ECLI:NL:GHAMS:2026:606

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
23-001033-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 338 SvArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs poging moord en zware mishandeling

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en verdachte vrijgesproken van medeplegen van poging tot moord en zware mishandeling met voorbedachten rade. De zaak betrof een schietincident op 17 februari 2015 waarbij het slachtoffer ernstig gewond raakte.

De verdediging voerde verweren aan tegen de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege overschrijding van de redelijke termijn en schending van verdedigingsrechten, maar deze werden door het hof verworpen. Het hof oordeelde dat ondanks de lange duur van de procedure geen zodanige ernstige inbreuk op het recht op een eerlijk proces was vastgesteld.

Het bewijs was onvoldoende om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte opzet had op het schietincident of dat hij de schutter was. Telefonische contacten en verklaringen van medeverdachte waren niet toereikend om schuld te bewijzen. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding omdat de verdachte werd vrijgesproken. De in beslag genomen voorwerpen werden aan verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen poging tot moord en zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001033-23
datum uitspraak: 10 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-665104-15 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
adres: [adres] .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
24 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

2.Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

2.1.
Verweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat het openbaar ministerie (hierna: OM) om twee redenen niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
Ten eerste is door het excessieve tijdsverloop – zowel vóór als na de terugwijzing naar de rechtbank – sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, waarvoor geen rechtvaardiging bestaat. Dat dient in deze specifieke zaak te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het OM. Geen rechtsregel verzet zich tegen het incidenteel en goed gemotiveerd loslaten van het beoordelingskader van de Hoge Raad op dit punt.
Ten tweede is door het excessieve tijdsverloop een ernstige en onherstelbare inbreuk gemaakt op de verdedigingsrechten van de verdachte, waardoor het OM op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Als gevolg van het excessieve tijdsverloop is het recht van de verdachte ‘op een ongestoord verloop van de in artikel 338 Sv Pro genoemde rechterlijke overtuiging’ namelijk onherstelbaar geschonden, hetgeen niet kan worden gecompenseerd.
2.2.
Oordeel van het hof
2.2.1.
Ten aanzien van het eerste verweer
Het hof overweegt dat niet ter discussie staat dat de redelijke termijn ruimschoots is overschreden. De verdachte is op 1 juli 2015 in verzekering gesteld en het vonnis is – bijna 6 jaren later – op 17 juni 2021 gewezen, waarmee de redelijke termijn destijds met bijna 4 jaren is overschreden. De zaak is daarna in hoger beroep behandeld en is teruggewezen naar de rechtbank. Tegen het laatste vonnis van de rechtbank is op 30 maart 2023 hoger beroep ingesteld, waardoor de redelijke termijn in dit (tweede) hoger beroep bij het wijzen van dit arrest met bijna één jaar is overschreden. In totaal heeft de rechtsgang ruim 10 jaar en 8 maanden geduurd.
Deze overschrijding van de redelijke termijn kan op zichzelf – en dus zonder dat daarnaast is vastgesteld dat (mede) als gevolg van die overschrijding sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte dat van een eerlijk proces geen sprake meer kan zijn – nooit leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging van de verdachte. Dit is onlangs herhaald in het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1875). Van een dergelijke, zodanig ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces, is naar het oordeel van het hof niet gebleken. Voor het loslaten van voornoemd kader, zoals de verdediging heeft betoogd, ziet het hof voorts geen aanleiding. Het verweer wordt dan ook verworpen.
2.2.2.
Ten aanzien van het tweede verweer
Het hof overweegt dat, indien de verdediging een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd, aan de hand van de in die bepaling vermelde factoren, wordt aangegeven van welk vormverzuim sprake is en tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. De daarbij in acht te nemen factoren zijn:
i) het belang dat het geschonden voorschrift dient, ii) de ernst van het verzuim en iii) het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Alleen op een zodanig verweer is het hof gehouden een met redenen omklede beslissing te geven.
Het door de verdediging gevoerde verweer op grond van artikel 359a Sv voldoet naar het oordeel van het hof niet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. Immers is niet duidelijk geworden welk voorschrift volgens de verdediging is geschonden; het bepaalde in artikel 338 Sv Pro is niet als een zodanig voorschrift aan te merken. Het verweer wordt dan ook verworpen.

3.Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primairhij op of omstreeks 17 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [benadeelde] van het leven te beroven, door zich naar de plaats delict en/of naar voornoemde [benadeelde] te begeven waarna hij verdachte en/of zijn mededader(s) met een vuurwapen éénmaal of meermalen heeft/hebben geschoten op en/of in de richting van de borst en/of het gezicht/hoofd en/of de arm(en) en/of het/de be(e)en(en), in elk geval op en/of in de richting van het lichaam, van voornoemde [benadeelde] ;
subsidiairhij op of omstreeks 17 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (blijvende beperking(en)/schade elleboogfuncties) heeft/hebben toegebracht door met een vuurwapen éénmaal of meermalen te schieten op en/of in de richting van de borst en/of het gezicht/hoofd en/of de arm(en) en/of het/de be(e)n(en), in elk geval op en/of in de richting van het lichaam, van voornoemde [benadeelde] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof weliswaar tot dezelfde beslissing komt als de rechtbank, maar daaraan voorafgaand een overweging ten aanzien van de ontvankelijkheid van het OM opneemt en voorts de beslissing tot vrijspraak anders zal motiveren, waardoor het gedeeltelijk bevestigen van het vonnis een te onoverzichtelijk samenstel van beslissingen en motiveringen zou opleveren.

5.Vrijspraak

5.1.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de primair tenlastegelegde poging tot moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. Zij heeft betoogd dat op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de plaats delict is gereden, waar [medeverdachte 2] in opdracht van de verdachte vervolgens op het slachtoffer heeft geschoten.
5.2.
Verweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte geheel dient te worden vrijgesproken, omdat niet bewezen kan worden dat [medeverdachte 2] de schutter was, niet kan worden vastgesteld wat de inhoud is van het telefonische contact tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voorafgaand aan het schietincident en de verdachte niet in de auto van [medeverdachte 1] te plaatsen is ten tijde van het schietincident. Met de inhoud van de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] moet tot slot op buitengewoon behoedzame wijze worden omgegaan.
5.3.
Oordeel van het hof
5.3.1.
Feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier stelt het hof vast dat op 17 februari 2015 rond 23.00 uur nabij het sorteercentrum van PostNL op de Australiëhavenweg te Amsterdam een schietincident heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer is beschoten, door meerdere kogels is getroffen en ernstig gewond is geraakt. De schutter is door medeverdachte [medeverdachte 1] , die ten tijde van het tenlastegelegde als zogenoemde snorder optrad, naar deze plaats gebracht in een BMW 3-serie en is na de beschieting weer ingestapt, waarna de BMW is weggereden. [medeverdachte 1] heeft de schutter dus vervoerd.
Uit de telefoongegevens blijkt dat de verdachte en [medeverdachte 1] in de periode vóór het schietincident meermalen telefonisch contact hebben gehad. Op 17 februari 2025 hadden zij om 20.20 uur en 21.43 uur telefonisch contact, terwijl uit zendmastgegevens blijkt dat hun telefoons om 21.43 uur dezelfde telefoonmast aanstraalden in Amsterdam-Oost. Ook heeft de verdachte op 17 februari 2015 meermalen telefonisch contact gehad met [medeverdachte 2] , die volgens de advocaat-generaal blijkens onder meer zogenoemde PGP-communicatie de vermoedelijke schutter is geweest.
5.3.2.
Verklaring van [medeverdachte 1]
De advocaat-generaal heeft de verklaringen die [medeverdachte 1] heeft afgelegd als belastend aangemerkt. [medeverdachte 1] heeft daarin onder meer verklaard, nadat hem een foto van de verdachte was getoond, dat ‘deze man’ hem heeft gebeld, dat hij de verdachte en een andere jongen (door het OM aangemerkt als [medeverdachte 2] ) in Amsterdam-Oost heeft opgehaald en dat de verdachte hem zei dat hij bij Sloterdijk moest zijn. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij niet heeft gezien hoe ‘het’ is gegaan. Daarna heeft [medeverdachte 1] hen teruggebracht naar Amsterdam-Oost.
5.3.3.
Overwegingen van het hof
Het hof laat het verweer strekkende tot het uiterst behoedzaam omgaan met de verklaringen van [medeverdachte 1] buiten beschouwing. Zelfs indien van de inhoud van de verklaringen van [medeverdachte 1] wordt uitgegaan, is namelijk niet wettig en overtuigend gebleken dat de verdachte – die blijkens het dossier en het betoog van de advocaat-generaal niet de schutter is geweest – opzet had op de beschieting van het slachtoffer. De omstandigheden dat de verdachte telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (van wie overigens niet overtuigend kan worden vastgesteld dat hij de schutter was), de verdachte en de schutter door [medeverdachte 1] zijn opgehaald en [medeverdachte 1] heen en weer is gereden naar het postsorteercentrum, zijn voor het trekken van die conclusie onvoldoende. Daarmee is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

6.Beslag

Onder de verdachte zijn in het onderzoek de volgende voorwerpen in beslag genomen, die aan hem toebehoren en nog niet aan de verdachte zijn teruggegeven:
  • 1 zaktelefoon (Samsung Galaxy S5 mini, G4997547);
  • 1 jas (Canada Goose, G4997603).
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken en geen grond bestaat voor enig andere beslissing, zullen deze voorwerpen aan de verdachte worden teruggegeven.

7.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 16.278,53 en bestaat uit € 1.278,53 aan materiële schade en
€ 15.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, maar heeft de vordering met € 10,00 verlaagd.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard voor het plegen van zowel het primaire als het subsidiaire tenlastegelegde feit, waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

8.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • 1 zaktelefoon (Samsung Galaxy S5 mini, G4997547);
  • 1 jas (Canada Goose, G4997603).
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. E.J. Hofstee en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
10 maart 2026.