ECLI:NL:GHAMS:2026:780

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
200.360.397/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep echtscheiding: wilsbekwaamheid en duurzame ontwrichting bevestigd

Partijen zijn gehuwd sinds 1964 en hebben zowel de Nederlandse als Turkse nationaliteit. De rechtbank sprak op 17 juli 2025 de echtscheiding uit, maar de man kwam in hoger beroep met het verweer dat de vrouw niet wilsbekwaam was en dat het huwelijk niet duurzaam ontwricht zou zijn.

De vrouw was onder mentorschap en bewind gesteld wegens haar lichamelijke en geestelijke toestand. Een medische verklaring van drs. Van den Heuvel, een geregistreerd VIA-arts, bevestigde dat de vrouw wilsbekwaam was en de wens tot echtscheiding begreep. De man voerde tegenbewijs aan, waaronder een verklaring van zijn mentor en een schriftelijke verklaring in het Arabisch, maar het hof vond deze onvoldoende en niet consistent met de medische beoordeling en verklaringen van de vrouw aan haar advocaat.

Het hof oordeelde dat de vrouw bij herhaling haar wil tot scheiden duidelijk en consistent had geuit, ondanks haar geriatrische aandoening. Ook stelde het hof vast dat het huwelijk duurzaam ontwricht is, gelet op de ernstige aanwijzingen dat samenleven ondraaglijk was geworden. De grieven van de man faalden, en het hof bekrachtigde de echtscheiding zoals uitgesproken door de rechtbank.

Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt de echtscheiding en oordeelt dat de vrouw wilsbekwaam was en het huwelijk duurzaam ontwricht is.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.397/01
zaaknummer rechtbank: C/13/764669 / FA RK 25-1246
beschikking van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. C.R. Hettema te Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. O. Asscher te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als informanten aangemerkt:
- de mentor van de vrouw [naam 1] h.o.d.n. bewindvoerderskantoor MaYiM, hierna: de mentor van de vrouw;
- de mentor van de man [naam 2] , namens Bergen Bewind B.V., hierna: de mentor van de man.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de echtscheiding tussen partijen. De rechtbank heeft op 17 juli 2025 de echtscheiding uitgesproken. De man vindt dat de vrouw niet wilsbekwaam is en dat het huwelijk niet duurzaam is ontwricht. Hij wil dat de beslissing van de rechtbank wordt vernietigd. De vrouw wil dat die beslissing wordt bekrachtigd.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De man is op 17 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 17 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De vrouw heeft op 10 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vrouw van 22 januari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de man van 23 januari 2026 met bijlagen.
2.4
Op 4 februari 2026 heeft de mentor van de vrouw verzocht om aanhouding van de zitting omdat hij wegens ziekte niet aanwezig zou kunnen zijn. Na afstemming met partijen is dit verzoek afgewezen.
2.5
De zitting heeft op 5 februari 2026 plaatsgevonden.
Daarbij waren aanwezig:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de advocaat van de vrouw;
de mentor van de man;
De vrouw was op de hoogte van de zitting, maar is niet verschenen.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd. In het uittreksel van de Basisregistratie Personen (BRP) is opgenomen dat partijen met elkaar zijn gehuwd op 00-00-1964 te [plaats C] (Turkije). De rechtbank heeft vastgesteld dat in een uittreksel afgegeven door het Consulaat van Turkije in [plaats A] is opgenomen dat partijen met elkaar gehuwd zijn op [datum] 1964 te [plaats D] (Turkije). Partijen hebben de Nederlandse en de Turkse nationaliteit.
3.2
Bij beschikking van 14 november 2024 is een mentorschap ingesteld ten behoeve van de man. Tot mentor is benoemd Bergen Bewind B.V. Bij beschikking van 14 november 2024 zijn de goederen die toebehoren aan de man onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke/geestelijke toestand. Tot bewindvoerder is benoemd Bergen Bewind B.V.
Voorts is Bergen Bewind B.V. bij beschikking van 14 november 2024 benoemd tot provisioneel bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de vrouw.
3.3
Bij beschikking van 20 januari 2025 zijn de goederen van de vrouw onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke/geestelijke toestand en is een mentorschap ingesteld ten behoeve van de vrouw. Tot bewindvoerder is benoemd Bergen Bewind B.V. Tot mentor is benoemd [naam 1] h.o.d.n. Bewindvoerderskantoor MaYiM.
3.4
Op 17 februari 2025 is namens de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank, onder bijvoeging van een medische verklaring van drs. H.A.J.M. van den Heuvel, indicerend en adviserend arts KNMG, geregistreerd VIA arts (hierna: drs. Van den Heuvel) van 5 december 2024.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de echtscheiding uitgesproken tussen partijen.
4.2
De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzochte echtscheiding af te wijzen.
4.3
De vrouw voert verweer. Zij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de man af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over het verzoek van de vrouw. Nu tegen het oordeel van de rechtbank dat op dit verzoek naar Nederlands recht wordt beslist niet is gegriefd, zal ook het hof van de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgaan.
Het wettelijk kader
5.2
Ingevolge artikel 1:151 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is voor een echtscheiding vereist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Een huwelijk is duurzaam ontwricht indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden, zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen (MvT, Kamerstukken II, 10213, 3, p. 14 e.v., MvA II, 6, p. 3 e.v.).
Indien een echtgenoot stelt, en daarbij volhardt, dat hij niet meer met zijn echtgenoot kan samenleven, zal dit door de rechter moeten worden opgevat als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting bestaat en vormt dit volgens vaste rechtspraak vrijwel altijd een beslissende aanwijzing dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
Als een echtgenoot echter met betrekking tot het indienen van een echtscheidingsverzoek niet in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen en de betekenis daarvan te begrijpen, is het verzoek niet-ontvankelijk.
De standpunten van partijen
5.3
De man stelt dat de vrouw ten tijde van het indienen van het verzoek tot echtscheiding wilsonbekwaam was en dat zij dat nu nog steeds is. Het verzoek van de vrouw had daarom niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, aldus de man. Volgens de man heeft de vrouw vergevorderde dementie en vanwege haar stoornis overziet zij de gevolgen van de echtscheiding en de betekenis daarvan niet. De man stelt dat de medische verklaring van drs. Van den Heuvel die door de rechtbank is gebruikt, onjuist is. De verklaring is in strijd met de door de man overgelegde medische stukken van de vrouw. Ook uit het telefoongesprek tussen drs. Van den Heuvel en de mentor van de man op 10 december 2024 zou dit blijken. Volgens de mentor van de man zou drs. Van den Heuvel tegen haar gezegd hebben dat de vrouw absoluut niet terug wilde naar de man en dat zij zich veilig voelde bij zoon [naam 3] . De vrouw zou niet goed hebben kunnen beseffen dat voor gescheiden wonen niet per se wettelijk scheiden nodig is. Volgens de man zou drs. Van den Heuvel de vrouw deels in het Nederlands hebben gesproken, waarbij hij veel moest herhalen. De tolk – geen professionele tolk – gaf aan wanneer de vrouw het niet begreep. De man meent dat er alleen getoetst is of de vrouw gescheiden wilde wonen en niet of zij wilde scheiden voor de wet.
Verder stelt de man dat als geoordeeld wordt dat de vrouw wel wilsbekwaam was, er geen sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Hij weerspreekt dat hij de vrouw tijdens het huwelijk slecht heeft behandeld. Volgens de man heeft hij de vrouw niet vernederd en is hij niet agressief geweest naar de vrouw toe.
De man stelt tot slot dat voor zover de vrouw al heeft willen scheiden, zij dit nu in ieder geval niet meer wil gelet op het handelen van de vrouw na het indienen van het echtscheidingsverzoek. Volgens de man ontvangt de vrouw graag het bezoek van de man iedere zondag en stuurt zij hem niet weg. De man heeft aanvullend nog een verklaring ingebracht waaruit een wijziging van de wens van de vrouw zou blijken.
5.4
De vrouw voert verweer. Zij heeft – zowel bij haar advocaat voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift als in latere gesprekken met haar advocaat, in aanwezigheid van een tolk – meerdere malen aangegeven dat zij wil scheiden. De advocaat heeft in de stukken en ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebracht dat zij de situatie en de mogelijkheden met de vrouw heeft besproken. Omdat er medio 2024 bij de vrouw sprake was van een milde/lichte vorm van een psychogeriatrische aandoening, heeft er op verzoek van de advocaat van de vrouw op 4 december 2024 een medische beoordeling plaatsgevonden van de wilsbekwaamheid van de vrouw. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de vrouw wil scheiden van haar man en dat zij zich ook bewust is van de gevolgen. De vrouw heeft een zwaar leven gehad. Zij is, zo stelt zij, op zeer jonge leeftijd vanuit Syrië meegenomen naar Turkije en heeft de identiteit overgenomen van de vorige vrouw van de man die door femicide om het leven is gekomen. De vrouw heeft tegenover haar advocaat meerdere malen verklaard dat zij niet als echtgenoot van de man wil sterven.
Wat de betwisting van de duurzame ontwrichting betreft, voert de vrouw aan dat de man deze stelling zonder substantiële onderbouwing inneemt. De vrouw wenst geen verzoening met de man. Volgens de vrouw is de man enkel in beroep gegaan omdat hij wil voorkomen dat hij als gescheiden man zal worden beschouwd.
Oordeel hof
5.5
Tussen partijen is in geschil of de vrouw in staat is om haar wil te bepalen ten aanzien van de verzochte echtscheiding en de gevolgen daarvan.
5.6
De rechtbank heeft op grond van de medische verklaring van de arts drs. Van den Heuvel geoordeeld dat vaststaat dat de vrouw de wil en de intentie had om van de man te scheiden. Het hof onderschrijft dat oordeel. Daartoe is het volgende redengevend. Het hof stelt voorop dat drs. Van den Heuvel een geregistreerd VIA-arts is, hetgeen betekent dat hij als arts is opgeleid op het specifieke terrein van beoordelingen in het kader van wilsbekwaamheid. Uit de verklaring van drs. Van den Heuvel blijkt dat hij ten tijde van de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de vrouw op de hoogte was van de medische informatie over haar en dat hij cognitieve stoornissen heeft vastgesteld die passen bij de in juni 2024 door een geriater bij de vrouw vastgestelde beginnende vorm van een psychogeriatrische aandoening. De stelling van de man dat de verklaring in strijd is met de medische stukken van de vrouw volgt het hof reeds daarom niet. Drs. Van den Heuvel heeft geconstateerd dat de vrouw bij herhaling in staat was haar overwegingen ten aanzien van haar wens van haar echtgenoot te scheiden te verwoorden en te beargumenteren. De vrouw heeft ten overstaan van drs. Van den Heuvel bij herhaling verteld dat zij geen contact meer met haar echtgenoot wenst en zij heeft gesproken over jarenlange slechte behandeling door haar echtgenoot met agressie en vernedering, waarover zij erg verdrietig was. De wens van de vrouw heeft drs. Van den Heuvel medisch gezien als geheel duidelijk en consistent beschouwd, zijnde haar uitdrukkelijke wil. De rechtbank heeft verder overwogen dat niet is gebleken dat er verandering is gekomen in de wil van de vrouw om van de man te scheiden.
In hoger beroep heeft de man zich beroepen op een verklaring van zijn mentor over een telefoongesprek van de mentor met drs. Van den Heuvel op 10 december 2024, dat wil zeggen binnen een week na de door drs. Van den Heuvel gemaakte beoordeling van de wilsbekwaamheid van de vrouw. Van de zijde van de vrouw is daarover een mailbericht van 13 november 2025 ingebracht waarin drs. Van den Heuvel meldt in zijn dossier geen notitie van een dergelijk gesprek te kunnen terugvinden en dat het te lang geleden is om daar een actieve herinnering van te hebben. De weergave door de man van het gesprek van de mentor komt erop neer dat de vrouw niet zozeer wilde scheiden, maar vooral niet meer samen wilde wonen met de man en dat zij niet in staat was dat onderscheid te begrijpen. Deze eenzijdige lezing is onvoldoende om de beoordeling van de wilsbekwaamheid en de constatering dat de vrouw bij herhaling in staat was haar overwegingen ten aanzien van haar wens van haar echtgenoot te scheiden te verwoorden en te beargumenteren, terzijde te schuiven. Het hof gaat net als de rechtbank ervan uit dat de vrouw wel degelijk heeft bedoeld van de man te willen scheiden en bekwaam was haar wil daarover te bepalen.
Verder heeft de man zich in hoger beroep beroepen op de door hem op 23 januari 2026 in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van 16 november 2025. Die verklaring is een in het Arabisch opgesteld stuk dat is vertaald door een beëdigd vertaler en waaronder de naam van de vrouw is geplaatst, met handtekening. Daar staat tegenover hetgeen de advocaat van de vrouw naar voren heeft gebracht. De advocaat van de vrouw heeft de vrouw in totaal vijf keer gesproken, waarvan twee keer voorafgaand aan de zitting bij het hof, in bijzijn van een tolk, in oktober 2025 en in januari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de vrouw uiteengezet hoe de gesprekken met de vrouw verliepen: de vrouw is slechthorend en er moet met haar in eenvoudige taal worden gesproken. Om te controleren of de vrouw een vraag begreep, vroeg de advocaat aan de vrouw wat zij dacht dat er gevraagd werd, waarna de vrouw vervolgens antwoord gaf op de vraag. De advocaat gaf verder aan dat zij een vraag soms wel vier of vijf keer aan de vrouw stelde. Op de vraag waarom de vrouw wil scheiden van de man gaf de vrouw telkens consistent en consequent aan dat zij wil scheiden van de man omdat zij niet als vrouw van de man wil sterven.
Het hof constateert dat de door de man ingebrachte verklaring inhoudelijk niet strookt met de door de vrouw tegenover haar advocaat herhaaldelijk geuite wil tot scheiden. Daarnaast lijkt de verklaring ook niet te voldoen aan de door de advocaat van de vrouw geschetste wijze waarop met de vrouw, vanwege haar verslechterde geriatrische toestand, kan worden gecommuniceerd. Dat de vrouw de in de verklaring genoemde feitelijkheden uit eigen beweging naar voren zou hebben gebracht, lijkt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet aannemelijk. Daarbij merkt het hof verder op dat uit die verklaring niet zozeer moet worden begrepen dat de vrouw niet bekwaam zou moeten worden geacht om haar wil tot scheiden te bepalen, maar erop neerkomt dat de vrouw zou hebben aangegeven tot het uiten van een echtscheidingswens te zijn gedwongen door één van de kinderen en zij over de echtscheiding inmiddels anders zou denken.
Gelet op de verklaring van de advocaat van de vrouw en de medische verklaring van drs. Van den Heuvel van 5 december 2024, en gezien de complexe familiesituatie waarbij er sprake is van inmenging over en weer door de kinderen van partijen, vindt het hof in de door de man overgelegde verklaring van 16 november 2025 geen aanwijzing dat de vrouw niet in staat moet worden geacht om haar wil tot echtscheiding te bepalen. Gelet op het voorgaande slaagt het, eerst op 23 januari 2026 door de man gedane, beroep op een wilsgebrek niet. Ook de stelling van de man dat de vrouw inmiddels geen scheiding meer zou willen, wordt verworpen. Het enkele feit dat de man, al dan niet in gezelschap van kinderen van partijen, de vrouw bezoekt, is onvoldoende om aan te nemen dat de vrouw van haar zo nadrukkelijk geuite wens tot scheiding is teruggekomen.
Zoals hiervoor onder 5.2 is vermeld, geldt ten aanzien van de duurzame ontwrichting van het huwelijk dat indien een echtgenoot stelt, en daarbij volhardt, dat hij niet meer met zijn echtgenoot kan samenleven, dit door de rechter zal moeten worden opgevat als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting bestaat en vormt dit volgens vaste rechtspraak vrijwel altijd een beslissende aanwijzing dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Gezien de uitingen van de vrouw tegenover drs. Van den Heuvel en tegenover haar advocaat kan niet anders worden geoordeeld dan dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw is consistent gebleken in haar beleving dat zij niet met de man kan samenleven. De uitingen van de vrouw over de gang van zaken tijdens het huwelijk en haar uiting dat zij niet als echtgenote van de man wil sterven, verdragen zich niet met de opvatting van de man dat van ontwrichting van het huwelijk, ondanks het verbreken van de samenwoning, geen sprake zou zijn.
5.7
De grieven van de man falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de in de beschikking van de rechtbank van 17 oktober 2025 tussen partijen uitgesproken echtscheiding.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. J.M. van Baardewijk en mr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.