ECLI:NL:GHAMS:2026:629

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.360.720/01 SKG
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet kwaliteit klachten en geschillen zorgArt. 8 lid 4 Wet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over redelijkheid besluit zorginstelling tot overplaatsing cliënt

De zaak betreft een geschil tussen [appellant], een cliënt met een Wlz-indicatie, en zorginstelling Amsta over de overplaatsing van [appellant] van het Sarphatihuis naar een andere locatie van Amsta, het [naam 1]. Na conflicten over thuiszorg en de zorgrelatie heeft Amsta besloten de zorg en het verblijf van [appellant] te beëindigen en haar over te plaatsen. De voorzieningenrechter wees de vorderingen van [appellant] af, waarna zij in hoger beroep ging.

Het hof stelt vast dat Amsta zorgvuldig heeft gehandeld en in redelijkheid tot het besluit tot overplaatsing heeft kunnen komen. De zorgovereenkomst en eerdere afspraken betreffen een maatwerkoplossing voor deeltijdverblijf, waarbij Amsta beperkte zorgmomenten levert. De relatie tussen [appellant] en het zorgpersoneel was verstoord, wat door verklaringen van de clustermanager en psychologen is onderbouwd. Amsta heeft meerdere gesprekken gevoerd en alternatieven besproken, maar er waren weinig passende opties.

Het hof oordeelt dat het [naam 1] een passende locatie is, met betere zorgvoorzieningen en eigen sanitair, wat medisch wenselijk is. Hoewel [appellant] zich subjectief niet thuis voelt, is dit onvoldoende om het besluit onredelijk te achten. De grieven falen en het hof bekrachtigt het bestreden vonnis, wijst de vorderingen van [appellant] af en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Amsta in redelijkheid tot overplaatsing van cliënt heeft kunnen besluiten en wijst de vorderingen van cliënt af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.360.720/01 SKG
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/775183 / KG ZA 25-710
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend te [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. M.F. van der Mersch te Amsterdam,
tegen
STICHTING AMSTA,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. L. Bartelsman te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en Amsta genoemd.

1.De zaak in het kort

Amsta verleent zorg aan [appellant] in de vorm van deeltijdverblijf. In deze zaak ligt de vraag voor of Amsta in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om [appellant] over te plaatsen naar een andere locatie.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 14 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 17 september 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiseres en Amsta als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis). De dagvaarding bevat de grieven. Op de eerst dienende dag heeft [appellant] op de rol overeenkomstig die dagvaarding geconcludeerd en producties in het geding gebracht.
Amsta heeft vervolgens een memorie van antwoord, met producties, ingediend.
Op 17 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellant] heeft bij deze gelegenheid nog aanvullende producties (18 t/m 22) in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3.
Feiten
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.12. de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt. Het gaat om de volgende feiten.
3.1.
[appellant] , [leeftijd 1] , heeft somatische beperkingen en een indicatie op grond van de Wet Langdurige Zorg (Wlz).
3.2.
Amsta is een ouderen- en gehandicaptenzorginstelling waar cliënten met een Wlz-indicatie 24/7 intramuraal verblijven. Zij staan ingeschreven op het adres van een locatie van Amsta.
3.3.
In 2018 is [appellant] terecht gekomen op de revalidatieafdeling van het Dr. Sarphatihuis (hierna: het Sarphatihuis) te [plaats] , een locatie van Amsta. Zij verbleef daar aanvankelijk intramuraal.
3.4.
Op 21 december 2020 hebben partijen een zorgovereenkomst met de aanhef ‘Overeenkomst tot het aangaan van zorg met verblijf’ gesloten, die met terugwerkende kracht is ingegaan vanaf de datum van opname. Als locatie is het Sarphatihuis in de overeenkomst genoemd.
3.5.
In 2021 is er een conflict tussen partijen ontstaan over een voor [appellant] aangevraagde verzwaarde indicatie en haar weigering zich bij de gemeente in te schrijven op het adres van het Sarphatihuis.
3.6.
In de zomer van 2022 hebben partijen afspraken gemaakt over voortzetting van de zorgrelatie in de vorm van een deeltijdverblijf (DTV) op basis van een Wlz-indicatie met een zorgzwaartepakket 6LG. Dit is een maatwerkoplossing, speciaal voor [appellant] , zonder behandelingscomponent. De door Amsta (door de week) te leveren zorg is beperkt tot twee zorgmomenten: algemene dagelijkse levensverichtingen (ADL) en stomazorg.
3.7.
Op basis van de gemaakte afspraken verbleef [appellant] doordeweeks in het Sarphatihuis, waar zij een vaste kamer had, en in het weekend in haar huurwoning. Daar is zij aangewezen op de hulp van haar [leeftijd 2] moeder, die in een appartement onder haar woont. Daarnaast had [appellant] thuiszorg, die door Amsta was geregeld.
3.8.
In de loop van 2024 is er een conflict tussen [appellant] en Amsta ontstaan over de organisatie van de thuiszorg. [appellant] maakte in die periode ook in de weekends aanspraak op zorg bij Amsta. Omdat dit tot spanningen leidde bij het zorgpersoneel heeft Amsta [appellant] tijdens een gesprek op 4 december 2024 meegedeeld dat zij voornemens was de zorg te beëindigen. Amsta heeft dit bij e-mail van 9 december 2024 aan [appellant] bevestigd en heeft haar voornemen ook aan het zorgkantoor voorgelegd. Het zorgkantoor heeft goedkeuring verleend. Amsta heeft [appellant] vervolgens verzocht het Sarphatihuis uiterlijk 30 april 2025 te verlaten. Vanaf dat moment is ook de thuiszorg stopgezet.
3.9.
[appellant] is daarop een kort gedingprocedure gestart waarin zij heeft gevorderd om Amsta te veroordelen de zorgovereenkomst en haar verblijf in het Sarphatihuis voort te zetten.
3.10.
Bij vonnis van 15 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam de vorderingen van [appellant] toegewezen. Samengevat oordeelde de voorzieningenrechter dat Amsta vooralsnog onvoldoende had aangevoerd om beëindiging te rechtvaardigen, dat duidelijk is dat [appellant] veel hulp nodig heeft, die haar moeder slechts in geringe mate kan bieden en dat beëindiging van de zorg tot grote problemen zou leiden omdat er nog geen andere thuiszorgorganisatie was gevonden die de verdere zorg thuis kon uitvoeren. Onder 4.8 van het vonnis overwoog de voorzieningenrechter:
‘Beëindiging van de zorg leidt op dit moment tot zeer grote problemen voor [appellant] , die niet op korte termijn opgelost lijken te kunnen worden. Zij kan voorlopig niet zonder de overeengekomen zorg, in het bijzonder de logeerafspraak in het Dr. Sarphatihuis.Voortzetting van de zorg is noodzakelijk om te voorkomen dat [appellant] zonder enige vorm van (thuis)hulp thuis komt te zitten. De vordering zal daarom worden toegewezen. Daar zal geen eindtermijn aan worden verbonden. Partijen zullen samen naar een voor [appellant] passende oplossing moeten zoeken. Daarbij moet [appellant] zich realiseren dat die oplossing ook in een al dan niet tijdelijk verblijf buiten het Dr. Sarphatihuis gevonden kan worden.’
3.11.
Kort na het vonnis heeft [appellant] een nieuwe thuiszorginstelling gevonden, die thans thuiszorg aan haar verleent.
3.12.
Op 28 mei 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, in aanwezigheid van hun advocaten en de zogenoemde onafhankelijke cliënt ondersteuners (hierna: OCO’s). Daarbij is onder meer gesproken over de mogelijkheid voor [appellant] om weer intramuraal bij Amsta te komen wonen en over een oplossing waarbij [appellant] zelf de thuiszorg regelt voor de weekeinden. Ook is aan de orde geweest dat de relatie tussen [appellant] en Amsta en [appellant] en het zorgpersoneel van Rozeneiland - de afdeling waar [appellant] verbleef - is verstoord. Amsta heeft aangekaart dat organisaties als Nieuw Unicum beter geëquipeerd zijn om [appellant] zorg te bieden en dat een andere locatie van Amsta, [naam 1] , ook een geschikte locatie is. Partijen hebben afgesproken over de mogelijkheden te zullen nadenken en hebben een vervolgafspraak gemaakt voor 4 juni 2025.
3.13.
Partijen hebben vervolgens per e-mail gecorrespondeerd over het uitstellen van het vervolggesprek in verband met vermoeidheid van [appellant] . In een e-mail van 4 juni 2025 heeft [appellant] aan Amsta geschreven:
‘Had alleen een kleine vraag. Het is vanuit mijn ontstekingen van mijn blaas en darmen heel belangrijk dat ik een eigen wc en douche heb. (Kan het natuurlijk vanuit medisch oogpunt vanuit een arts schriftelijk weer laten geven) Hoop dat als ik uit het sarphatihuis weg zou gaan, ik dan een kamer met wc en douche zou kunnen krijgen.’
En in een e-mail van 23 juni 2025:
‘Ben wel blij dat je bij [naam 1] een eigen wc en douche hebt. Dat is inderdaad ook het medisch advies.’
3.14.
Op 2 juli 2025 heeft een volgend gesprek tussen partijen plaatsgehad, waarbij opnieuw de OCO’s aanwezig waren. Amsta heeft [appellant] tijdens dat gesprek laten weten dat zij bij Amsta alleen op de locatie [naam 1] terecht kan.
3.15.
Op 9 juli 2025 heeft [appellant] een rondleiding gekregen in het [naam 1] . Diezelfde dag nog heeft [appellant] Amsta per e-mail bericht dat zij besloten heeft in het Sarphatihuis te blijven. [appellant] schreef dat zij de kamer met sanitair mooi vond, maar dat zij zich niet thuis voelde op de locatie. Deze was heel rustig, terwijl zij vanwege haar slechtziendheid juist drukte nodig heeft, en er zouden maar weinig jongere mensen wonen.
3.16.
Bij e-mail van 26 augustus 2025 heeft Amsta [appellant] laten weten dat zij heeft besloten haar vanaf 8 september 2025 niet meer in het Sarphatihuis te laten verblijven maar in het [naam 1] (hierna: het besluit tot overplaatsing). Deze datum is vervolgens uitgesteld in verband met dit kort geding (in eerste aanleg).
3.17.
De overplaatsing van [appellant] van het Sarphatihuis naar het [naam 1] heeft uiteindelijk per maandag 22 september 2025 plaatsgevonden. Het weekend daarvoor zijn de spullen van [appellant] - in overleg met haar toenmalige advocaat - op kosten van Amsta door een verhuisbedrijf verhuisd.

4.Procedure bij de voorzieningenrechter

4.1.
[appellant] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd om Amsta op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen de zorgverlening en het verblijf in het Sarphatihuis voort te zetten en Amsta te verbieden haar te ontruimen en haar te dwingen het Sarphatihuis te verlaten of haar zonder haar toestemming te verplaatsen naar een andere locatie van Amsta. Verder heeft [appellant] gevorderd om te bepalen dat een beëindiging van haar verblijf in het Sarphatihuis uitsluitend kan plaatsvinden indien partijen daar gezamenlijk en eenstemmig toe besluiten en om Amsta in de volledige proceskosten te veroordelen.
4.2.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Kort gezegd oordeelde hij dat Amsta bij de totstandkoming van haar besluit zorgvuldig heeft gehandeld en in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de logeerplek van [appellant] te wijzigen van het Sarphatihuis naar het [naam 1] .

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
In hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis en - na wijziging van eis in hoger beroep -:
a. primair veroordeling van Amsta om de eerst vrijkomende kamer in het Sarphatihuis op de
roze afdeling dan wel de somatische afdeling beschikbaar te maken voor [appellant] en de zorgverlening en het verblijf van [appellant] in het Sarphatihuis in deeltijd overeenkomstig de in de zorgovereenkomst gemaakte afspraken voort te zetten;
b. subsidiair veroordeling van Amsta om in gezamenlijk overleg een passende nieuwe
deeltijdplek te vinden voor [appellant] , waarbij Amsta uitdrukkelijk rekening houdt met de
wensen van [appellant] met name ten aanzien van de sociale omgeving waarin
zij terechtkomt en Amsta daarbij overeenkomstig artikel 8 lid 4 van Pro de Wlz dient te
handelen;
c. met veroordeling van Amsta in de kosten van het geding in beide instanties met rente.
5.2.
Amsta concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

6.Beoordeling

6.1.
De grieven van [appellant] , die door Amsta zijn bestreden, lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Daarmee komt [appellant] - kort gezegd - op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Amsta in redelijkheid heeft kunnen besluiten [appellant] over te plaatsen naar het [naam 1] . Omdat inmiddels (per 22 september 2025) uitvoering aan dat besluit is gegeven, heeft [appellant] haar vorderingen in hoger beroep gewijzigd (zie 5.1). [appellant] wil nog steeds terug naar het Sarphatihuis of naar een andere in overleg te bepalen passende deeltijdplek en handhaaft haar standpunt dat het [naam 1] niet geschikt voor haar is.
6.2.
Anders dan [appellant] stelt, is het toetsingskader van het besluit tot overplaatsing niet hetzelfde als dat van een besluit tot beëindiging van de zorgrelatie. Opzegging van de zorgovereenkomst door Amsta kan alleen op bepaalde in de toepasselijke algemene voorwaarden genoemde gronden (waaronder zodanig gedrag van de cliënt dat voortzetting van de overeenkomst niet kan worden verwacht of andere gewichtige redenen), terwijl partijen over overplaatsing of verhuizing niets zijn overeengekomen. Dat neemt niet weg dat het besluit tot overplaatsing voor [appellant] ingrijpend is en dat Amsta daar niet lichtvaardig toe over kan gaan. Er dient een zorgvuldig besluitvormingsproces aan vooraf te gaan en Amsta moet in redelijkheid tot haar besluit hebben kunnen komen. Daarbij dient ook aan de voorwaarden van de artikelen 2 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en 8 lid 4 Wlz te zijn voldaan. Op grond van eerstgenoemd artikel dient een zorginstelling goede zorg te verlenen, die onder meer cliëntgericht is en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt (onder a). Verder dient de instelling de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht te nemen en de cliënt ook overigens met respect te behandelen (onder c). Ingevolge artikel 8.1.1 lid 4 Wlz dient een zorgaanbieder een weloverwogen wens van de cliënt met betrekking tot de wijze waarop hij zijn leven wenst in te richten, in beginsel te respecteren.
6.3.
Het hof is voorshands van oordeel dat Amsta na een zorgvuldig besluitvormingsproces in redelijkheid tot de overplaatsing van [appellant] heeft kunnen besluiten en dat de artikelen 2 Wkkgz en 8.1.1 lid 4 Wlz niet zijn geschonden. Daartoe is het volgende redengevend.
6.4.
Vast staat dat partijen in de zomer van 2022 voor [appellant] een maatwerkoplossing hebben afgesproken. Waar Amsta alleen intramurale zorg biedt (en het verblijf van [appellant] aanvankelijk ook intramuraal was), heeft zij met [appellant] bijzondere afspraken gemaakt over deeltijdverblijf, zodat [appellant] in de weekends in haar huurwoning kan verblijven. De behandeling van [appellant] is geen onderdeel van de zorg die Amsta biedt, er zijn op de dagen dat [appellant] bij Amsta verblijft slechts twee zorgmomenten en Amsta heeft geen toegang tot het medisch dossier van [appellant] . De eind 2020 gesloten zorgovereenkomst reflecteert in zoverre de gemaakte afspraken niet. Zoals Amsta heeft aangevoerd, duidt de titel ‘Overeenkomst tot het aangaan van zorg met verblijf’ op de vroegere intramurale situatie van [appellant] en niet op het daarna afgesproken deeltijdverblijf. Dat in de zorgovereenkomst het Sarphatihuis als locatie wordt genoemd, acht het hof dan ook niet van doorslaggevende betekenis.
6.5.
Het hof volgt [appellant] niet in haar betoog dat Amsta na ontvangst van het bestreden vonnis geen enkele poging heeft ondernomen om gezamenlijk een passende oplossing te vinden en direct is gaan aansturen op haar vertrek. Uit de onder 3 weergegeven feiten blijkt dat er in ieder geval twee gesprekken tussen partijen hebben plaatsgevonden, waarbij ook de OCO’s aanwezig waren. Tijdens die gesprekken is over meerdere potentiële oplossingen gesproken. Daarnaast heeft Amsta onderbouwd en onweersproken gesteld dat de OCO’s al voor het eerste kort geding een onderzoek hadden verricht naar mogelijke alternatieven, maar dat [appellant] die alle om verschillende redenen van de hand heeft gewezen. Er waren dus ook geen talloze oplossingen voorhanden.
6.6.
Dat voortzetting van het DTV in het Sarphatihuis voor haar geen optie was omdat de relatie met het zorgpersoneel daarvoor teveel verstoord is geraakt, heeft Amsta onderbouwd door een verklaring van de clustermanager van de afdeling, [naam 2] , in het geding te brengen. [naam 2] verklaart dat het zorgpersoneel spanningen ervoer door de intensieve en complexe zorg voor en communicatie met [appellant] . Vooral de omstandigheid dat [appellant] haar verzoeken aan verschillende medewerkers voorlegde in de hoop het door haar gewenste antwoord te krijgen, heeft volgens [naam 2] invloed gehad op de teamdynamiek en ertoe geleid dat er geen vaste lijn in de zorg te hanteren was. Medewerkers werden terughoudend in de communicatie uit angst dat [appellant] hun woorden tegen hen zou gebruiken en negatieve rapportages werden op verzoek van [appellant] verwijderd en vervolgens in een ‘niet zichtbaar’ portaal geplaatst.
6.7.
Voor het standpunt van Amsta valt bovendien steun te vinden in de door Amsta overgelegde brief van 17 december 2020 van psycholoog [naam 3] en GZ-psycholoog
[naam 4] . Zij verklaren dat [appellant] veeleisend is, dat haar zorgverleners druk ervaren en [appellant] een hoge begeleidingsbehoefte heeft; intensieve begeleiding zal volgens hen noodzakelijk blijven. De brief is geschreven in het kader van de door Amsta in 2021 gedane aanvraag voor een zwaardere indicatie, waar [appellant] zich tegen heeft verzet. Hoewel juist is dat er geen diagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden, legt dit - net als de omstandigheid dat het CIZ het bezwaar van [appellant] destijds gegrond heeft verklaard - weinig gewicht in de schaal. Vaststaat immers dat [appellant] niet heeft willen meewerken aan nader psychologisch onderzoek, zoals de psychologen ook in hun brief bevestigd hebben. Dat hun verklaring uitsluitend zou zijn gebaseerd op beweringen van het management, zoals [appellant] heeft aangevoerd, acht het hof niet aannemelijk. In de brief staat dat er meerdere gesprekken tussen de psycholoog en [appellant] hebben plaatsgevonden. De psycholoog lijkt in de brief in ieder geval ook haar eigen waarnemingen te beschrijven.
6.8.
Het hof heeft geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaringen van [naam 2] en de psychologen te twijfelen en acht op basis daarvan voldoende aannemelijk dat de relatie tussen [appellant] en het betrokken zorgpersoneel verstoord is geraakt. De verschillende verklaringen die [appellant] daartegenover heeft gesteld leiden niet tot een ander oordeel. Daarin valt met name te lezen dat [appellant] een lief persoon met een zacht karakter is, zoals zij zelf ook herhaaldelijk heeft gesteld. Amsta heeft dit ter zitting ook beaamd, maar heeft er daarbij op gewezen dat het een het ander niet uitsluit. Het hof wil aannemen dat [appellant] geen kwade bedoelingen heeft, maar dat neemt niet weg dat de betrokken zorgmedewerkers de hiervoor beschreven problemen met [appellant] hebben ervaren.
6.9.
Uit het voorgaande volgt dat het geschil, anders dan [appellant] stelt, niet was opgelost toen zij (na het eerste kortgedingvonnis) een nieuwe thuiszorgorganisatie had gevonden. De relatie tussen [appellant] en de zorgmedewerkers van de afdeling Rozeneiland was verstoord en Amsta moest daar iets mee. Als zorginstelling dient zij immers wel degelijk ook rekening te houden met de belangen van anderen, zoals haar medewerkers of andere cliënten. [appellant] heeft als alternatief de somatische afdeling van het Sarphatihuis aangedragen, maar die viel ook af omdat onweersproken is dat daar dezelfde zorgmedewerkers werken als op de afdeling Rozeneiland. Omdat er, zoals hiervoor overwogen, verder niet veel opties waren, heeft Amsta [appellant] het [naam 1] voorgesteld, een locatie waarvan het personeel beter geëquipeerd is om om te gaan met cliënten met een grote behoefte aan autonomie en waar bovendien
- anders dan in het Sarphatihuis - een kamer met eigen sanitair beschikbaar was. [appellant] stond daar aanvankelijk positief tegenover en heeft Amsta geschreven dat een eigen wc en badkamer ook medisch werden geadviseerd, maar zij is daar later van teruggekomen. Omdat Amsta geen toegang heeft tot haar medisch dossier kan zij dit niet verifiëren. Wat daar verder ook van zij, vast staat dat het in ieder geval wenselijk is dat [appellant] , die een stoma heeft, haar eigen sanitair heeft, zodat het niet meer dan logisch is dat Amsta daarmee rekening heeft gehouden in haar zoektocht. Na de rondleiding op 9 december 2025 was de aanvankelijke positieve houding van [appellant] voor het [naam 1] verdwenen. Zij stelde zich daar niet thuis te voelen en heeft Amsta meegedeeld dat zij in het Sarphatihuis bleef. Daarmee ontstond een patstelling, waarna Amsta uiteindelijk - na nog eenmaal de zienswijze van [appellant] te hebben gevraagd - eenzijdig heeft besloten tot de overplaatsing. Dit betekent niet dat Amsta niet geprobeerd heeft samen tot een oplossing te komen. En evenmin dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld.
6.10.
Tussen partijen is in discussie of het [naam 1] een passende locatie voor [appellant] is. Het hof is met Amsta, en de OCO’s die dit hebben bevestigd, voorshands van oordeel dat dat het geval is. Het mag zo zijn dat het [naam 1] voor mensen met een psychiatrische kwetsbaarheid is, zoals [appellant] heeft gesteld, [appellant] zelf verblijft op de somatische afdeling, dus heeft daar weinig last van. Bovendien heeft [appellant] een studio met eigen sanitair, waarvan zij zelf ter zitting heeft verklaard dat dit inderdaad heel fijn is. Ook heeft [appellant] bevestigd dat de zorgmedewerkers prettig zijn in de omgang en dat de samenwerking goed verloopt, hetgeen aansluit bij de berichten die Amsta van de coördinator heeft ontvangen. De overige bezwaren die [appellant] heeft genoemd, zoals de kleinere tuin, de omstandigheden dat er minder cafés en restaurants in de buurt zitten en dat er geen inhouse fysiotherapeut aanwezig is (die [appellant] in het Sarphatihuis overigens alleen kon bezoeken toen zij daar intramuraal verbleef), acht het hof van ondergeschikt belang. Zoals de advocaat van [appellant] het tijdens de zitting heeft verwoord: de locatie is objectief passend, maar subjectief niet, zij vindt het er niet fijn. Hoe vervelend dat voor [appellant] ook is, dit is onvoldoende om te concluderen dat Amsta in redelijkheid niet tot de overplaatsing had mogen besluiten of geen goede zorg verleent. Het moet gaan om reële cliëntgerichte zorg. Daarbij is de zorgcomponent het belangrijkst. Niet weersproken is dat de OCO’s hebben bevestigd dat in het [naam 1] beter aan de zorgbehoefte van [appellant] wordt voldaan dan voorheen in het Sarphatihuis.
6.11.
De slotsom luidt dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Voor de door [appellant] gevorderde proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, laat staan voor een veroordeling tot vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten. Integendeel, het is [appellant] die (ambtshalve) als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten van Amsta.

7.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 827,- aan verschotten en € 2.580,- aan salaris;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. van de Poel, J.C.W. Rang en M.E. van Neck en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.