ECLI:NL:GHAMS:2026:781

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
200.359.867/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging omgangsregeling met opbouw naar onbegeleide omgang tussen vader en kind

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland waarin een opbouwende omgangsregeling tussen de vader en zijn dochter is vastgesteld, met als doel onbegeleide omgang binnen twaalf maanden.

De moeder verzet zich tegen deze regeling en wil een minder frequente, begeleide omgangsregeling, terwijl de vader instemt met de rechtbanksbeslissing. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren het contact op te bouwen en te continueren onder begeleiding, met het oog op het belang van het kind.

Tijdens de zitting en op basis van rapportages blijkt dat de omgang positief verloopt, hoewel het kind spanning ervaart. Het hof oordeelt dat de omgangsregeling van de rechtbank passend is en dat een te beperkte omgangsregeling niet bijdraagt aan het verminderen van spanning of het opbouwen van een goede relatie.

Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep van de moeder af, met het advies om de moeder ook te betrekken bij het begeleidingsproces zodat het kind niet belast wordt met de uitvoering van de omgang.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de omgangsregeling van de rechtbank met opbouw naar onbegeleide omgang en wijst het beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.359.867/01
zaaknummer rechtbank: C/15/335911 / FA RK 23-213
beschikking van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M.M.E. Rietjens te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr.T.F.W. Kouwenhoven te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2014 te [plaats B] (hierna: [minderjarige 1] ), in deze vertegenwoordigd door de bijzondere curator [curator] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1] .
1.2
De rechtbank) heeft op 3 juli 2025 een opbouwende omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1] vastgesteld, die uiteindelijk tot onbegeleide omgang leidt. De moeder is het daar niet mee eens en wil dat de bestreden beschikking vernietigd wordt. De vader is het wel eens met de bestreden beschikking en verzoekt om bekrachtiging.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 3 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 3 juli 2025.
2.2
De vader heeft op 14 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de bijzondere curator van 15 januari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 26 januari 2026 met bijlagen,
2.4
[minderjarige 1] heeft op 3 februari 2026 gesproken met de voorzitter, in het bijzijn van de griffier. Van dat gesprek heeft de voorzitter ter zitting een samenvatting gegeven.
2.5
De zitting heeft op 5 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Portugese taal, W. Bueno Franca,
- V. Regout namens de raad,
- de bijzondere curator.
De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.

3.De feiten

3.1
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
3.2
Uit deze relatie is [minderjarige 1] geboren.
3.3
De vader heeft [minderjarige 1] erkend. De moeder is belast met het gezag over [minderjarige 1] .
3.4
[minderjarige 1] woont bij de moeder, samen met haar stiefvader en halfzus [minderjarige 2] .
3.5
De moeder en [minderjarige 1] hebben de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Braziliaanse nationaliteit.
3.6
Bij beschikking van 8 juni 2023 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om het gezamenlijk gezag afgewezen, een voorlopige informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder de vader eenmaal per maand informeert over gewichtige aangelegenheden betreffende [minderjarige 1] en bepaald dat de consultatieverplichting voorlopig buiten toepassing blijft. Het verzoek van de vader tot bepaling van een omgangsregeling is aangehouden in afwachting van de resultaten van een hulpverleningstraject ter verbetering van de onderlinge communicatie en begeleiding bij het opstarten van de omgang.
3.7
Bij beschikking van 19 december 2024 heeft de rechtbank de bijzondere curator benoemd.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, tussen de vader en [minderjarige 1] de volgende omgangsregeling vastgesteld:
- starten met een begeleide omgangsregeling van éénmaal per acht weken een uur, waarbij binnen een periode van twaalf maanden vanaf de datum van de bestreden beschikking wordt opgebouwd naar een onbegeleide omgangsregeling, waarbij de vader en [minderjarige 1] éénmaal per twee weken een dagdeel in het weekend omgang hebben alsmede eenmaal per twee weken een doordeweekse middag uit school (al dan niet inclusief avondeten).
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat er een omgangsregeling vastgesteld wordt, waarbij [minderjarige 1] en de vader elkaar eenmaal per drie maanden een uur onder begeleiding van Praktijk Eigenwijzer, en zodra deze hulpverlening stopt onder begeleiding van stiefvader [stiefvader] , zullen zien dan wel een andere frequentie en in een andere vorm zoals het hof juist acht.
4.3
De vader voert verweer.

5.De motivering van de beslissing

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over de omgangsregeling. Het oordeel dat op het verzoek Nederlands recht van toepassing is niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:377a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
Standpunten partijen
5.3
De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank het advies van de bijzondere curator heeft gevolgd. Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het niet vaststellen van een omgangsregeling een contra-indicatie vormt voor de verdere gezonde en veilige ontwikkeling van [minderjarige 1] . Ook is de moeder het niet eens met de opbouw van de omgangsregeling en dat toegewerkt wordt naar onbegeleide omgang tussen [minderjarige 1] en de vader. Volgens de moeder heeft [minderjarige 1] al van jongs af aan moeite met het contact met haar biologische vader. Deze verwarring is er altijd al geweest, maar is alleen maar toegenomen nadat de vader een rechtszaak aanspande over de omgang en er begeleiding werd ingezet, aldus de moeder. Er kwam meer druk op de omgang te liggen, precies in de periode dat [minderjarige 1] bezig was met een moeilijke overstap van speciaal onderwijs naar regulier onderwijs. De wisseling van scholen vroeg veel van haar; ze liep constant op haar tenen, had geen energie meer over om nog naar haar sport te gaan of om leuke dingen te doen. Volgens de moeder kwam daar bovenop de begeleiding en de druk dat ze haar vader moest zien. De moeder stelt dat dit de weerstand en de verwarring alleen maar heeft vergroot en heeft doen escaleren tot een hoogtepunt, waaruit de bijzondere curator de conclusie trok dat [minderjarige 1] met een ernstig loyaliteitsconflict kampt. Een conflict dat volgens de moeder is ontstaan door verwarring en druk en niet is ingegeven door de moeder.
De moeder is van mening dat de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] qua duur en frequentie zeer zorgvuldig moet worden opgebouwd en dat [minderjarige 1] hierin leidend dient te zijn. De moeder verwijst in dit kader naar de tussenbeschikking van 8 juni 2023, waarin is opgenomen dat het evident is dat er zorgvuldig moet worden gekeken naar de duur en frequentie van de omgang. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaart de moeder dat het goed gaat met [minderjarige 1] , ze ontwikkelt zich goed. Ook de omgang verloopt best goed, maar bij [minderjarige 1] blijft spanning bestaan. De moeder is van mening dat de vader zal moeten leren aansluiten bij [minderjarige 1] en haar fysieke grenzen moet leren accepteren. Door het verbeteren van zijn taalvaardigheid in het Nederlands zou de vader daar zelf een grote bijdrage aan kunnen leveren. Verder merkt de moeder op dat zij de mogelijkheden onderzoekt om komende zomer met het hele gezin te verhuizen naar Spanje. Dit zal mogelijk invloed hebben op het contact tussen [minderjarige 1] en de vader, maar het contact hoeft niet verloren te gaan, aldus de moeder.
5.4
De vader voert verweer. Volgens de vader sluit de door de moeder in hoger beroep verzochte omgangsregeling niet aan op hetgeen in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is bevonden door de bijzondere curator en de rechtbank. Sinds de bestreden beschikking wordt uitvoering gegeven aan de begeleide omgang en dat gaat goed. [minderjarige 1] en de vader genieten allebei van de contacten en er is sprake van contactgroei. Ook was gestart met mediation, maar die is gestopt vanwege de verhuisplannen van de moeder. De vader ziet, anders dan de moeder, in de geuite verhuisplannen (waarvan hij pas kort na de bestreden beschikking op de hoogte raakte) geen reden om het opbouwen van de omgang uit te stellen of af te stellen.
Advies van de bijzondere curator
5.5
In het rapport van 2 april 2025 heeft de bijzondere curator de conclusie getrokken dat omgang met haar vader in het belang is van [minderjarige 1] , zodat zij haar vader, de liefde die hij voor haar voelt en de zorg die hij wil bieden zelf kan leren kennen. Over de ouderschapskwaliteiten van de vader bestaan geen zorgen, maar vanwege de taalbarrière adviseert de bijzondere curator wel begeleide omgang. Zodra de vader de Nederlandse taal voldoende machtig is, kan de omgang onbegeleid plaatsvinden. Verder adviseert de bijzondere curator individuele hulp voor [minderjarige 1] door een gedragswetenschapper om haar te helpen bij het verwerken van ervaringen en bij haar verdere ontwikkeling.
5.6
In het verslag van 15 januari 2026 en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep adviseert de bijzondere curator de interventie van Praktijk Eigenwijzer voort te zetten en verder uit te breiden. Na de bestreden beschikking zijn er vijf maandelijkse bijeenkomsten geweest tussen [minderjarige 1] en haar vader, waarbij de eerste bijeenkomst op 29 oktober 2025 heeft plaatsgevonden. Bij die eerste bijeenkomsten was, zoals afgestemd, ook stiefvader ( [stiefvader] ) aanwezig. Hij heeft zich bij het onderzoek positief uitgelaten over contactherstel en toont zich betrokken. Stiefvader spreekt Spaans, vader Portugees, en ze begrijpen elkaar voldoende, ook dat was van toegevoegde waarde.
De bijzondere curator ziet dat de interactie tussen de vader en [minderjarige 1] positief is. Wel heeft zij twee kanten van [minderjarige 1] gezien; een kant waar [minderjarige 1] een leuke interactie heeft met haar vader en een kant waar [minderjarige 1] haar best doet om te laten zien dat ze haar vader niet leuk vindt. Volgens de bijzondere curator past het gedrag dat [minderjarige 1] tijdens de sessie toont niet bij de door haar geuite hoofd- en buikpijnklachten. Duidelijk was wel dat [minderjarige 1] het niet leuk vond dat haar vader een foto van haar maakte, daarover mag zij ook zelf beslissen.
Dat de contacten tussen de vader en [minderjarige 1] positief verlopen wordt ook onderschreven door de begeleider van Praktijk Eigenwijzer van wie de bijzondere curator tijdens de mondelinge behandeling een verslag heeft voorgelezen. Bij de eerste sessie was er nog wat afstand tussen [minderjarige 1] en haar vader, maar bij de tweede sessie is deze afstand niet meer gezien. De begeleider ziet dat [minderjarige 1] zich goed voelt en dat [minderjarige 1] en de vader bij de derde sessie als vader en kind spelen. Ze zoeken oplossingen voor de spelletjes die zij spelen, ze puzzelen en ze spelen tafeltennis.
De bijzondere curator ziet dat de moeder haar best doet, maar leest in de stukken dat de moeder nog steeds weerstand voelt en de woorden herhaalt die ze al eerder tijdens het onderzoek over de vader uitte. De bijzondere curator adviseert dan ook om de moeder te betrekken in een traject bij Praktijk Eigenwijzer, waarin de moeder bijgestaan kan worden in het proces om haar weerstand tegen de vader te verminderen, zodat [minderjarige 1] daarmee niet belast wordt. Op die manier wordt [minderjarige 1] volgens de bijzondere curator niet meer verantwoordelijk gesteld voor het hebben van contact met haar vader.
Advies van de raad
5.7
De raad heeft naar voren gebracht dat contactopbouw tussen [minderjarige 1] en de vader in haar belang is. Dat [minderjarige 1] zich niet fijn of veilig zou voelen bij de vader is niet gestoeld op ervaringen, aldus de raad. Dat de vader [minderjarige 1] in onveiligheid brengt ziet de raad niet. Het is de opdracht aan de moeder om de vader een plek te geven in het leven van [minderjarige 1] . Indien meegegaan zou worden met de gestelde wens van [minderjarige 1] om afstand te houden, zonder opbouw van contact, dan blijft [minderjarige 1] volgens de raad vasthouden aan het gevoel van onveiligheid wat zij zegt te ervaren. De verdere opbouw van contact is nodig om ruimte te maken voor positieve ervaringen met de vader. Uit het verslag van de begeleider van Praktijk Eigenwijzer blijkt dat die positieve ervaringen er zijn, aldus de raad. De raad adviseert om de bestreden beschikking te bekrachtigen, zodat er een opbouw komt in de contacten tussen [minderjarige 1] en haar vader.
Beoordeling door het hof
5.8
Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan, reden waarom het hof de beschikking zal bekrachtigen. Het hof neemt de gronden uit de beslissing van de rechtbank over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. Na de bestreden beschikking is de omgang al snel uitgebreid naar maandelijks een uur, onder begeleiding van Praktijk Eigenwijzer. Uit de observaties van de begeleider van Praktijk Eigenwijzer en van de bijzondere curator blijkt dat de interactie tussen de vader en [minderjarige 1] positief verloopt en dat [minderjarige 1] van de omgang en de begeleiding profiteert. Er zijn ook momenten waaruit blijkt dat er spanning is. Zo liet [minderjarige 1] tijdens de omgang zien het niet prettig te vinden dat de vader een foto van haar nam. Ook heeft [minderjarige 1] bij de moeder en bij de voorzitter van het hof uitgesproken dat zij de contacten met de vader spannend vindt en minder contact wil.
Met de raad is het hof echter van oordeel dat het voor [minderjarige 1] van belang is dat er bij haar meer ruimte komt voor positieve ervaringen met haar vader. Dit kan bewerkstelligd worden doordat er frequent omgang plaatsvindt tussen [minderjarige 1] en haar vader. Het hof is daarom van oordeel dat een omgangsregeling waarbij [minderjarige 1] en haar vader slechts één keer in de drie maanden begeleide omgang hebben met elkaar, hieraan niet zal bijdragen. Deze door de moeder verzochte omgangsregeling is te beperkt om een goed contact op te kunnen bouwen tussen de vader en [minderjarige 1] en de spanning bij [minderjarige 1] te laten verminderen.
Gelet op het positieve verloop van de contacten ziet het hof ook mogelijkheden voor onbegeleide omgang. De door de rechtbank in de vastgestelde omgangsregeling genoemde periode acht het hof realistisch; binnen die periode moet een onbegeleide omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en haar vader kunnen worden gerealiseerd. Dat betekent dat onbegeleide omgang aan de orde is met ingang van juli 2026.
Het hof acht het van belang dat, totdat de omgang onbegeleid kan plaatsvinden, [minderjarige 1] en haar vader ondersteund worden door de hulpverleners van Praktijk Eigenwijzer. Zoals de bijzondere curator in het rapport heeft geadviseerd, acht het hof het raadzaam dat ook de moeder wordt betrokken in het traject bij Praktijk Eigenwijzer, zodat zij [minderjarige 1] kan ondersteunen en [minderjarige 1] zich niet meer verantwoordelijk hoeft te voelen voor de uitvoering van de begeleide omgang.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 3 juli 2025;
wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. J.M. van Baardewijk en mr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.