Het gerechtshof Amsterdam heeft op 17 maart 2026 het hoger beroep behandeld van een jeugdige verdachte tegen het vonnis van de kinderrechter van 19 september 2025. De zaak betrof straatroof en poging tot diefstal in vereniging, waarbij geweld tegen personen werd gebruikt om de diefstal te vergemakkelijken.
De verdediging voerde aan dat er twijfel bestond over de rol van de verdachte en het opzet op het delict, met een alternatief scenario waarin het om oplichting zou gaan. Het hof verwierp dit verweer omdat alleen theoretische mogelijkheden werden aangedragen zonder concreet alternatief scenario.
Daarnaast werd betoogd dat de verdachte niet opzettelijk betrokken was bij het geweld. Het hof oordeelde dat het voorwaardelijk opzet op de geweldscomponent bewezen is, omdat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er geweld zou worden gebruikt, mede gelet op zijn actieve rol in de voorbereiding en communicatie.
Het hof bevestigde het vonnis van de kinderrechter en legde een werkstraf van 60 uren op, met 30 dagen vervangende jeugddetentie. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.