Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
grief 1door [appellant] aangevoerde aanvullende feiten relevant zijn en vast staan, zal het hof daarmee bij de beoordeling van het geschil rekening houden. De juistheid van de door de kantonrechter vastgestelde feiten is op zichzelf niet in geschil. Deze feiten dienen daarom ook het hof als uitgangspunt. De feiten komen neer op het volgende.
- vindt de jaarlijkse huurprijswijziging plaats op basis van de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI), reeks alle huishoudens (2015=100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS);
- wordt de gewijzigde huurprijs berekend volgens de formule: de gewijzigde huurprijs is gelijk aan de geldende huurprijs op wijzigingsdatum, vermenigvuldigd met het indexcijfer van de vierde kalendermaand die ligt voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast, gedeeld door het indexcijfer van de zestiende kalendermaand die ligt voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast;
- zal de huurprijs niet gewijzigd worden indien de aanpassing leidt tot een lagere huurprijs dan de laatstgeldende, doch in dat geval blijft die laatstgeldende huurprijs ongewijzigd, totdat bij een volgende indexering het indexcijfer van de kalendermaand, die ligt vier kalendermaanden vóór de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast, hóger is dan het indexcijfer op basis waarvan de huurprijs voor het laatst is gewijzigd.
- zal een zoveel mogelijk vergelijkbaar indexcijfer worden gehanteerd, indien het CBS de bekendmaking van bedoeld prijsindexcijfer staakt of de basis van de berekening daarvan wijzigt, en kan bij verschil van mening hieromtrent door meest gerede partij aan de directeur van het CBS een uitspraak worden gevraagd die voor partijen bindend is. De eventueel hieraan verbonden kosten worden door partijen elk voor de helft gedragen;
- geldt de gewijzigde huurprijs ook indien van de wijziging aan huurder geen afzonderlijke mededeling wordt gedaan.
30.Indien een deel van de huurovereenkomst of van de algemene bepalingen nietig of vernietigbaar is, dan laat dit de geldigheid van de overige bepalingen onverlet. In plaats van het vernietigde of nietige deel geldt alsdan als overeengekomen hetgeen op wettelijke toelaatbare wijze het dichtst komt bij hetgeen partijen overeengekomen zouden kunnen zijn, indien zij de nietigheid of de vernietigbaarheid gekend zouden hebben.
- Iedere week € 900,= te betalen
- Eerste keer 24 september
- Iedere dinsdag
- 13 weken € 900,-
- 14e week € 688.33
4.Procedure bij de kantonrechter
€ 75,00
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
grieven 2 tot en met 7dat het hof het bestreden vonnis moet vernietigen en de hiervoor in 4.1. onder II en III genoemde vorderingen van [geïntimeerden] alsnog moet afwijzen. Dit leidt er volgens [appellant] toe dat zij het ontruimingsvonnis alsnog ten uitvoer zal mogen leggen, omdat [geïntimeerde 1] in 2023 opnieuw een betalingsachterstand heeft laten ontstaan. [appellant] stelt zich daarbij op het standpunt dat partijen op 18 september 2022 (zie hierboven onder 3.5) zijn overeengekomen dat [appellant] het ontruimingsvonnis niet ten uitvoer zou leggen,
zolang[geïntimeerde 1] de ook op dat moment overeengekomen betalingsregeling zou nakomen én niet opnieuw een huurachterstand zou laten ontstaan. Dat [geïntimeerde 1] zou hebben erkend dat [appellant] alsnog het ontruimingsvonnis ten uitvoer zou leggen als hij weer een huurachterstand zou laten ontstaan, volgt volgens [appellant] uit de zittingsaantekeningen van de zitting van 19 januari 2024. Daarin staat dat de kantonrechter aan [geïntimeerde 1] vraagt: “Mevrouw [appellant] zegt dat de afspraak ook was dat als er weer een huurachterstand zou ontstaan, dat u dan toch de woning uit moest?” en dat [geïntimeerde 1] daarop antwoordt: “Ja dat klopt”.
nooitmag worden ontruimd als daarin een kind woont, maar wel dat in dat geval de belangen van dit kind een bijzonder gewicht in de schaal leggen en (kenbaar) door een rechter moeten zijn meegewogen. De belangen van de dochter zijn niet (kenbaar) meegewogen in het ontruimingsvonnis. Dat staat eraan in de weg dat het ontruimingsvonnis ten uitvoer wordt gelegd.
grief 8komt [appellant] daarnaast op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij is te kwalificeren als verkoper in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn oneerlijke bedingen), omdat zij in dit geval een professioneel handelend verhuurder is. Volgens [appellant] is zij dat niet, en is de richtlijn oneerlijke bedingen om die reden niet van toepassing op de huurovereenkomst. Verder bestrijdt [appellant]
met grief 9het oordeel van de kantonrechter dat het huurprijswijzigingsbeding oneerlijk is.
4 lid 1 richtlijn oneerlijke bedingen). Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst. Een dergelijke beoordeling is gerechtvaardigd omdat die bedingen in hun geheel moeten worden toegepast, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft. De omstandigheid dat een beding voorkomt op de indicatieve lijst bij de richtlijn oneerlijke bedingen, leidt niet automatisch en op zichzelf tot de conclusie dat het beding een oneerlijk karakter heeft. Wel is dat een wezenlijk aspect waarop de rechter zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding kan baseren. Volgens artikel 5 richtlijn Pro oneerlijke bedingen moeten schriftelijke bedingen in overeenkomsten met consumenten steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Bij wijzigingsbedingen staat tegenover het rechtmatige belang van de wederpartij van de consument om zich in te dekken tegen een wijziging in de omstandigheden, het even rechtmatige belang van de consument om te weten, en dus te kunnen voorzien, wat de gevolgen van een dergelijke wijziging voor hem in de toekomst zullen zijn.
de mogelijkheidbestaat op een verstoring van het evenwicht, ook al zou deze verstoring zich alleen onder bepaalde omstandigheden kunnen voordoen of zou dat beding in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan de consument. Relevant is dus of het beding
potentieelhet evenwicht verstoort en niet of en in hoeverre de verhuurder feitelijk uitvoering geeft aan het beding. Dit betekent dat bij de toetsing van het opslagbeding ervan uit moet worden gegaan dat [appellant] steeds de maximale opslag van 3% in rekening zal brengen.
reëleen niet slechts formele opzeggingsmogelijkheid moet zijn. Ook aan dit vereiste is niet voldaan. Immers, hoewel de huurder formeel gezien de huurovereenkomst kan opzeggen, zal deze daar - zoals ook de Hoge Raad overweegt in (rov. 3.2.8 van) de prejudiciële beslissing - niet snel gebruik van (kunnen) maken, zeker niet in tijden van krapte op de woningmarkt.
€ 1.290,00(tarief II, 1 punt)