Uitspraak
Onderzoek ter terechtzitting
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
BESLISSING
niet-ontvankelijkin het hoger beroep.
Gerechtshof Amsterdam
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 27 februari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 6 augustus 2024. Verdachte had hoger beroep ingesteld tegen de bewezenverklaring en de strafmaat. Tijdens eerdere zittingen, waaronder de inhoudelijke behandeling op 6 juni 2025, heeft verdachte zijn bezwaren tegen het vonnis geuit.
Echter, tijdens de zitting van 27 februari 2026 heeft de raadsvrouw namens verdachte verklaard dat verdachte deze bezwaren niet langer wenst te handhaven. Hierdoor heeft het hof geoordeeld dat er geen rechtens te respecteren belang meer is bij het onderzoek van de zaak in hoger beroep.
Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Dit betekent dat het hoger beroep niet inhoudelijk is behandeld en het vonnis van de politierechter in stand blijft.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij één van de rechters niet in staat was het arrest mede te ondertekenen.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang.