Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Eerste aanleg
4.Beoordeling
grieven 1 en 2richten zich tegen de afwijzing van de vordering van [appellant] tot schorsing van het concurrentiebeding ten aanzien van de boekingskantoren WME en [naam 2] . De
grieven 3, 4 en 5zien op de gedeeltelijke schorsing van het relatiebeding ten aanzien van [naam 2] , WME, [naam 3] en [naam 4] per 1 oktober 2026.
grief 1bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat [naam 2] en WME concurrenten zijn in de zin van het concurrentiebeding. Volgens [appellant] richten [naam 2] en WME zich op een ander type artiesten dan [geïntimeerde] , namelijk internationale artiesten in diverse muziekgenres, terwijl [geïntimeerde] zich uitsluitend richt op opkomende, Nederlandse muziekartiesten in het elektronische genre. Daarnaast zijn [naam 2] en WME actief in meerdere sectoren zoals sport, theater, mode en film, terwijl [geïntimeerde] zich enkel op de muziekindustrie richt. Er is geen overlap tussen de artiesten, aangezien de markt en artiesten duidelijk verdeeld zijn door wettelijke en commerciële factoren, aldus [appellant] .
grief 2bestrijdt [appellant] het oordeel dat [geïntimeerde] voldoende belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding en dat het belang van [appellant] bij indiensttreding bij [naam 2] of WME daarvoor moet wijken. [appellant] voert aan dat de kantonrechter ten onrechte een aantal factoren niet of onjuist heeft meegewogen bij de belangenafweging. Ten eerste hecht de kantonrechter ten onrechte belang aan het feit dat [appellant] zelf zijn dienstverband heeft opgezegd. Na het vertrek van [naam 1] en een niet-reëel aanbod om partner te worden bij [geïntimeerde] , waren er bij [geïntimeerde] geen reële doorgroeimogelijkheden voor [appellant] en zag hij zich genoodzaakt zijn dienstverband op te zeggen. Ten tweede is miskend dat de looptijd van één jaar van het concurrentiebeding een ingrijpende en onbillijke benadeling oplevert voor [appellant] . Ten derde bestrijdt [appellant] dat [naam 2] en WME specifieke interesse hebben in het bedrijfsdebiet van [geïntimeerde] . Er zijn dan wel ‘non disclosure agreements’ (NDA’s) getekend, maar deze omstandigheid bewijst geen actuele interesse van [naam 2] en/of WME in een overname van [geïntimeerde] . Ten vierde bestaat er volgens [appellant] geen overlap van artiesten, maar is er sprake van een marktverdeling op basis van wettelijke, geografische en commerciële lijnen, waardoor [naam 2] en WME in bepaalde regio’s niet concurreren met [geïntimeerde] . Ten vijfde bestrijdt [appellant] dat hij een bijzondere positie binnen [geïntimeerde] heeft. Zijn kennis en informatie over het bedrijf is niet uniek of onderscheidend van die van de andere Senior Agents bij [geïntimeerde] en/of ten opzichte van andere boekingskantoren. Er is dus geen risico dat [appellant] geheime kennis gaat aanwenden om artiesten naar [naam 2] of WME te laten overstappen. Ten zesde benadrukt [appellant] dat hij geen doorgroeimogelijkheden had bij [geïntimeerde] , maar die mogelijkheden wel bestaan bij [naam 2] en WME. Bovendien verdampen het perspectief en de kans om zijn carrière binnen de muziekindustrie voort te zetten per dag dat hij niet actief is. Tot slot meent [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte zonder enige motivering de nog meer subsidiaire vordering tot beperking van het concurrentiebeding in duur en/of reikwijdte heeft afgewezen, ondanks dat het beding zeer ruim is geformuleerd.
grief 3bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat Garrix [naam 5] , [naam 2] en WME onder het relatiebeding vallen. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] zijn vordering strekkende tot schorsing van het relatiebeding voor zover dit betrekking heeft op [naam 1] , laten vallen. Wat betreft [naam 2] en WME voert [appellant] aan dat het onjuist is hen onder het relatiebeding te plaatsen, aangezien zij geen artiesten zijn en niet worden vertegenwoordigd door [geïntimeerde] . Verder voert [appellant] aan dat [naam 5] slechts een relatie is van [geïntimeerde] voor de regio’s Europa, Midden-Oosten, Afrika en Australië, zodat het relatiebeding [geïntimeerde] alleen voor deze regio’s kan beschermen. Met
grief 4betwist [appellant] dat [naam 3] en [naam 4] onder het relatiebeding vallen, omdat dit beding alleen betrekking heeft op gevestigde relaties en niet op zogenoemde prospects. De kantonrechter heeft het beding ten onrechte zo uitgelegd dat ook prospects eronder vallen. In geval van onduidelijkheid moet het beding in het nadeel van [geïntimeerde] worden uitgelegd. Van een reële kans op een zakelijke relatie tussen Angello en Eftekhari enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds was bovendien nooit sprake, aldus [appellant] .
grief 5bestrijdt [appellant] het oordeel dat het belang van [geïntimeerde] bij handhaving van het relatiebeding ten aanzien van [naam 5] voldoende aannemelijk is gemaakt, en dat dat belang zwaarder weegt dan dat van [appellant] (in ieder geval voor een periode van twaalf maanden). [naam 5] is volgens [appellant] voor de regio’s Noord- en Zuid-Amerika en Azië geen relatie van [geïntimeerde] . Verder betwist [appellant] het oordeel van de kantonrechter om het relatiebeding ten aanzien van [naam 2] , WME, [naam 3] en [naam 4] te matigen tot slechts twaalf maanden, omdat hij daardoor gedurende een jaar uit de markt wordt gedrukt zonder gerechtvaardigd belang van [geïntimeerde] . Volgens [appellant] heeft de kantonrechter niet gemotiveerd waarom twaalf maanden in deze situatie wel passend is.