de medeverdachte vast en trekt hem naar buiten. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte op dat moment op korte afstand van de aangever en de medeverdachte staat en de koevoet in zijn hand omhoog houdt. De medeverdachte maakt zich vervolgens los van de aangever, waarbij hij de aangever met de koevoet tegen zijn hand slaat.
Het hof stelt op basis van de stills (pagina 23 dossier) vast dat de verdachte een stap naar voren zet met de koevoet omhoog in de hand.
Daarna zijn de beide verdachten in een rustig tempo weggelopen en vervolgens gezamenlijk weggereden op een gestolen scooter met afgeplakte kentekenplaat.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voor medeplegen voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, ook ten aanzien van de geweldscomponent. Daartoe overweegt het hof dat de verdachte zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd, niet toen het alarm af ging en niet toen de aangever de medeverdachte had vastgepakt. Op dat moment heeft de verdachte juist een stap naar voren gezet met een opgeheven breekijzer. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte erkend dat dit dreigend was. Dat betekent, naar het oordeel van het hof, dat aan de bedreigende gedraging van de verdachte, evenals aan de geweldshandeling van de medeverdachte, geen andere betekenis kan worden toegekend dan te zijn gericht op het mogelijk maken van de vlucht. Hieruit volgt dus dat de verdachte opzet heeft gehad op het (bedreigen met) geweld tegen de aangever, om op die manier de vlucht gemakkelijker te maken.
Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de poging tot diefstal met geweld bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 15-242942-24:
1.
hij op 27 juli 2024 te Callantsoog, gemeente Schagen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, dat/die aan [bedrijf] toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
- voorzien van gezichtsbedekkende kleding naar [bedrijf] is gegaan en
- met een koevoet tegen de deur van dat pand heeft geslagen en
- een koevoet in de sluitnaad van een deur van dat strandpaviljoen heeft geplaatst en daarmee wrikkende bewegingen heeft gemaakt en daarbij tegen deze deur heeft geduwd en
- met een koevoet een ruit van deze deur kapot heeft geslagen en
- door de kapotte ruit het strandpaviljoen binnen is gegaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij] , gepleegd om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, door
- die [benadeelde partij] eenmaal met een koevoet tegen zijn hand te slaan en
- een koevoet dreigend in de richting van die [benadeelde partij] in de lucht te houden.
Hetgeen in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal door middel van braak, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.

Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, Sv

De kinderrechter heeft ter zake van de in eerste aanleg bewezenverklaarde feiten opgelegd een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen jeugddetentie, waarvan 70 uren, subsidiair 35 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden.
Nu het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 bewezenverklaarde, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv Pro eerst de straf bepalen ten aanzien van de in eerste aanleg onder feit 2 van 15-242942-24 (schuldheling snorfiets) en 15-325241-24 (schuldheling bromfiets) bewezen verklaarde misdrijven. Dat houdt in dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de straf geacht moet worden door de rechtbank te zijn opgelegd ter zake van deze feiten, die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de straf ten aanzien van feit 2 van 15-242942-24 (schuldheling snorfiets) en 15-325241-24 (schuldheling bromfiets) zal bepalen op een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie
Het hof bepaalt deze straf op een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen jeugddetentie, waarvan 90 uren, subsidiair 45 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden, met dadelijke tenuitvoerlegging daarvan.
De raadsman heeft eveneens bepleit dat bijzondere voorwaarden worden opgelegd en dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, om het kader dat nu tijdelijk is opgelegd in de vorm van schorsingsvoorwaarden in de strafzaak tegen de verdachte met parketnummer 15-016747-26, te bestendigen.
Ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 1 heeft het hof in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft samen met een andere jongen geprobeerd in te breken in een strandpaviljoen. Daarbij is de houder van het strandpaviljoen geslagen met een koevoet. Hij is gewond geraakt en het voorval heeft grote impact op hem gehad. De verdachte en zijn mededader hebben daardoor op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het eigendom van een ander, en daarbij alleen gedacht aan hun eigen gewin.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers zich door dit soort misdrijven nog lang onveilig kunnen voelen en daardoor beperkt kunnen worden in hun doen en laten. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de door de Raad voor de Kinderbescherming uitgebrachte rapporten van 16 oktober 2025 (in de onderhavige strafzaak) en 29 januari 2026 (in een nieuwe, nog lopende strafzaak). Uit deze rapporten komt naar voren dat er zorgen zijn over de ontwikkeling en houding van de verdachte en dat het daarom van belang is dat de verdachte verder wordt begeleid door de Zware Jongens en een zinvolle dagbesteding gaat vinden en behouden. In het rapport van 16 oktober 2025 is het algemeen recidiverisico hoog geacht, waarbij is opgemerkt dat de herhalingskans wordt vergroot door de leefgebieden school, relaties en drugsgebruik, en is geadviseerd om aan de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met bijzondere voorwaarden. In het rapport van 29 januari 2026 is het algemeen recidiverisico ingeschat als zeer hoog.
Het hof acht alles afwegende een deels voorwaardelijke werkstraf, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, passend en geboden.
Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen, zoals ook bepleit door de verdediging en gevorderd door de advocaat-generaal. Redengevend is het volgende. Het onder 1 bewezenverklaarde misdrijf is gericht tegen of heeft gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gezien voornoemde risico inschattingen van de Raad is het van evident belang dat de op te leggen voorwaarden meteen inzetbaar worden om recidive zoveel mogelijk te voorkomen. Het is immers essentieel dat de verdachte ondersteund wordt en dat hij, ook na eventuele afloop van genoemd schorsingskader of na het eventuele instellen van een rechtsmiddel, niet van behandeling en begeleiding verstoken blijft.

Beslag

Het in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen. Zij zijn onder de verdachte in beslag genomen en zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 7.852,00, bestaande uit € 1.352,00 materiële schade en € 6.500,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.626,04, te weten € 1.126,04 materiële schade en € 1.500,00 immateriële schade. Aan gevorderde kosten is toegewezen een bedrag van € € 408,00.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de vordering verlaagd tot een bedrag van € 7.626,04, bestaande uit € 1.126,04 materiële schade en € 6.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook worden de kosten van rechtsbijstand onverkort gevorderd, gelet op de voortzetting van het geding.
De advocaat-generaal heeft de gedeeltelijke toewijzing van de vordering overeenkomstig de beslissing van de kinderrechter gevorderd.
De verdediging heeft de vordering niet betwist ten aanzien van de
materiëleschade. De raadsman verzoekt het hof de
immateriëleschadevordering niet-ontvankelijk te verklaren op de primaire grond dat de verdachte geen aandeel heeft gehad in de geweldscomponent (vrijspraak verweer) en subsidiair omdat hij alleen heeft gedreigd met geweld en niet zelf geweldshandelingen heeft gepleegd, zodat er dus geen rechtstreekse relatie bestaat tussen zijn handelen en het gestelde letsel van de benadeelde. Meer subsidiair verzoekt de raadsman om aan te sluiten bij de toewijzing tot € 1.500,00 in eerste aanleg, omdat er onvoldoende (medische) aanknopingspunten zijn voor toewijzing van een hogere vergoeding volgens de criteria van de Rotterdamse Schaal.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks een bedrag van € 1.126,04 aan materiële schade heeft geleden, zoals gevorderd en reeds door de kinderrechter was toegewezen. De verdachte is dus gehouden tot vergoeding daarvan, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.
Immateriële schade
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is hier het geval. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof namelijk voldoende gebleken dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte letsel aan zijn hand heeft opgelopen. Voor deze immateriële schade is verdachte hoofdelijk aansprakelijk.
Gegeven deze aanspraak komt het hof toe aan de begroting van deze immateriële schade.
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof sluit daartoe aan bij de Rotterdamse Schaal (RS) in samenhang met de Aanbevelingen van de rechtspraak voor de begroting van smartengeld (rechtspraak.nl).
Het hof acht op basis van de nu voorhanden zijnde stukken het bestaan van ‘licht letsel’ als bedoeld in de RS paragraaf 13, categorie (b) herstel binnen 2 tot 4 maanden, aannemelijk. In dat geval ligt de bandbreedte tussen 725 en 2.175 euro. Het hof houdt daarbij rekening met een nog resterend klein licht litteken, dat zichtbaar is op een overgelegde foto, hetgeen door de verdediging niet is betwist. Naast de geconcretiseerde pijn en het ongemak van het letsel, neemt het hof in ogenschouw de door de benadeelde toegelichte emotionele effecten als gevolg van de impact van de gewelddadige inbraak op zijn welzijn, hetgeen de verdachte niet heeft betwist. Daarbij betrekt het hof ook de ernst van de verwijtbaarheid van de verdachte op het toebrengen van het letsel, volgend uit de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging. Alles afwegend, acht het hof de het door de rechtbank toegewezen en ook in hoger beroep gevorderde bedrag van € 1.500,00 aan smartengeld in de gegeven omstandigheden billijk. De verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden. De vordering vermeerderd met rente is toewijsbaar.
Het méér gevorderde is gebaseerd op gesteld zwaarder handletsel met een langere herstelduur, waarbij de benadeelde uitgaat van de RS paragraaf 5.11 sub c, ‘minder ernstig handletsel’, bandbreedte 4.000 - 10.000 euro. Ter beoordeling daarvan is – mede gegeven de betwisting – (medisch) bewijs nodig. De benadeelde partij heeft eerder aangeboden om indien nodig alsnog medische stukken te verstrekken. Nader bewijsonderzoek zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Daarom bepaalt het hof in dit geval dat het méér gevorderde wordt afgesplitst en niet-ontvankelijk is zodat de benadeelde partij dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Het hof zal – eveneens hoofdelijk - de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Proceskosten
De benadeelde partij vordert tot slot kosten van juridische bijstand. Nu de verdachte deels in het ongelijk is gesteld door zowel rechtbank als hof, ziet het hof aanleiding om hem hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten van de benadeelde als volgt:
In eerste aanleg
Conform de beslissing van de kinderrechter, ad € 408,00.
In hoger beroep
Voor de behandeling in appel is het zogeheten liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven van toepassing, waarbij wordt aangesloten bij de categorie ‘incidenteel appel/hoger beroep van een uitspraak van de kantonrechter op het hof’, 1 punt (aanvullende verklaring van geringe aard nihil, zitting 1 punt), tarief I (tot € 10.000), dus 1x € 858 : 2 = € 429,00.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
75 (vijfenzeventig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot
90 (negentig)uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
45 (vijfenveertig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- de verdachte meewerkt aan het vinden en behouden van een dagbesteding;
- de verdachte meewerkt aan de begeleiding van de Zware Jongens of een soortgelijke instelling, zo lang de jeugdreclassering dit nodig acht.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat De Jeugd- & Gezinsbeschermers toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaaltde door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak 15-242942-24 onder 2 en in zaak 15-325241-24 onder 2 subsidiair bewezenverklaarde op: een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
10 (tien) dagen jeugddetentie.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
15-242942-24: 1 STK Muts;
15-242942-24: 2 STK Breekijzer.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.626,04 (tweeduizend zeshonderdzesentwintig euro en vier cent) bestaande uit € 1.126,04 (duizend honderdzesentwintig euro en vier cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 837,00(achthonderdzevenendertig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-242942-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.626,04 (tweeduizend zeshonderdzesentwintig euro en vier cent) bestaande uit € 1.126,04 (duizend honderdzesentwintig euro en vier cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 juli 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. M.T.C. de Vries en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. van Wieren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 maart 2026.
Mrs. M.T.C. de Vries en C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]