ECLI:NL:GHAMS:2026:672

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23-001307-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 6 SchengengrenscodeArt. 23 Wetboek van StrafrechtArt. 24 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geldboete voor niet naleven zorgplicht vervoerder bij grenscontrole visumplichtige vreemdeling

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vervoerder veroordeeld voor het niet voldoen aan de zorgplicht zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De vervoerder had onvoldoende gecontroleerd of een visumplichtige vreemdeling in het bezit was van een geldig visum bij binnenkomst in Nederland via Schiphol.

De tenlastelegging betrof het niet nemen van de nodige maatregelen en het niet houden van toezicht om te voorkomen dat de vreemdeling zonder geldig visum het Schengengebied binnenkwam. De verdediging voerde aan dat de zorgplicht een inspanningsverplichting is en dat de vervoerder voldoende maatregelen had getroffen, mede gezien het inschakelen van een externe grondafhandelaar. Dit verweer werd verworpen.

Het hof oordeelde dat het ontbreken van enig visum een eenvoudig te constateren gebrek is en dat de vervoerder nalatig was door dit niet te onderkennen. De gedragingen van het grondpersoneel van de ingeschakelde hulppersoon werden aan de vervoerder toegerekend op grond van de contractuele relatie en de normale bedrijfsvoering.

De rechtbank legde een geldboete van €4.000 op, het hof bevestigde deze straf passend gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden. Er waren geen bijzondere omstandigheden die tot vrijspraak konden leiden. Het hof verklaarde het bewezenverklaarde strafbaar en veroordeelde de vervoerder tot de geldboete.

Uitkomst: De vervoerder is veroordeeld tot een geldboete van €4.000 wegens het niet naleven van de zorgplicht bij controle van visumplichtige vreemdeling.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001307-25
datum uitspraak: 12 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 20 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-086155-24 tegen
[bedrijf 1] N.V.,
gevestigd te [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2025 en 12 maart 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadslieden naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 23 juli 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, als vervoerder (vanaf de luchthaven Muscat Seeb met vluchtnummer [nummer] ) door wiens tussenkomst de vreemdeling, genaamd [persoon] , geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] (Tunesië), aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen en/of niet het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs van haar kon worden gevorderd om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder b, van de Schengengrenscode of artikel 3, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, door niet of onvoldoende te controleren of die vreemdeling in het bezit was van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit was van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbrak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Het standpunt van de advocaat-generaal

Zorgplicht
De advocaat-generaal heeft gesteld dat een vervoerder tekortschiet in zijn zorgplicht als is komen vast te staan dat hij een vreemdeling zonder geldig reisdocument het Schengengebied heeft binnengebracht. Als uitgangspunt voor de beoordeling of daarvan in deze zaak sprake is, gelden de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2000:AA6456 en ECLI:NL:HR:2017:40) en de Vreemdelingencirculaire 2000 (A). Het is in juridisch opzicht niet relevant of op de verdachte een inspanningsverplichting of resultaatsverplichting rustte, nu het om de reikwijdte van het begrip zorgplicht gaat.
De controle of een vreemdeling visumplichtig is en, zo ja, deze ook over het vereiste visum beschikt, is relatief eenvoudig en essentieel van aard. De verdachte heeft de visumplichtige vreemdeling in het Schengengebied gebracht, terwijl deze niet over het vereiste, geldige visum beschikte. Er is daarom niet aan de zorgplicht voldaan.
Bijzondere omstandigheden
Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een vrijspraak zouden moeten leiden.
Toerekening aan de verdachte
De gedragingen van de afhandelaren kunnen aan de verdachte worden toegerekend, omdat de afhandelaren onder haar personeel vallen als zij op een vliegveld in het buitenland passagiers voor een [bedrijf 1] -vlucht inchecken en hen vervolgens in een [bedrijf 1] -vliegtuig laten instappen. De afhandelaren verrichten formaliteiten voor de verdachte, waarvoor de verdachte verantwoordelijk is. De Vreemdelingencirculaire 2000, paragraaf A1/9, bepaalt:
“Onder het personeel van de vervoerder valt het personeel dat onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde formaliteiten verricht”. Hieruit blijkt dat de wetgever heeft beoogd de afhandelaren in het buitenland onder de reikwijdte van de Vreemdelingenwet te laten vallen. Ook de toets aan de hand van de IJzerdraad-criteria leidt tot de conclusie dat de werkzaamheden van de afhandelaren aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Het standpunt van de verdediging

Zorgplicht
De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat zij heeft voldaan aan de zorgplicht zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De zorgplicht houdt een inspanningsverplichting in en uitdrukkelijk geen resultaatsverplichting. De verplichting vereist geen honderd procent score. De verdachte heeft de nodige maatregelen getroffen en het redelijkerwijs te vereisen toezicht gehouden en heeft daarmee aan haar zorgplicht voldaan.
Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde bewoordingen ‘
niet of onvoldoende te controleren’ dient te worden vastgesteld wat namens de verdachte door het grondpersoneel niet of onvoldoende is gedaan. Deze informatie ontbreekt, nu niet is onderzocht welke controle de afhandelaren op de buitenstations niet of onvoldoende zouden hebben uitgevoerd. In het proces-verbaal is niet geconcretiseerd welke controle onvoldoende is geweest. Er is
i)geen bewijs dat de controle
nietplaatsvond namens de verdachte en
ii)onvoldoende bewijs voor een
onvoldoendecontrole.
Bijzondere omstandigheden
De verdediging heeft subsidiair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. De verdachte houdt zich nog steeds aan de extra maatregelen die golden onder het inmiddels beëindigde
Memorandum of Understanding (MoU)en blijft binnen de daaronder geldende quota.
Toerekening aan de verdachte
Voorts is naar voren gebracht dat het handelen van de afhandelaren op de buitenstations niet redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend. In de meeste zaken gaat het om handelingen van grondafhandelaren in dienst van andere ondernemingen dan de [bedrijf 1] . De redelijke toerekening aan een rechtspersoon is afhankelijk van concrete omstandigheden uit het Drijfmest-arrest, waarbij het oriëntatiepunt is of de gedraging plaatsvond in de sfeer van de rechtspersoon. Er is niet voldaan aan alle Drijfmest-criteria, omdat het grondpersoneel niet in dienst was van de [bedrijf 1] en de verdachte voldoende zorg betracht om het vervoer van onjuist gedocumenteerde passagiers te voorkomen. Er kan niet worden gesteld dat de verdachte kon beschikken over het handelen van het externe grondpersoneel en evenmin dat de verdachte handelingen van het eigen grondpersoneel op de
self handlingbuitenstations en van extern grondpersoneel heeft aanvaard.

Het oordeel van het hof

Zorgplicht
Het toetsingskader wordt gevormd door artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000, meer in het bijzonder in hoofdstuk A1/9 waarin de toegang tot Nederland en de verplichtingen van vervoerders worden geregeld. In de Vreemdelingencirculaire is de zorgplicht van vervoerders nader uitgewerkt in een aantal zaken die de vervoerder voorafgaand aan vertrek naar Nederland moet controleren. De vervoerder moet ten minste controleren of het aangeboden document voor grensoverschrijding is voorzien van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming).
Voor het beantwoorden van de vraag of de verdachte heeft voldaan aan de zorgplicht in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, wordt het arrest van de Hoge Raad uit 2017 (ECLI:NL:HR:2017:40) als uitgangspunt genomen. Uit deze rechtspraak volgt dat de in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, opgenomen zorgplicht aan de vervoerder een inspanningsverplichting oplegt. Voor een veroordeling ter zake van het niet naleven van deze zorgplicht is nalatigheid van de vervoerder vereist. Behoudens bijzondere omstandigheden, is een vervoerder nalatig geweest als sprake is van het niet onderkennen van eenvoudig te constateren hiaten in reisdocumenten. Het controleren op de aanwezigheid van
enigvisum is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad van een zo essentiële aard dat in een eenvoudig geval reeds daarom sprake is van het niet voldoen aan de zorgplicht.
In deze zaak is sprake van het ontbreken van enig visum. Naar het oordeel van het hof is dit gebrek eenvoudig te constateren en had de verdachte dit gebrek moeten opmerken. Dat betekent dat de verdachte niet heeft voldaan aan de wettelijke zorgplicht die op haar rust.
Dat niet in het dossier is geconcretiseerd wat namens de verdachte ‘niet of onvoldoende’ is gecontroleerd, maakt deze conclusie niet anders. Vaststaat immers dat de verdachte een gebrek in een reisdocument niet heeft vastgesteld, en op grond daarvan kan worden aangenomen dat geen dan wel onvoldoende controle van betreffend reisdocument heeft plaatsgevonden.
Bijzondere omstandigheden
De omstandigheden die de verdediging naar voren heeft gebracht, kunnen niet worden getypeerd als bijzondere omstandigheden en leiden daarom niet tot een ander oordeel. Ook anderszins is overigens niet van bijzondere omstandigheden gebleken.
Conclusie
Het hof komt, op grond van het hiervoor overwogene, tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Toerekening aan de verdachte
De hiervoor door het hof bewezenverklaarde overtreding van de Vreemdelingenwet is ten laste gelegd aan de verdachte, [bedrijf 1] N.V. De verdachte is een rechtspersoon, ook in de zin van artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht bepaalt:
Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.
(…)
(…)
De verdachte is dus een strafrechtelijk vervolgbare rechtspersoon.
Om vast te stellen dat een rechtspersoon een strafbare dader is dienen twee vragen te worden beantwoord:
I.is de verdachte geadresseerde van de norm?
II.kan de verboden gedraging (gepleegd door een ander) redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend?
Het hof beantwoordt beide vragen bevestigend op grond van de navolgende overwegingen.
Ad I.
In het dossier bevindt zich een uittreksel uit het handelsregister ten name van de verdachte van 27 november 2025. Daarin staat als (primaire) bedrijfsactiviteit van de verdachte vermeld:

SBI-code: 51100 – Personenvervoer door de lucht’.
De verdediging heeft niet gesteld dat de (primaire) bedrijfsactiviteit van de verdachte een andere was ten tijde van het tenlastegelegde en het hof heeft dat evenmin anderszins uit het dossier kunnen afleiden.
De tenlastelegging behelst dat de verdachte niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, dat luidt:
De vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, neemt de nodige maatregelen en houdt het toezicht dat redelijkerwijs van hem kan worden gevorderd om te voorkomen dat door de vreemdeling niet wordt voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder a of b, van de Schengengrenscode of aan artikel 3, eerste lid, onder a, van deze wet.
Het hof stelt vast dat de verdachte geadresseerde is van deze norm, die volgens de tenlastelegging is geschonden.
Ad II.Bij het (onvoldoende) nemen van de nodige maatregelen verliet de verdachte zich op de diensten van de door haar, vervoerder van personen/vreemdelingen in de zin van de wet, contractueel ingeschakelde hulprechtspersoon [bedrijf 2] Llc., de zogenoemde
ground handler. Het personeel van deze (buitenlandse) onderneming controleerde bij het inchecken de reisdocumenten en overige papieren van de in de tenlastelegging vermelde, naar Schiphol reizende vreemdeling. Of dat personeel direct of indirect werkte voor de
ground handleris daarbij van ondergeschikt belang.
Onder deze omstandigheden kan de gedraging aan de verdachte worden toegerekend. Daarvan is volgens inmiddels bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad sprake omdat:
- het gaat om een gedraging van (een personeelslid of hulppersoon van) de
ground handler,die de gedraging volgens contractuele relatie met de verdachte (behoorlijk) diende te verrichten en aldus werkzaam was ten behoeve van de verdachte;
- de gedraging paste in de normale bedrijfsvoering van de verdachte, zijnde het vervoer door de lucht van personen, vreemdelingen daaronder begrepen;
- de gedraging de verdachte dienstig is geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf. Door niet of onvoldoende te controleren, kon het vervoer van personen sneller en/of efficiënter door de verdachte worden geëxploiteerd. Of de verdachte daarmee meer heeft verdiend dan wanneer de regels afdoende zouden zijn nageleefd, is niet van doorslaggevend belang.
Het hof stelt daarom vast dat de overtreding van de regelgeving op de tenlastegelegde datum aan de verdachte vennootschap kan worden toegerekend.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 23 juli 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, als vervoerder vanaf de luchthaven Muscat Seeb met vluchtnummer [nummer] door wiens tussenkomst de vreemdeling, genaamd [persoon] , geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] (Tunesië), aan een buitengrens van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen en/of niet het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs van haar kon worden gevorderd om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 3, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, door niet of onvoldoende te controleren of die vreemdeling in het bezit was van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbrak.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 4.000,00.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 5.000,00.
De verdediging heeft verzocht een lagere geldboete op te leggen dan de kantonrechter heeft opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de overtreding van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij heeft niet voldaan aan haar zorgplicht om te voorkomen dat onjuist gedocumenteerde passagiers het Schengengebied inreizen.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding een lagere geldboete op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 4 en 108 van de Vreemdelingenwet 2000.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 4.000,00 (vierduizend euro).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 maart 2026.